Wat Chaiwattanaram in Ayutthaya

Het was de dramatische climax van de Tweede Birmees-Siamese Oorlog (1765-1767). Op 7 april 1767, na een uitputtend beleg van bijna 15 maanden, werd Ayutthaya de hoofdstad van het koninkrijk Siam zoals dat toen zo mooi werd geformuleerd, door Birmese troepen ‘te vuur en te zwaard’ ingenomen en verwoest.

In een orgie van niets en niemand ontziend geweld werd de stad, die ooit tot de mooiste en weelderigste van Azië behoorde, met de grond gelijk gemaakt. Tienduizenden half verhongerde inwoners werden verkracht, over de kling gejaagd of als slaven naar Birma gevoerd. Alleen de rokende puinen herinnerden nog aan een meer dan drie eeuwen oud dynastiek en religieus machtscentrum dat de verbeelding van zo veel buitenlandse bezoekers had geprikkeld…

Het anti- Birmaanse ressentiment zit intussen – meer dan 250 jaar na dato – nog steeds goed ingebakken in het Thaise collectieve geheugen. Mondelinge overleveringen, historiserende literatuur, schoolboeken, muziek en film cultiveren niet alleen het grootse, machtige verleden van Ayutthaya maar ook het stereotiepe beeld van de naar hartenlust plunderende en moordende barbaarse Birmanen. Ze voedden een sentiment van nationale trots en dat onbestemde gevoel van Thainess waar de huidige bewindslui graag mee plegen te koketteren. Dat de glorierijke Siamezen bij tijdgenoten zélf ook niet bepaald als lieverdjes bekend stonden is een detail van de geschiedenis waar men liever niet bij stilstaat…

In 1958 vond de Nederlandse vorser J.J. Boeles in het Indonesische Nationale Archief in Djakarta een twee pagina’s tellend handschrift dat een ooggetuigenrelaas bevatte van de val van de Siamese hoofdstad. Het werd in 1968 naar aanleiding van 200 jaar Val van Ayutthaya door hem gepubliceerd in de 56e jaargang van het prestigieuze Journal of the Siam Society.

Het was een proces verbaal dat ene P. van der Voort, de Nederlandse havenmeester van Batavia op 26 april 1678 had opgetekend uit de mond van de Armeense zakenman Anthony Goyaton, het ‘gewezen Hoofd der vreemde Europezen in Ayutthaya’ en van de imam of molla Seyed Ali, een woordvoerder van de behoorlijk grote islamitische gemeenschap in de Siamese hoofdstad. Het is geen grote literatuur maar een beknopt en bondig relaas van wat er in de stad was voorgevallen. Het is evenwel in alle opzichten een uniek document omdat het bij mijn weten het enige objectieve contemporaine geschreven verslag is over de val van Ayutthaya. Er bestaat behoorlijk wat Birmaans bronnenmateriaal maar dit is over het algemeen omwille van zuiver propagandistische en zeker geen historiserende motieven geredigeerd. De Siamese bronnen zijn dan weer veelal gebaseerd op mondelinge overleveringen of werden veel later geschreven. Precies omdat de getuigen buitenlanders waren was het bovendien wars van de vooringenomenheid die kenmerkend was voor latere Siamese verslagen.

Uthumpon’s graf – Foto: Wikimedia

De reden waarom van der Voort zich de moeite getrooste om een en ander op papier te zetten ligt wellicht in het gegeven dat twee betrouwbare en onafhankelijke getuigen bevestigden wat men in Batavia al lang vreesde namelijk dat de VOC-factorij in de Siamese hoofdstad met de grond was gelijk gemaakt. Uit de schaarse stukken die bewaard zijn gebleven over deze factorij in de periode net voor de val van Ayutthaya kon ik opmaken dat de VOC ergens december 1765, toen duidelijk werd dat de stad zou omsingeld en belegerd worden, haar personeel heeft geëvacueerd.

Na een korte inleiding waarin werd stilgestaan bij het beleg ging het proces verbaal als volgt verder: ‘…Dat dit geduurt heeft tot in de maand Maart 1767, wanneer zij, terwijl de Stad door het hooge water omringd was, deselve op zeekeren nagt met vaartuijgen genaderd zijnde met Ladders beklommen en door het werpen van aarden potten met buskruijd gevuld, de belegerde van de muuren verjaagd mitsgaders zig vervolgens meester van de Stad gemaakt  en z’ geheel in de asse gelegt hebben: in dese hunner onderneeming merkelijk geholpen zijnde door hunne Landslieden, die zig ten getalle van omtrend vijf hondert in de Stad bevonden, uijt de succesieve bevoorens door de Siammers gemaakte gevangenen, met welke zij hadden weeten te correspondeeren. Dat zij van de inwoonderen, die den brand ontkomen zijn, nog de meeste om het Leeven  gebracht hebbende, de overige, in verscheijde partijen, na het getal haaren Hoofden verdeelt en weggevoerd hebben, na dat zij ook ’s Comp. Logie alvoorens aan de vlammen hadden opgeofferd.

Dat de jonge koning die zig nevens zijne Familie, zoo mede den Berquelang (weesende den ouden koning dien selven nagt, zo de relatanten zeggen, door de Siammers zelve omgebracht) onder de weggevoerde bevonden hebben, onder weege overleden waaren, den eerste door ziekte, en den laatste sig selv vergeven hebbende. Dat de relatanten, nevens hunne lotgenooten, ten getalle van omtrend duijzend koppen, bestaande in portugeesen, Armeniers, Peguanen, Siammers en Maleijers, zo mans, vrouwen als kinderen, onder een kleen eskorte van maar vijftien Bramans de weg na Pegu opgevoerd zijnde, half wegen gelegenheijd hadden weeten te vinden hunne geleijders te vermeesteren en zig door de vlugt in veijligheijd te stellen, zijnde na een maand succelens door  bossen en ongebaande wegen eerst weder aan de Siamese Rivier aangekomen.

Dat de relatanten aldaar nog drie maanden verbleeven zijnde, vervolgens nevens eenige andere haarer Lotgenooten met een kleen China vaartuijg nae Cambodja en voorts na Palembang gestevend zijnde eijndelijk op den 23 deezer met het vaartuijg van den Juraagan  Ink. alhier zijn gearriveerd. Voorts zeggen de Relatanten dat de Bramans dus het land ontruijmd hebbende zig eenige Siammers omtrend Bangkok, zijnde de plaats waar de Fransche Logie gestaan heeft, weder hadden nedergezet die zij met de vaart na Cambodja geneerden, Terwijl een aantal van circa twee duijzend Chineesen zig onder haarer hoofden aan de mond der rivier onthielden, hun erneerende met de agricultuure en visscherije.

Aldus geralteerd den 26 april 1768

P. van der Voort. ’

Dit relaas leert ons – en dit was een nieuw element – dat de troepen die de stad aanvielen, van binnenuit werden bijgestaan door Birmanen die eerder waren gevangengenomen door de Siamezen. Toch zijn er een paar opvallende hiaten of fouten in het relaas. Het klopt dat de Birmaanse troepen bij hun aanval gebruik maakten van primitieve handgranaten, de met buskruit gevulde terra cotta-potten, maar vreemd genoeg zwegen de twee ooggetuigen over het feit dat de Birmanen enkele tunnels tot onder de stadsmuren hadden gegraven en de met zwart kruit gevulde mijnkamers hadden doen exploderen, waardoor er bressen waren geslagen in de Siamese verdedigingswerken. Het is mogelijk dat zij dit niet de visu hebben gezien, maar zij moeten – als ze in de stad waren – deze ontploffingen gehoord hebben.

Generaal Taksin

De reden waarom het relaas over ‘den ouden koning dien selven nagt, door de Siammers zelve omgebracht’ tussen haakjes werd genoteerd heef mogelijk te maken met het feit dat de ooggetuigen dit relaas van horen zeggen hebben. Het klopte in ieder geval niet. Historici gaan er van uit dat Ekathat naar alle waarschijnlijkheid met een bootje de brandende stad wist te ontvluchten maar dat hij tien dagen later aan uitputting en honger zou zijn bezweken in de bossen van Ban Chik bij Wat Sangkhawat. Zijn broer Uthumpon, die indertijd troonsafstand had gedaan ten gunste van Ekathat en monnik was geworden, was effectief met zowat alle leden van de koninklijke familie in boeien naar Birma gevoerd waar hij eerst werd vastgehouden in Ava. Nadien mocht hij zich samen met zijn lotgenoten vestigen in een dorp bij Mandalay dat op bevel van de Birmese vorst Hsinbyusin was voor het Yodaya-volk, de bannelingen van Ayutthaya. Uthumpon zou hier in 1796 zijn gestorven.

Een ander ongekend historisch element was dat een aantal van de gevangenen en gijzelaars die de Birmezen hadden gemaakt, op hun tocht naar Birma wisten te ontsnappen. Dat ze daarbij schijnbaar zonder problemen – buiten wat ‘sukkelen’- opnieuw tot bij de Chao Phraya raakten bewijst het historisch vaststaande gegeven dat de Birmanen een bezettingsmacht van amper 2.000 man hadden achtergelaten in Siam. Ze hadden het gros van hun troepen namelijk in eigen land nodig om een Chinese invasie af te stoppen.

Bijzonder interessant is het vermelden van de Siamezen die zich in Bangkok, op de plaats waar de Franse Logie stond, zijnde Thonburi hadden gevestigd en van de circa tweeduizend Chinezen die zich aan de monding van Chao Phraya ophielden. Ongetwijfeld betrof het de troepen van generaal (en latere koning) Taksin – die zelf half Chinees en perfect tweetalig was – die hier zijn kampement had opgeslagen en vanuit deze basis was begonnen met het verdrijven van de Birmese troepen uit Siam. Dit betekende concreet dat bijna de helft van Taksin’s troepenmacht, toen hij in oktober 1767, zes maanden na de val van Ayutthaya, met zijn 5.000 man tellende legertje Thonburi innam en een begin maakte aan het herstellen van de Siamese soevereiniteit, uit Chinese huurlingen bestond. Een historisch feit dat tot op de dag vandaag in de sterk etnocentrisch gekleurde officiële Thaise geschiedenis niet écht aan bod is gekomen…


» Laat een reactie achter


No votes yet.
Please wait...

5 reacties op “Een Hollands ooggetuigenverslag van de verwoesting van Ayutthaya”

  1. Rob V. zegt op

    Beste Jan, kun je enkele belangrijke bronnen noemen zoals van die 2000 huurlingen?

    Ik heb een een paar dozijn boeken over Thailand (heb ze nog niet allemaal kunnen gelezen) maar hou me warm aanbevolen voor tips.

    • Rob V. zegt op

      Voor geïnteresseerden, oude artikelen van de Siam Society zijn online terug te vinden (PDF) op hun website. Het artikel van Boelle kun je bijvoorbeeld hier vinden:
      http://www.siam-society.org/pub_JSS/jss_index_1961-1970.html

  2. Tino Kuis zegt op

    Weer mijn dank voor dit mooie verhaal, Lung Jan!

    Ik moest wel even zoeken naar wat ‘relatanten’ betekende: het zijn ‘de opstellers (vertellers?) van het verhaal’,

    En het volgende citaat wijst er maar weer eens op hoe divers de samenstelling van de bevolking van Ayutthaya was:

    Dat de relatanten, nevens hunne lotgenooten, ten getalle van omtrend duijzend koppen, bestaande in portugeesen, Armeniers, Peguanen, Siammers en Maleijers, zo mans, vrouwen als kinderen, onder een kleen eskorte van maar vijftien Bramans de weg na Pegu opgevoerd zijnde, half wegen gelegenheijd hadden weeten te vinden hunne geleijders te vermeesteren en zig door de vlugt in veijligheijd te stellen, zijnde na een maand succelens door bossen en ongebaande wegen eerst weder aan de Siamese Rivier aangekomen.

  3. Bram zegt op

    Boeiend verhaal.
    Juist kort geleden zelf Ayutthaya voor het eerst bezocht en ook de nieuwe expositie ruimte op de plaatse waar vroeger de Hollanders gevestigd waren. Daar is veel over de VOC in relatie tot Siam en speciaal Ayutthaya te lezen

  4. Sjaak S zegt op

    Interessant verhaal… zo jammer weer dat er een mooie stad aan moest geloven en wat een lijdensweg die mensen hebben afgelegd.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website