Je maakt van alles mee in Thailand (136)

Door Redactie
Geplaatst in Leven in Thailand
Tags: ,
28 november 2020

Als u al eens een crematieplechtigheid in Thailand heeft bijgewoond zal het u zijn opgevallen, dat het vaak een saaie bedoening is, zeker als het om een buitenlander gaat. Natuurlijk, de eerbied is er wel net als de aandacht van familie, vrienden en kennissen, maar de uitvoering blijft een formaliteit. Hoe anders is het als bijvoorbeeld op het platteland van Thailand een Thai komt te overlijden. Onze blogschrijver Dick Koger schreef vele jaren geleden eens een uitvoerig verhaal over hoe een crematieplechtigheid in Pichit werd georganiseerd en beleefd.

Crematie in Pichit

Woensdagmorgen acht uur belt Sit, mijn goede vriend, me vanuit Pichit op. Hij vertelt, dat de dag tevoren zijn moeder is overleden en dat aanstaande zaterdag de crematie zal plaatsvinden. Zijn moeder was al jaren ziekelijk en vorige maand lag ze enige dagen in het ziekenhuis. Daarna was ze weer weken thuis. Hij vindt dat ik eigenlijk bij de crematie aanwezig moet zijn. Dit doet me goed en ik beloof hem dat ik vrijdag naar Pichit vertrek. In de loop van de avond kom ik dan wel naar het huis van zijn vader. Natuurlijk wens ik hem sterkte.

Donderdag maak ik een afspraak met een Thaise vriend, die in het bezit van een auto is. Hij wil me graag rijden. Vrijdag word ik zoals gebruikelijk om een uur of zes wakker. Acht uur haalt Poey me op. Om één uur eten we ten Noorden van Nakhon Sawan. Drie uur komen we in het huis van Sit zijn vader. Het is een drukte van belang. Buiten een grote tent met tafeltjes en stoeltjes. Veel familie en buurtbewoners. Binnen zie ik Sit zijn vader en omdat ik het woord “condoleren” niet in het Thais weet, mompel ik bemoedigend dat hij niet alleen is. Hij heeft negen kinderen en veel kleinkinderen. Hij begrijpt wat ik zeggen wil.

In de huiskamer staat een grote kist, die later een liggende ijskast blijkt te zijn. Deze kist is met een prachtig gordijn gedecoreerd en voorzien van gigantische bloemstukken. Links een oude zwart/wit foto van de overledene. Ze was vroeger een mooie vrouw. Veel mooier dan haar zeven dochters en oudste zoon. Alleen Sit, de jongste, is mooi. Aan het voeteneinde of aan het hoofdeinde, dat kan ik niet zien, staat een televisietoestel met zijn rug naar de kist. Enkele mensen zitten naar de Olympisch Spelen te kijken. Het leven gaat door. Dat zal nog vaak blijken. Buiten zie ik Nim, de vrouw van Sit, met Nath, zijn dochter. Ze verwelkomen mij en Nim vertelt me dat Sit dadelijk terugkomt en dat Nan, de oudste dochter, nog van school gehaald moet worden. Ik krijg een stoel en Nath roept enthousiast Dickcha. Cha is het Thaise verkleinwoord, zoals ons -je of -tje. Nath komt op mijn schoot en doet of dat heel gewoon is. Sit komt thuis. Zijn hoofd is kaalgeschoren en hij vertelt dat morgen zijn wenkbrauwen er ook afgaan, omdat hij één dag monnik zal zijn. Dit is gewoon hier en gebeurt uit respect voor zijn moeder.

Om vier uur gaan Poey en ik naar het Pichit Plaza Hotel. Sit brengt ons weg en hij onderhandelt over de kamerprijs. Vervolgens gaat hij door naar Kampaeng Pet om Nan op te halen. Ik neem een heerlijk bad en lees een uurtje op bed. Dan ga ik alleen terug naar het vaderlijk huis. Het is tenslotte geen familie van Poey en hij kan beter hier televisiekijken. Ik neem een taxi en vertel de chauffeuse dat ik niet weet hoe het heet, maar dat ik precies weet waar ik naar toe wil. Vanaf de grote weg hoor ik al vreselijke muziek. Boeddhistische kerkmuziek, keihard afgespeeld op minderwaardige geluidsapparatuur. Erger kan niet, maar je komt er wel in een mineurstemming door. Dat is goed naar Westerse begrippen. Snel word ik van een maaltijd voorzien, want er is voldoende voor honderden personen en voor meerdere dagen.

Later ga ik vooraan bij het huis op een gemakkelijke stoel zitten. Naast mij op een bank komt een jongetje zover mogelijk van me af zitten. Hij zal ongeveer drie jaar zijn en kijkt zo nu en dan naar mij. Als ik hem toelach, komt hij steeds iets dichterbij tot hij vlak naast me zit. Ik vraag hoe hij heet en hij vertelt me dat. Zo nu en dan kijkt hij naar zijn moeder met een gezicht van, kijk eens wat ik durf. Hij zal het later wel redden. Nieuwsgierig en niet bang.

Zes uur arriveert de eerste monnik. Zeven uur komen de volgende vier en dan begint het bidden. Ik begin de klanken te herkennen, want kennelijk is het een zichzelf eindeloos herhalende tekst, die bij allerlei gelegenheden precies hetzelfde is. Een oude vrouw begint een gesprek met me, maar dat is geen succes. Acht uur komen vier andere monniken die de dienst overnemen. De vorige vier komen buiten zitten en ik bied mijn plaats aan. Ikzelf ga wat naar achteren.

Ondertussen is het buiten een gezellige bedoening. Er wordt gepraat, gelachen en gelopen. Ook Sit’s vader komt zo nu en dan naar buiten om het één en ander te regelen. Het is geen gewijde sfeer. Eén van de monniken, die buiten is komen zitten, heeft een draagbare telefoon bij zich. Ik wacht tot hij gebeld wordt, maar ik heb niets gehoord, wanneer ik hem ineens druk zie praten. Hij belt dus kennelijk zelf. Modern monnikenbestaan. Na het bidden neemt een oudere heer het woord, kennelijk een soort ceremoniemeester. Hij krijgt de lachers op zijn hand, maar ik versta alleen het woord Icecream, op zijn Thais uitgesproken. Inderdaad wordt er ijs rondgebracht. Daarnaast cola en een mierzoete drank, die ik niet kan thuisbrengen.

Om halfnegen is het afgelopen en worden de stoelen in het midden opgeruimd. Het valt mij op dat er niet alleen oudere mensen uit de buurt aanwezig zijn. Kennelijk is dit een sociaal gebeuren, waarbij geen leeftijdsgrenzen te bespeuren zijn. Midden op het terrein rolt iemand een doek uit, die ogenschijnlijk veel weg heeft van een roulettetafel. Er is echter geen balletje dat ronddraait, maar drie dobbelstenen die gegooid worden. Al snel wordt er krachtig gegokt. Daarnaast wordt er, ook om geld, kaart gespeeld. Het spel heet Pokdeng en ik heb het ook veel gespeeld. Als je voorzichtig bent, win je bijna altijd. Vroeger mocht dit hier niet van Sit zijn vader, maar vandaag is het gewoon, zoals ik later van Sit hoor. Er moet gespeeld en gedronken worden om de nabestaande van de overledene te laten merken dat het geen treurige dag is en dat het leven doorgaat. Er zijn enkele vrienden van Sit uit Pattaya aanwezig, die Mekong, de Thaise whisky, laten halen. Het wordt gezellig.

Pas om tien uur komt Sit terug met Nan en met Nim en Nath. Snel heb ik twee kinderen op schoot. Sit komt aan de tafel met zijn vrienden zitten en vertelt mij dat hij morgen niet voor mij kan zorgen, omdat hij de hele dag als monnik bezig zal zijn. Ik zeg hem zich geen zorgen te maken. In de huiskamer, waar de kist staat, slapen zo’n twintig mensen op de grond, allemaal familieleden. De zussen en broer van Sit zijn de enigen die soms hun emoties tonen. Voor de rest heb je er nauwelijks erg in dat er morgen een crematie zal zijn.

Elf uur brengt Sit me terug naar mijn hotel. Poey kijkt nog steeds televisie, omdat hij bang was in slaap te vallen en mijn kloppen niet te horen.

Zaterdag kom ik volgens afspraak om acht uur bij het huis aan. Poey brengt me nu. Er zijn al monniken aan het bidden. Nim zorgt voor koffie en eten. Later zie ik dat Sit binnen zit, helemaal in het oranje. Met hem zijn zes kleinzonen van de overledene eveneens voor deze dag monnik. Buiten zit een keurig geklede band met veel Westerse muziekinstrumenten. Na het bidden begint de band te spelen en dit klinkt eigenlijk heel vrolijk. Een beetje oude jazzmuziek. Laten we zeggen Hans Dulfer in de zestiger, zeventiger jaren. Die vergelijking gaat helemaal op, wanneer later blijkt dat ze ook lopend kunnen spelen.

Negen uur worden alle bloemstukken, tafeltjes met Boeddha’s en de jeugdfoto vast naar de tempel gebracht. Ook de opklapstoeltjes gaan daarheen. Sit vertelt dat er nu voor enen niets gebeurt. Dus ga ik met Nan en Poey even naar het hotel. Maar eerst wil Nan naar een boekwinkel en een ijscozaak. Tradities moeten in stand gehouden worden. Voor de zekerheid gaan we om halftwaalf al terug naar het huis en daar arriveren we maar net op tijd. We gaan met zijn allen naar de tempel. Sit duwt me snel in de derde auto, van een vriend uit Pattaya. Vooraan gaat een pick-uptruck met het orkest van Hans Dulfer. Zij spelen er lustig op los. Daarna een auto met in de laadbak de familiemonniken, waaronder Sit. Vervolgens mijn wagen, met achter mij, voorin, twee echte monniken en in de laadbak nog een aantal echte monniken. De auto achter ons draagt de kist. Enkele mannen zitten ernaast om te zorgen dat de kist niet kan vallen. Vervolgens een auto met de vader, de broer en enkele zussen van Sit. En tenslotte een hele stoet andere auto’s, afgeladen met familie en kennissen.

De tempel ligt een paar kilometer verderop. Stapvoets rijden we erheen. Als ik geen kinderen om me heen heb, voel ik ontroering. Ik houd niet van dit soort dingen. Bij de tempel wordt eerst de kist binnengedragen in een grote rechthoekige ruimte. De kist wordt aan een uiteinde opgesteld en voorzien van alle bloemstukken en tafeltjes met Boeddha’s, waarmee hij thuis ook omringd was. Tenslotte wordt de jeugdfoto geplaatst. Een paar honderd mensen zitten in het midden van de ruimte, niet met hun gezicht naar de kist, maar met hun gezicht naar een lange wand, waar een verhoging is, waarop monniken kunnen plaatsnemen. Aan de andere kant is ook een verhoging, maar hier kan cola ingeschonken worden of koffie. Ook ik vind daar een zitplaats. De band speelt vrolijk door.

Wanneer de muziek stopt beginnen zes monniken een gebed. Het blijft gelukkig rumoerig. De mensen blijven binnenkomen of juist weggaan. De kinderen spelen vrolijk. Zo nu en dan komen Nath of Nan bij me, maar meestal zijn ze druk bezig. De zes actieve monniken zitten ten opzichte van mij links en de zeven familiemonniken helemaal rechts. Daartussen is nog een grote ruimte. Mijn jonge vriend van gisterenavond komt spontaan naast mij zitten en legt even later het hoofd in mijn schoot om in slaap te vallen. Het ijs is nu definitief gebroken.

Als het gebed afgelopen is, gebeurt er lange tijd niets. Ik heb het gevoel dat er op iets of iemand gewacht wordt. Dat blijkt waar te zijn, want buiten arriveert een oude, maar dure Mercedes. Een monnik stapt uit en ik zie de vader de tempel verlaten om hem tegemoet te treden. Helaas gaat de monnik voortvarend door een andere deur naar binnen. Vader snel terug, maar hij krijgt de monnik niet te pakken, want die loopt snel naar de zijde, waar de andere monniken zitten. Deze monnik neemt daar echter niet plaats. Vlak voor de monniken staat een grote goudkleurige tafel, daarop een iets kleinere tafel en daarbovenop een gouden troon, die in de Ridderzaal niet zou misstaan. Op die troon gaat de zojuist gearriveerde monnik zitten. Hij moet wel erg hoog zijn om zo hoog te mogen zitten. De monnik, die slechts afwijkt van de andere monnik door zijn auto en zijn zitplaats, maar die verder er precies zo uitziet als zijn collega’s, begint een toespraak. En die toespraak zal anderhalf uur duren. Behalve de woorden vader en moeder, versta ik weinig. Dan hoor ik een paar maal het Thaise woord voor alcohol, vermoedelijk niet in een stimulerende context, maar ik voel de hitte in het gebouw en heb trek in een koud glas bier. Dat kan nu niet, maar het zitten houd ik ook niet meer vol. Dus loop ik wat heen en weer. Soms krijg ik een cola aangeboden. Als ik Nim zie, wijst ze naar haar moeder die ook gearriveerd is. We groeten elkaar hartelijk. De kinderen hebben het best naar hun zin. Nim geeft mij een stoel, ik denk de enige in het hele gebouw en Nan komt me vertellen dat ik mijn handen in een Thaise groet moet houden. Veel mensen doen dit, maar ik vind het wat overdone, zo’n anderhalf uur. De monnik heeft trouwens ook regelmatig de lachers op zijn hand. En zoals een goede entertainer merk ik dat hij daar steeds weer echt naartoe werkt.

Om drie uur, terwijl de toespraak voortduurt, staat een oude man op en slaat een paal maal op een gong. De spreker gaat gewoon door, maar de gong was kennelijk bedoeld voor een andere groep monniken. Die komen nu het gebouw binnen. Ik tel er meer dan dertig. Ze nemen plaats achter de conferencier, tussen de twee aanwezige groepjes monniken en na enige minuten is hij aan het slot van zijn betoog gekomen. Dan beginnen weer gebeden, maar vader en zussen zijn druk in de weer met geschenkpakketten voor alle monniken. Ook krijgen sommige mensen uit het publiek een oranje pak, maar dat heeft slechts de bedoeling om die personen het voorrecht te gunnen het pakket aan een monnik door te geven. Sommige monniken trekken hun nieuwe pak aan over het oude en halen vervolgens de oude onder de nieuwe vandaan. Sit’s vader deelt ook voortdurend geld uit. Eigenlijk is het een grote bende. Het gebed gaat gewoon door.

Als dat stopt wordt het een drukte van belang, want iedereen staat op om naar buiten te gaan, naar het eigenlijke crematorium. Daar staan ook nog eens honderden mensen. Door groepjes te tellen en die met het aantal groepjes te vermenigvuldigen, kom ik op een schatting van 600 tot 700 mensen. De verbrandingsoven staat in een torentje. Van voren een grote trap. Opzij aan weerszijden een kleine. Boven kunnen zo’n vijftig mensen staan. Beneden binnen het hek zo’n honderd. De rest van de mensen staat om het hek van het crematorium heen. Aan het eind van de stoet mensen uit de gebedsruimte komen zes mensen met een wagen, waarop de kist. Ze maken tweemaal een rondje om de toren. De band speelt. Eigenlijk heerst er een lugubere sfeer. Dat komt ook door duistere wolken die zich samentrekken. De kist wordt naar boven gedragen en voor de oven neergezet. Weer worden alle bloemstukken geplaatst. En de tafeltjes en de foto. Daarna begint de naaste familie weer geschenken naar boven te brengen. Sit staat met zijn medemonniken boven bij de kist. Nan zit bij mij, Nath zie ik niet, waarschijnlijk bij haar andere grootmoeder. Er vallen druppels en snel valt er een stortbui. Iedereen buiten het hek probeert een plaatsje te vinden onder een tentdoek, waar ik één van de klapstoeltjes, die vanuit het huis hierheen gebracht zijn, kan bemachtigen. Binnen het hek gaat de ceremonie gewoon door. Een spreker doet de mensen weer lachen. Onder een paraplu komt een keurig geklede heer met een geschenk. Later hoor ik dat hij de burgermeester van Pichit is. Na de spreker klinkt weer een gebed door luidsprekers.

De regen wordt minder. Nu is het moment aangebroken dat alle aanwezigen afscheid kunnen nemen van de overledene door via de twee trappen aan de zijkant naar boven te gaan, langs de kist te lopen en aan de voorkant weer naar beneden te gaan. Ik weet niet precies wat ik doen moet, maar Nan lost mijn probleem op door mij mee te trekken. Zij heeft dit kennelijk vaker meegemaakt. In deze uitgebreide vorm is het voor mij de eerste keer. Ik ben blij dat ik samen met Nan loop, anders zou ik zeker tranen in mijn ogen krijgen. Wanneer we voorbij de kist zijn zie ik pas dat beneden de naaste familie staat om gecondoleerd te worden. Vader, broer en zussen van Sit. Sit heeft als monnik kennelijk andere verplichtingen. Hij is er niet bij. Wel Nim, waarschijnlijk namens hem. Ik vind het leuk dat, nu Sit en Nim kennelijk bezig zijn, het vanzelfsprekend is dat Nan en ik met elkaar optrekken. Iedereen krijgt een mooi ingepakt geschenkje. Later blijkt dit een staafje menthol te zijn, dat je bij verkoudheid onder je neus houdt en vervolgens opsnuift. Heel toepasselijk in dit regenseizoen.

Als iedereen weer buiten de hekken is, gaat de familie naar boven. Er wordt een deksel van de ijskast, kennelijk de achterkant, naar beneden gebracht en daarna gaat het lichaam de oven in. Doordat veel mensen om mij heen staan, kan ik niet zien of er nog een kist in het spel is. De deur van oven staat open en vlammen laaien op. De meeste mensen gaan weg. Het is voorbij. De vader van Sit is weer actief met het ronddelen van geld. Ik loop met Nan terug naar het tempelgebouw. Soms kijk ik om en zie nog steeds een open oven. Een grote vuurhaard. Wat zou ik graag willen weten hoe een zevenjarig kind dit allemaal ervaart. Later, ik bedoel over een paar jaar, zal ik het haar vragen.

Poey staat bij toeval met de auto te wachten. In de mening dat we om vier uur wel weer thuis zouden zijn, had ik hem gevraagd me daarop te komen halen. Vier uur reed hij langs de tempel en zag dat alles nog volop bezig was. Dus wacht hij hier. Thuis stromen langzamerhand weer mensen binnen. Niet zoveel als gisteren. Alleen familie en goede vrienden. Voor iedereen is er weer eten. Later wordt er weer gekaart en gegokt. Er wordt gedronken en Sit zijn vader loopt regelend rond. Ik praat veel met Sit, over zijn persoonlijk leven en over zijn familie. Omdat ik bang ben zijn vader te missen, ga ik naar binnen om afscheid van hem te nemen. Ik zeg dat ik zeker terugkom naar Pichit en vraag hem eens naar Pattaya te komen. De juiste woorden om hem sterkte te wensen bij zijn verdriet, breng ik over door hem beet te pakken. Ik hoop dat hem goed gaat, want het is een goed mens. Hij zegt dat hij het fijn vond dat ik aanwezig was.

Poey en ik gaan naar ons hotel. Ik slaap goed en de volgende dag vertrekken we al om zeven uur. Ik denk nog veel na over deze indrukwekkende dagen. Naar ons gevoel was het allemaal wel veel en vooral duur. En het is nog niet afgelopen. Vandaag gaat Sit nog even als monnik naar de tempel om de as van zijn moeder op te halen. De urn krijgt een plaats op het huisaltaar. De komende week komen iedere dag monniken naar zijn vaders huis om te ontbijten. En om weer een envelop met geld in ontvangst te nemen.


» Laat een reactie achter


Rating: 5.00/5. From 8 votes.
Please wait...

3 reacties op “Je maakt van alles mee in Thailand (136)”

  1. PEER zegt op

    Ja Dick,
    Ikzelf heb ook al paar crematiefeesten meegemaakt, overal hetzelfde stramien: veel geld = veel monniken.
    Enkel het groots uitdelen van geld aan aanwezigen heb ik nog niet meegemaakt.
    Heeft de katholieke kerk (Vaticaan dus) dit overgenomen van de Bhuddistische kerk?
    Of andersom kan ook!

  2. R.Kooijmans zegt op

    Lang, maar boeiend verhaal. Het echte Thaise leven, daar hoop ik mij straks ook in te kunnen verdiepen.

  3. jan si thep zegt op

    Helaas recent een aantal overlijdens in eigen familiekring van zeer nabij meegemaakt.

    Iedere familie kan er zijn eigen invulling aangeven, het volgt altijd wel een vast stramien volgens de gebruiken. Invulling is mede afhankelijk van de manier van overlijden, ouderdom, gesteldheid / aanzien van de familie.
    Wat ik mooi vind is dat de familie / vrienden heel veel zelf kunnen doen. Afscheidsritueel, wassen en aankleden, De overledene in de kist plaatsen. Gebedsdiensten aan huis. Tot aan het aansteken van het vuur bij de crematie.

    Misschien dat ik nog eens mijn eigen ervaring zal delen.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website