Wat Sai Moon Muang (Santipap / Shutterstock.com)

In de officiële Thaise historiografie zijn er een aantal geschiedkundige fases waar men liefst zo weinig mogelijk over rept. Eén van die periodes is die van de twee eeuwen dat Chiang Mai, Birmees was. Je kan sowieso al vraagtekens bij de Thaise identiteit en karakter van de Roos van het Noorden plaatsen want formeel behoort Chiang Mai, als hoofdstad van het koninkrijk Lanna, nog geen eeuw bij Thailand.

Chiang Mai ontstond in 1269, nadat de machtige Tai-Yuan krijgsheer Mengrai het nabijgelegen Wiang Kum Kam moest verlaten door de jaarlijkse overstromingen van de Pingrivier. De stad groeide in snel tempo uit tot het bestuurlijke en economische centrum van het Lannarijk. Maar in 1526 pakten zich donkere schaduwen samen boven Chiang Mai na de dood van Phaya Kao. Zijn zes potentiële troonopvolgers raakten in de volgende 25 jaar betrokken in een koningsdrama met Shakespeariaanse allures waarvan staatsgrepen, moord en doodslag de belangrijkste ingrediënten bleken te zijn. Onrust, verraad en corruptie holden het lokale gezag zienderogen uit. De Birmese koning Bayinnaung, die tuk was op territoriale uitbreiding, kon moeilijk aan de verleiding weerstaan om, gebruikmakend van de bestuurlijke chaos, Lanna aan te vallen.

In 1558 namen zijn legerscharen Chiang Mai in en gebruikten het als uitvalsbasis om de rest van het vorstendom in te nemen en op te splitsen in aparte bestuurlijke entiteiten die door Birmese gouverneurs werden bestuurd. Zo ontstonden de stadstaten Nan (1595), Phayao, Phrae en Chiang Rai (1600), Lampang (1614) en Chiang Khong (1624). Ondanks het (feit dat er een Birmese prins op de troon zat in Chiang Mai werd de bevolking niet écht onderworpen en was de stad alleen maar verplicht om elk jaar een forse retributie op te hoesten. De overige stadsstraten waren zelfs quasi onafhankelijk van het Birmese gezag en enkel in naam horig aan de Birmezen. Op deze manier kon de unieke identiteit van Lanna grotendeels gevrijwaard worden van Birmese invloeden. Het nadeel was wel dat Lanna in de volgende decennia verschillende keren het strijdtoneel werd tussen Siamezen, die de regio terug onder controle van Ayutthaya probeerden te krijgen, en de Birmezen. Terwijl ook de Laotianen met de regelmaat van een klok een graantje probeerden mee te pikken in het verzwakte Lanna-rijk. Dit alles was geen goed nieuws voor de lokale economie. Er braken duistere tijden aan. De ooit zo drukke handel bloedde dood en veel centra van bewoning raakten ontvolkt en vervielen tot spooksteden.

Pas in 1767 kwam daar kentering in. In dat jaar hadden de Birmezen de Siamese hoofdstad Ayutthaya te vuur en te zwaard vernietigd. Een geweldige militaire én politieke overwinning maar die wel de Birmese positie in Lanna ernstig had verzwakt. Er waren nauwelijks nog troepen aanwezig en de campagne had de Birmese schatkist bijna leeg gemaakt. De belastingen werden verzwaard en de relaties verzuurd. De oude adel van Lanna meende dat het moment was aangebroken om oude rekeningen te vereffenen. Ze grepen deze kans aan en smeedden een bondgenootschap met de Siamezen om de Birmezen van hun grondgebied te verdrijven. Het was een gok die vruchten afwierp want in 1775 trokken de troepen van Taksin, bijgestaan door de mannen van de prins Kawila van Lampang, triomfantelijk Chiang Mai binnen en maakten een einde aan twee eeuwen van horigheid aan Birma. Toch zou het nog bijna dertig jaar duren, vooraleer de laatste Birmezen uit de uithoeken van het rijk waren verjaagd.

Taksin (Muzicman JY / Shutterstock.com)

De meer dan tweehonderd jaar dat Chiang Mai, Birmees was, hebben natuurlijk hun stempel gedrukt op de stad. Men heeft weliswaar geprobeerd om veel daarvan zo snel mogelijk uit te wissen maar desalniettemin neem ik u vandaag graag mee op een trip door Chiang Mai op zoek naar sporen van deze Birmese aanwezigheid. Laat me beginnen met Wat Sai Moon Myanmar. Dit tempelcomplex in de zuidoostelijke hoek van de Oude Stad dateert van voor de Birmese invasie. De eerste steen ervan werd in 1487 gelegd onder het bewind van koning Tilokarat. Oorspronkelijk stond deze tempel bekend als Wat Saimoonmueang wat een verwijzing zou zijn naar het nabijgelegen Saimoonmoeras, dat op zijn beurt was ontstaan als gevolg van het afgraven van kleilagen waaruit de bakstenen werden geproduceerd waarmee de stadsomwalling werd aangelegd. De Birmese connectie kwam er nadat Birmese troepen ten noorden van Chiang Mai een invasie waren begonnen en een Boeddhabeeld vanuit Chaingsaen op een ossenkar naar Chiang Mai werd geëvacueerd. Toen de door soldaten begeleide kar langs deze tempel passeerde bleven de dieren plots stokstijf staan en weigerden ze nog verder te trekken. De begeleiders zagen dit als een goddelijke interventie en brachten het beeld onder in deze tempel waar het tot op vandaag in de Wihan prijkt.

Wat Buppharam

De in 1497 gebouwde Wat Buppharam aan Thaphae Road heeft erg duidelijk Birmese invloeden ondergaan qua architectuur. De tempel werd in 1497 gesticht door koning Phra Mueang Kaeo op de plaats waar het paleis stond van zijn overgrootvader, koning Tilokarat. Na de inname van Chiang Mai door de Birmezen werd de tempel door Mon-monniken gebruikt. De meer dan vierhonderd jaar oude grote chedi -waar volgens de legende oorspronkelijk een Boeddha-relikwie in werd bewaard – is een schoolvoorbeeld van een gemengde Birmese-Mon-stijl. De hagelwit geschilderde basis wordt bewaakt door vier vervaarlijke Chinten, mythische leeuwen die de Birmese tegenhangers zijn van de Siamees-Thaise Singh. De behoorlijk vervallen chedi werd in 1958 door het Thaise Fine Arts Departement uitvoerig gerestaureerd met respect voor de Birmese stijl. Let bij een bezoek aan deze tempel ook op het bijzonder fraaie meerlaagse dak van de Ho Monthian Tham of de grote koninklijke Dhamma-Hal. Dit indrukwekkende bouwsel dateert niet uit de tijd van de Birmese bezetting maar werd in 1996, ter gelegenheid van het vijftigste regeringsjaar van koning Bhumibol gebouwd. Het gebouw, met een merkwaardig kruisvormig grondplan, refereert overduidelijk naar het Birmese verleden van deze tempel met de typische meer lagen dakstructuur die wordt bekroond door een mondopvormige toren met een dik in het bladgoud gezette Birmese spits.

De belangrijkste bezienswaardigheid in dit tempelcomplex heeft overigens ook een Birmese connectie. In de bovenverdieping van de Dhamma-Hal bevindt zich een mooie teakhouten Boeddhabeeld in de Bhumisparsehouding. Dit beeld, dat vereerd wordt als de Phra Phutta Naret Sakchai Phairi-Phinat is het grootste teakhouten Boeddhabeeld van het land. Achter het beeld bevindt zich een groot houten paneel waarin de bijzondere ontstaansgeschiedenis van deze Boeddha-figuur wordt uitgebeeld. Het zou immers zijn ontstaan uit een visioen dat de Siamese koning Naresuan de Grote had gekregen nadat hij 1591 een Birmese invasiemacht een halt had toegeroepen. Het was dan ook geen toeval dat prins Kawila, nadat hij de Birmezen in 1775 uit Chiang Mai had verdreven, precies deze tempel uitkoos als beginpunt voor een ceremoniële tocht door de stad waarbij deze ritueel werd gereinigd.

Wat Pa Pao

Terwijl Wat Bupparam in feite een eclectische mix van Birmese, Lanna en Laotiaanse stijlelementen vormt is Wat Pa Pao bij de noordoostelijke hoek van de Oude Stad een mooi voorbeeld van een geslaagde fusie van Birmese- en Shan- stijlen. Het begint al met de elegante, uit niet minder dan vier bouwlagen bestaande bedaking van de toegangspoort, maar spreekt uit alle details eens je het tempelterrein betreedt: van de kleurrijke muurschilderingen over de beelden van stoere krijgers in Birmese klederdracht tot de obligate Chinten op de vier hoeken van de grootste chedi. De ubosot van de kleinere en niet zo bekende Wat Duang Di heeft dan weer een opmerkelijke Birmese voorgevel met al even opvallende spiegelelementen in felgekleurd glas. In 1761 leidde Chao Khihut, een wijze monnik uit deze tempel, een rebellie tegen de Birmese koning Naungdawgyi. Hij wist met de hulp van de afvallige Birmese generaal Talaban Chiang Mai te bevrijden. Talaban gebruikte daarop de stad als uitvalsbasis voor zijn campagnes tegen Birma, maar in het voorjaar van 1763 keerde het tij en kwam de regio opnieuw onder Birmees bestuur. Je vindt deze tempel in het centrum van de Oude Stad aan Ratchapakhinai Road.

Wat Ku Tao

Wat Ku Tao

Wat Ku Tao – die vandaag vooral door in de regio wonende Shan wordt gebruikt – werd in 1613 speciaal gebouwd om er de resten van de Birmese prins Tharawad Min, de zoon van Bayinnaung, in bij te zetten.  Hij was de eerste Birmese gouverneur van Chiang Mai en overleed er op 1607. Zijn asse werd begraven in een bijzonder vreemd vormgegeven chedi die bestaat uit vijf, in volume afnemende volumes die met enige verbeelding op watermeloenen lijken. Elk volume bevat op de vier windstreken een nis waarin een Boeddha zit die in Birmese stijl werd afgebeeld. Je vindt deze tempel aan de Ku Tao Raod, aan de rand van de stad.

Persoonlijk vind ik de Chaimongkol-tempel aan de Charoenprathet Road een van de fraaiste voorbeelden van de vermenging van Birmese en Mon-elementen in Chiang Mai. Dit kleine tempelcomplex waarin ook een Chinees tempeltje en een vaak bezocht monument voor koning Chulalongkorn te vinden zijn ligt aan de oevers van de Ping en de kleine kade aan de achterzijde is één van mijn favoriete plekken wanneer ik behoefte heb aan wat rust of stilte. De Chedi Khao of Witte Stupa is een bekend landmark in Chiang Mai. Deze simpele, witgekalkte chedi staat langs de Ping op de rotonde van Wichayanon Road tussen het Chiang Mai Municipal Office en het consulaat -generaal van de Verenigde Staten.

Wat Yai Chaimongkol (Thenongphoto / Shutterstock.com)

Waarom deze chedi precies hier werd gebouwd verhaalt een mooie legende. Toen de Birmezen de stad in de zestiende eeuw weer eens belegerden daagde de Birmese legeraanvoerder de verdedigers uit voor een zwemwedstrijd in de Ping. Als de zwemmer van Chiang Mai langer onder water kon blijven dan de Birmese zwemkampioen dan zouden de Birmezen het beleg afbreken en huiswaarts keren. De uitdaging werd aangenomen en ter hoogte van waar de chedi nu staat werden twee forse palen in de rivierbedding geheid waar de mannen, onder massale belangstelling, zouden duiken. De spanning was te snijden want het duurde enorm lang voor één van hen terug boven water kwam. Het was de naar lucht snakkende Birmese kampioen. De opgelucht ademhalende bevolking van Chiang Mai wachtte vol ongeduld tot ook hun kampioen, ene Lung Piang zou opduiken maar dat gebeurde niet. Verontrust gingen duikers het water in en toen ontdekten ze dat Lung Piang zichzelf onder water aan de paal had vastgebonden en doelbewust de verdrinkingsdood had gekozen. Hij had zijn leven gegeven om de stad te kunnen redden. De chedi moest voor eeuwig zijn dapperheid en offer gedenken Si non e vero e ben trovato zouden de Italianen zeggen.

Ik sluit deze zoektocht naar Birmese relicten in Chiang Mai graag af met Khuang Singh of de Plaats met de Leeuwen. Deze witgekalkte schrijnen waarin men kort na de bevrijding van Chiang Mai dreigende hardstenen leeuwen met naar verluidt magische krachten plaatste, werden opgericht door Chao Kavila om te verhinderen dat de Birmezen ooit nog zouden terugkeren naar Chiang Mai. Een vrome wens die enkele decennia later werd ingewilligd toen Birma systematisch in verschillende golven bezet werd door de Britten…


» Laat een reactie achter


Rating: 4.92/5. From 13 votes.
Please wait...

2 reacties op “Op zoek naar Birmese sporen in Chiang Mai”

  1. Simon de Goede zegt op

    Lung Jan,

    Wat schrijf jij toch uitstekende verhalen, vol details en versierd met prachtige foto’s.
    Ik weet niet of ik na al die jaren samen genieten met mijn vrouw, weer ooit alleen in Thailand zal terugkeren,
    maar dit verhaal zal ik zorgvuldig bewaren om te kunnen gebruiken.
    Dank je wel.

  2. Tino Kuis zegt op

    Inderdaad hoort het koninkrijk Lanna nog maar een honderd jaar bij het koninkrijk Siam, vanaf 1949 Thailand geheten. Als we kijken naar de geschiedenis van de 13e tot de 19 eeuw dan moeten we de huidige indeling in de staten Myanmar (Birma), Laos en Siam/Thailand even opzij zetten.

    In die vroegere tijden had het koninkrijk Lanna of Chiang Mai veel meer verbindingen met de in het westen gelegen Shan staten, nu een onderdeel van Myanmar, de noordelijke gebieden Sipsongpanna in wat nu Yunan is in het zuiden van China, en het noorden van Laos, Luang Prabang en omstreken, en soms met Nan en Phrae. Die gebieden waren in economisch, cultureel en religieus opzicht sterk met elkaar verbonden, en Lanna oefende daar in wisselende mate politieke invloed uit. De Siamezen uit de tijd van Ayutthaya en daarna noemden het volk van Chiang Mai dan ook ‘Laotianen’. Vandaar dus deze zin van Lung Jan: ‘Terwijl Wat Bupparam in feite een eclectische mix van Birmese, Lanna en Laotiaanse stijlelementen vormt is Wat Pa Pao bij de noordoostelijke hoek van de Oude Stad een mooi voorbeeld van een geslaagde fusie van Birmese- en Shan- stijlen. ‘Die invloeden waren er al jaren voordat Birma Lanna veroverde ergens rond 1558.

    Nadat de Birmezen eind 18e eeuw uit Noord-Siam waren verdreven bleef er inderdaad een ontvolkt Chiang Mai en omgeving achter. Kawila en opvolgers losten dat op door in de omgevende gebieden op mensenjacht te gaan. Vanuit de Shan (gebieden Birma), Sipsongpanna en Laos werden duizenden mensen overgebracht naar Chiang Mai. ‘We doen groente in de mand en mensen in de stad’ was een gevleugelde uitdrukking in die tijd.

    Eigenlijk is het huidige koninkrijk Thailand een kunstmatige constructie wat zich nog steeds uit in allerlei politieke en maatschappelijke scheidslijnen ondanks de inzet van heersers vanaf koning Chulalongkorn één staat meet een-en dezelfde taal en cultuur te stichten.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website