De week van Tim Poelsma (2, deel 1)

Door Ingezonden Bericht
Geplaatst in De week van, Tim Poelsma
Tags:
26 september 2014

Tim Poelsma stapt weer op de motor met zijn Nokia als (soms onbetrouwbare) gids. In deel 1 van De Week van Tim Poelsma: op weg naar Roi Et.

Zondag 7 september

Ee had de tas al ingepakt. Ze doet dat graag en goed, ik hoef maar een keer te zeggen dat ik de volgende keer beter ook dit of dat mee kan nemen en de volgende keer zit het er in. Omdat ik snipverkouden was, ben ik minder snel dan ik gewoon ben richting Bangkok gereden. Dat beviel me wel. Maar het leek alsof lk minder alert was, daarbij  had ik het gevoel dat het gevaarlijker is als je minder snel rijdt.

Onderweg nam ik bij het tanken een kop koffie. Ik moest onmiddellijk naar de wc. Als het kan, neem ik het invalidentoilet. Mijn invaliditeit betreft het gebruik van de plastic bak met water na afloop. Het verwonderde mij dat ik zo snel naar de wc moest; later kreeg ik ook last van mijn maag. De koffie kwam uit zo’n zakje waar alles al inzit. De koffie was erg zoet, bovendien staan die zakjes strak van de E-nummers. Bij E-nummers denk ik altijd aan de lichtsnelheid. Het had in ieder geval op mijn maag dat effect.

Ramkhamhaeng

In Bangkok werd ik door de navigatie van mijn Nokia-telefoontje naar Ramkhamhaeng gestuurd en van daaruit was het niet moeilijk de stad uit te rijden. Ik werd door een inhalende auto, die niet gezien had dat ik naast hem reed, in de sandwich genomen doordat rechts van mij ook een auto reed. Je kunt dan net zo lang toeteren tot het een aard heeft, de auto blijft jou opzij drukken. Dat heb ik nu al heel vaak meegemaakt. Ik acht dan ook bewezen dat voor Thaise bestuurders het inhalen een sacrale betekenis heeft dat onder geen voorwaarde onderbroken mag worden.

Niet veel verder zette iemand een auto vanuit een parkeerterrein op de middelste strook, vlak voor mijn neus. Hiermee wordt aangegeven dat je in Thailand bent. Ik wilde op deze tocht ook niet zo ver gaan als andere keren; vandaag zou ik niet verder gaan dan Prachinburi.

Ik kwam onderweg langs een merkwaardige opstelling van enorme rotsen die op boomstammen leken maar wel veel groter. Er waren daar ook bomen, maar die stonden er maar armpjes bij tussen die grote keien.

Ik stopte om foto’s te maken. Maar er kwam een bewaker op me af. Iemand zou het in zijn hoofd kunnen halen de stenen mee te nemen. ‘Dit is een huis’, zei de bewaker. Maar je moest heel goed kijken om dat huis te vinden. Hij vond het goed dat ik een paar foto’s maakte.

Ik reed verder en kwam bij een splitsing waar de telefoon linksaf zei en een bord rechtdoor. Ik stond in dubio welke weg ik zou nemen. Er kwamen een paar opgeschoten jongens aan op brommers. Ik vroeg de weg naar Prachinburi. ‘Ah, Prachin‘, zegt een van de jongens. Ik kon beter 100 meter teruggaan en dan linksaf. Ze moesten wel even weten hoeveel cc en hoe hard ie kon.

Ik nam  de weg van de jongelui tot ongenoegen van het telefoontje. Na een paar honderd meter reed ik door een plas die zo diep als een greppel bleek te zijn. Het telefoontje leek te grinniken. Ik hoopte dat ik niet met een lekkende voorvork kwam te zitten.

Prachinburi

Na niet al te lange tijd was ik in Prachinburi. Ik zocht met mijn telefoontje naar het Sophia hotel. Het telefoontje bracht mij naar een modderig erf vol plassen. Ik zag wel bouwsels die je bij goedkope hotelletjes ziet. Er zaten  een paar kinderen onder een boom. Grote  mensen zag ik niet. Ik vroeg waar moeder was. Ze wezen naar een soort hoofdgebouwtje. Ik tikte op deuren en ramen, maar er kwam niemand.

Toen ik weg wilde gaan liep er een jonge vrouw naar de kinderen toe. ‘Dit is geen hotel’, zei ze als antwoord op mijn vraag. Er zou er verderop een zijn. Inderdaad. Het Fluke hotel. Het zag er op het eerste gezicht schoon uit. Maar er vielen toch dingen op. De tv kon maar negen kanalen weergeven omdat van de afstandbediening alleen de cijfertoetsen werkten. Op al die negen kanalen was heel veel sneeuw te zien.

Ik trok de stekker van de tv uit het stopcontact en gebruikte dat om het telefoontje op te laden. Voorts deed de wifi het niet. Ik vroeg ernaar. De twee vrouwen in de receptie zeiden heel beslist dat er wifi was. Ik haalde het notebook, maar daarmee kon  ook in de receptie geen verbinding gemaakt worden. Och, ik betaalde  maar driehonderdvijftig baht, dus niet zeuren.

Ziekenhuis voor kruidengeneeskunde

Ik wilde naar het ziekenhuis voor kruidengeneeskunde. Deze keer stond er een grote Cateuj in de receptie. Ze legde me uit hoe ik moest rijden. Dat deed ze goed, want ik reed er in een keer naar toe. Het was er erg druk. Het bestond uit een redelijk modern ziekenhuisgebouw en een heel mooi groot huis. Dit was niet van onze tijd, daar was het te mooi voor.

Ik keek eerst in het ziekenhuis en ging toen het prachtige gebouw binnen. Het was er koel. Ik denk dat dat door de hoge plafonds kwam. Even later zag ik iets dat uit een droom leek te komen. In een van de vertrekken stonden meisjes achter een hoge toonbank; achter hen honderden laden met kruiden. In het midden van het vertrek stond een opstelling met flessen met aftreksels van planten.

Toen ik in Amsterdam woonde, ging ik wel eens naar Jacob Hooy op de Kloveniersburgwal. Daar rook het precies zo. Daar stonden ook van die laden. Daar kocht ik kruiden als ik niet lekker was.

Of het hielp? Ik weet het niet. Het was vaak ‘s morgens over, maar zeker niet altijd. Bovendien had ik er niet veel verstand van. Maar de romantiek ervan kwam in dit prachtige huis weer tot leven. Toen ik ‘s avonds ging eten, zag ik het Sophia hotel aan het begin van de weg. Ik wilde dat tegen het telefoontje zeggen, maar hij lag in het hotel.

Maandag 8 september

Ik heb geweldig geslapen. Die schone witte lakens deden het. De negen besneeuwde tv kanalen en het ontbreken van wifi waren vergeven. Ik keek naar de voorvork. Er was geen olie uit gelekt. Tevreden zette ik de reis voort. Vandaag wilde ik naar Roi Et. Ik had eigenlijk niet een bepaalde plek in mijn hoofd maar ik koos een reisdoel waarmee ik door het Khao Yai park moest.

Ik was Prachinburi nog niet uit toen het fout ging. Het telefoontje ging vervelend doen. Ik moest steeds rechtsaf waar geen wegen waren. Later werd meegedeeld dat ik na 3 kilometer bij een stoplicht een U-turn moest maken?? Waarom niet meteen. Maar ik kende de stuursheid van Nokia en reed naar het stoplicht. Daar moest ik rechtsaf. Hij stuurde mij letterlijk het bos in.

Na een aantal slingerende weggetjes kwam ik bij een modderig pad van nog geen meter breedte. Om niet tot mij nek in de smurrie te geraken, keerde ik om. Toen ik terugreed kreeg het telefoontje weer goeie zin. Ik kwam bij een rotonde waar ik een verkeerde afslag had genomen. Schuld van Nokia, vond ik. ‘Nietwaar’, ging het door mijn hoofd. Telepathisch.

Ook na de juiste afslag was Nokia’s humeur opperbest. Hij bracht mij naar Nationaal Park Khao Yai. De weg er heen was al mooi. Voor 70 baht mocht ik er in. Wat een prachtig park. Het voelde heel anders aan. Het is er vochtig en hier en daar koel. Zo moet eens heel Thailand zijn geweest.

Wat het meest opviel, waren de vlinders. Ontelbaar en in alle maten en kleuren. Op gegeven moment zag ik een aap. Dit dier was veel mooier dan die vieze beesten in de tempels en in Lopburi. Deze aap had een prachtige vacht en straalde gezondheid uit. Later zag ik langs de weg een hert staan, en hier zouden ook tijgers rondlopen? Op een plek bovenop een heuvel kon ik eten. Het eten lag op schalen waar je het een en ander op kon aanwijzen. Het was overheerlijk en het kostte maar 50 baht.

Pak Chong, Korat, Khon Kaen

Nadien werd het heuvelachtiger en het omhoog en omlaag werden steiler. Het begon op de Mae-Hong-Song-Loop te lijken. Ik zag hier een grote groep apen, allemaal keurig in de vacht en geen rollators, niks.

Toen ik het park uitreed, had ik een voldaan gevoel. Ik had er echt van genoten. Ik ging daarna richting Pak Chong en Korat. Vòòr die laatste plaats nam ik de afslag naar Khon Kaen en daar had ook Nokia vrede mee.

Bij de eerste borden pakte ik wederom het telefoontje. Behalve wat ik weten wilde, zag ik nu pas dat de batterij bijna leeg was. Ik schoof de route op het scherm zo, dat ik het hele traject kon zien en leerde de wegnummers waar ik nog heen moest, uit mijn hoofd. Op weg 212 ging het mis. Het telefoontje zweeg in alle talen. Ik moest in mijn tas zijn om een kaart te pakken.

Ik reed daarvoor naar een benzinepomp. Er moesten drie snelbinders losgemaakt worden. Al doende zag ik dat mijn handen behoorlijk vies werden. Ik heb bij het vastmaken een of meer snelbinders langs de ketting gehaald en het zwarte vet zat nu overal. Ook mijn kaki broek zat vol. Ik haalde de kaart uit de tas, maakte de boel weer vast en ging naar de wc. Geen zeep. Op. Ik waste mijn handen met alleen water.

Bij de volgende pomp stopte ik opnieuw. Er hing alleen een console aan de muur zonder zeepdispenser. Ik reed met mijn nog vieze handen verder. Toen er een bord kwam, vroeg ik me af of ik deze afslag misschien beter kon nemen. Ik wilde de kaart pakken, die ik onder de kleding had gestopt. Weg. De polo was uit mijn broek gewaaid en de kaart was weg. Ik pakte weer alles uit om een andere kaart te pakken. Ook weg; in het hotel laten liggen? Geen idee, maar hij zat niet in de tas. Inmiddels zat er wel een hoop vieze kleding in. Ik had nu alleen nog de uit het hoofd geleerde wegnummers. Meer niet.

Niet lang na het verlies van de kaart hoorde ik bij het optrekken een macaber geluid onderin de motor. Het klonk alsof de tandwielen los in de versnellingsbak lagen. ‘Een ongeluk komt nooit alleen’, zei mijn moeder altijd. Het acute ontstaan van een waterzuchtig ouderdomshart kon nu niet uitblijven. Ik merkte wel dat alleen bij het optrekken dat geluid te horen was. Ik trok daarna langzamer op en daardoor bleef het weg. Het kon meevallen, dan zou het met die waterzucht ook zo’n vaart niet lopen.

Ik reed verder en mijn aandacht was gespinsd op een afslag naar weg 124, het laatste uit mijn hoofd geleerde wegnummer. Die afslag had ik niet hoeven onthouden, want aan het begin van een stadje stond een bord met Roi Et erop. Ik reed het stadje binnen. In het stadje was een grote kruising van wegen. Geen bord. Ik moest het vragen. Daarna kwam er een soort T-splitsing. Geen bord. Ik vroeg het weer. De weg werd breder en leidde mij het stadje uit. Ik vroeg het aan meerdere bromfietsen. Ze wezen allemaal rechtdoor. ‘Trong pai, trong pai.’

Roi Et

Bijna dertig kilometer reed ik zonder dat er een bord kwam van waar of waarheen. Daarna reed ik weer een stadje binnen en hier zag ik voor het eerst een bord met wegnummer 124 en borden naar Roi Et. Die waren er ook daarna in overvloed. In Roi Et reed ik achter iedereen aan en vermoedde op gegeven moment dat ik in het centrum was. Ik had geen hotels in mijn hoofd. Dus waarheen?

Bij een rotonde bleef ik staan. Geen idee waarom. Een brommermonteur wenkte mij. Ik stapte af en hij wees naar de overkant. Het leek op een hotel. Ik vroeg het. Ja, zei de monteur. Op het parkeerterrein liep een Thaise man die ik hield voor een van de gasten. Hij vroeg in heel goed Engels wat hij voor mij kon doen. De baas van het hotel? ‘Jazeker!’ Ik vroeg of er nog een kamer vrij was. Ja. Ik moest 400 baht betalen en 200 baht borg. Het hotel leek nieuw. De kamer was ook heel netjes. Ik kon eigenlijk niks vinden waar ik over zou kunnen kankeren. Dat was wel jammer.

De motor stond nog bij hem, daarom vroeg ik aan de monteur of hij de ketting wilde aanspannen. Na een half uur ging ik terug. Twintig baht. Ik trok vol gas op tegen de helling naar het parkeerterrein. Geen geluiden. Het had dus aan de ketting gelegen. Ik verfriste mij en ging op het bed liggen. Ik was even weg.

Ik liep naar de receptie om te vragen of ik in de buurt iets kon eten. De hoteleigenaar stond daar met een stethoscoop om zijn nek. Ik vroeg of hij arts was. Dat was hij. Er volgde een kort collegiaal onderonsje. Hij sprak Engels zonder accent. Het was of hij alle zinnetjes ergens had, maar ze even moest gaan halen. Ik moest daarom steeds even op antwoord wachten voordat ze uit zijn limbische schors kwamen.

Ik zei dat hij heel goed Engels sprak. Maar hij zou de limbische schors erbuiten moeten laten. Dan zou het nog beter gaan. Hij lachte uitbundig en zei dat hij die niet had. ‘Mai mie, mai mie.’ Het was inmiddels een uur of acht en de meeste restaurantjes waren al dicht en die aan het sluiten waren, bedienden geen gasten meer. Ik kocht daarom iets kant-en-klaars bij de Seven en ging vroeg slapen.

Tim Poelsma

Tim Poelsma (71) studeerde geneeskunde. In het tweede jaar vertoonde hij zich niet meer op het universiteitsterrein. Hij werkte hier en daar en trok de wijde wereld in. Terug in Nederland pikte hij de studie weer op en maakte die af. Tim werkte jarenlang als zelfstandig homeopathisch arts. Daarna kwam hij in de verslavingszorg terecht. Hij heeft een dochter; vriendin Ee heeft met haar overbevolkte netwerk hem de naam ‘dokter tim’ opgespeld. Onder die naam reageert hij op postings op Thailandblog.

In de volgende ‘Week van Tim Poelsma’ rijden we verder met Tim mee. De eerste Week van Tim stond op 24 juli op Thailandblog.


Ingezonden mededeling

Waarvoor gaan de meeste alleenstaande mannen zo graag naar Thailand? Wat is de meest gevaarlijke en ongeneeslijke ziekte die je kunt oplopen in Thailand? Dat wordt gevraagd in De Eerste Echte Controversiële Thailand Quiz!, te vinden in ‘Exotisch, bizar en raadselachtig Thailand’. Meer lezen? Bestel nu het nieuwe boek van Thailandblog Charity, dan vergeet je het straks niet. Klik hier voor de bestelwijze. (Archieffoto)



» Laat een reactie achter


4 reacties op “De week van Tim Poelsma (2, deel 1)”

  1. Guzzie Isaan zegt op

    Leuk verhaal, mijn aandacht werd getrokken door de naam van het stadje in de aankondiging, ‘Roi Et’. Het is het stadje waar ik al jaren heen ga vanwege mijn vriendin die daar woont en ook omdat het er heerlijk relaxed is. Ik verblijf dan in het Petcharat Garden hotel, een groot hotel met zwembad maar het hotel is een beetje sleets en toe aan een opfrisbeurt. Misschien weet Tim nog de naam van het hotel waar hij geweest is en dat verneem ik dan graag. Een nieuw hotel om te slapen lijkt me wel fijn en om te zwemmen ga ik gewoon naar het Petcharat, want voor het luttele bedrag van 50 baht mag je ook als niet hotelgast lekker de hele dag van het zwembad gebruik maken….,

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: 0 (obv 0 stemmen)
  2. Tim Poelsma zegt op

    Beste Guzzie, ik meen me te herinneren dat het hotel ‘City Home Hotel’, heette. Je kunt er niet naar vragen want het is te nieuw. Maar als je weet waar het standbeeld van koning Chulalonkorn staat dat ben je er vlak bij. Het beeldje staat temidden van de enige rotonde in Isaan. Dus dat moet te vinden zijn. Vandaar iets omhoog lopen. Dan zie je het hotel .Er is overigens geen zwembad bij. Met vriendelijke groeten Tim

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: 0 (obv 0 stemmen)
  3. Guzzie Isaan zegt op

    Dank je wel Tim.
    Roi Et is niet zo groot dus ik zal het wel vinden, en om te gaan zwemmen, handdoekje onder de arm en op de motorbike naar Petcharat Hotel 🙂

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: 0 (obv 0 stemmen)
  4. Matthieu Hua Hin zegt op

    Tim, wat heb je een heerlijk weglezende en humoristische schrijfstijl.
    “Ik kon eigenlijk niks vinden waar ik over zou kunnen kankeren. Dat was wel jammer.” Schitterend!!

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: 0 (obv 0 stemmen)

Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website