Op Thailandblog lees je voorpublicatie van de thriller ‘Stad der Engelen’ die zich, zoals de titel al laat vermoeden, integraal in Bangkok afspeelt en is geschreven door Lung Jan. Vandaag hoofdstuk 6 + 7.


Hoofdstuk 6.

De ochtendstond heeft niet altijd goud in de mond. Heel af toe waande J. zich in het diepst van zijn gedachten een filosoof. Vroeger, heel lang geleden, toen hij nog jong en knap was dacht hij zelfgenoegzaam dat hij alles wist. Vandaag, nu hij alleen nog op een lichtjes afgeleefde manier knap was, wist hij wel beter.  In de eerste weken, maanden en zelfs jaren in dit land meende hij een paar keer, in een oogverblindend vertoon van absolute en adembenemende domheid, met de broek op zijn hielen te hebben gestaan. Een mening die, jammer genoeg voor hem, ook door anderen werd gedeeld… Wat hij later, maar dan ook véél later, langzaam maar zeker begon te beseffen, en dat was wellicht de belangrijkste levensles die hij hier -met vallen en opstaan- had geleerd, was wel dat hij als zovelen voor hem, het slachtoffer was geworden van de cultuurshock.  Iedereen leek wel dom wanneer ze buiten het comfort van hun eigen, vertrouwde referentiekader traden. Zo simpel lag het.  En dus leerde hij geduld op te brengen, véél geduld…. Niet alleen in het Westen maar ook in het Verre Oosten een schone deugd.

In de loop van de dag zou zijn geduld echter zwaar op de proef worden gesteld. Zo had Kaew bot gevangen bij een aantal eerder louche kunst- en antiekdealers die ze gisteren samen op een lijstje van mogelijke verdachten hadden gezet. J. had heimelijk bewondering voor Kaews’ scherpe analytische vermogen en z’n onderzoekskwaliteiten. Talenten, die de Bolle als journalist ook geen windeieren hadden gelegd. Kaew was, tegen z’n gewoonte in, al vroeg op pad gegaan maar had blijkbaar vooral veel irritatie opgewekt met zijn gevraag. In één van de immens grote antiekhallen achter de Chatuchakmarkt had men zijn trouwe partner zelfs met onzachte hand bij de kraag gepakt en van de trappen gekeild. Waarmee deze enorme markt haar reputatie als de ‘Dievenmarkt’ weer alle eer aandeed… Tot overmaat van ramp duurde het tot op de middag vooraleer Tanawat, zoals afgesproken, contact opnam.

Tanawat was een echte praatvaar maar om één of andere, voor J. niet meteen duidelijke reden, leek hij vandaag niet erg happig op een gesprek. Hij liet mysterieus weten dat hij eindelijk een concreet spoor te pakken had maar hij weigerde over de telefoon in detail te treden. Hij wist alleszins de spanning op te bouwen want tot driemaal toe in een tijdspanne van nog geen uur regelde hij een andere locatie waar ze elkaar zouden treffen. Deze geheimzinnigdoenerij irriteerde J. mateloos. Tanawat  kon soms erg achterdochtig zijn, maar J. had daar geen boodschap aan. Uiteindelijk slenterde J. die namiddag, een razendsnel smeltend softijsje in de hand, van zijn loft naar Wat Po. Kort voor sluitingstijd barstte dit grootste en oudste  tempelcomplex in de stad van de toeristen en zou hun meet & greet niet opvallen. Stipt om 16.30u. bevond J. zich, zoals afgesproken, met plakkerige handen bij de westelijke Wihan achter de centrale tempel. Terwijl hij tussen de Wihan en de Phra Si Sanphet Chedi ijsbeerde was er tot zijn verbazing geen spoor van Tanawat te bekennen.  Het volgende halfuur nam hij niet één van J.’s telefoontjes aan en beantwoorde hij  geen SMS. Dit was geen normale manier van doen voor de om zijn stiptheid bekend staande academicus. Met een stijgend gevoel van ongerustheid liet J. zich, niet zonder eerst nog één van de gratis flesjes water te hebben meegegritst,  een half uur later door de security naar buiten drijven. J. bleef aan de overkant van Chetuphon Road wachten tot de laatste bezoekers verdwenen waren, maar Tanawat leek wel in rook te zijn opgegaan.

Eens terug in de loft was zelfs de verongelijkte Kaew even opgehouden met zijn eindeloze klaagzang over de hardhandige behandeling die hem op Chatuchak te beurt was gevallen. Ook hij leek lichtjes verontrust door het plotse stilzwijgen van Tanawat. Na ampel beraad met z’n werkgever ging hij meteen even checken op de faculteit of hij daar soms te vinden was maar daar had men hem sinds gisterenochtend niet meer gezien. Toen hij vandaag niet was komen opdagen had een van Tanawats’ assistenten deze namiddag een practicum moeten overnemen… Nieuws, dat bij J. alleen maar de bezorgdheid deed toenemen….

Hoofdstuk 7.

De volgende ochtend, kort na 06.00 u. kreeg J. het telefoontje dat hem niet alleen bruusk uit een rusteloze slaap haalde maar vooral als een keiharde stomp in zijn maag aankwam. Hij herkende het nummer als dat van Tanawat, maar hij was absoluut niet aan de lijn. Een rauwe stem beet hem met een ondertoon van tijdloze kwaadaardigheid toe: ‘Je vriendje, de praatgrage professor, wacht ongeduldig op jou onder de brug van de Tolweg achter Wat Saphan Phrakhong in Khlong Toei.  Wees snel, want het lijkt erop dat hij zijn tong kan inslikken…’

J. wist niet precies hoe hij het moest omschrijven maar er was iets loos met de lucht in Bangkok. Iedere keer als hij vanuit het Noorden naar de metropool kwam moest hij opnieuw wennen of ‘op adem komen’ zoals hij dat zelf omschreef. Het stonk niet echt -alhoewel – maar hij had telkens het gevoel dat de lucht hier oud en afgeleefd, alsof ze te veel gebruikt was. Na het telefoontje leek het of in één klap al de zuurstof was verbruikt. Hij voelde zich duizelig. Hij kleedde zich in zeven haasten aan en liep met de niet begrijpende blik van Sam in z’n rug naar buiten. Met een misselijkmakend drukkend gevoel in z’n middenrif spoedde hij zich naar beneden en riep één van de op de hoek van de straat rondhangende schooiers met een fluovestje die met een motortaxi rijden aan. De motortaxi is in de Stad der Engelen de gevaarlijkste maar zonder twijfel ook de snelste manier van voortbewegen. J. wist niet zeker waar hij precies naar toe moest want op de aangeduide plek was het een onoverzichtelijke wirwar van bruggen, klongs, stegen en wegen. De loeiende politiesirenes wezen hen de laatste kilometers echter feilloos de weg.

Zoals zoveel dingen in dit land liep de afrit van de brug gewoon dood op het  kanaal. Hij was er gewoon, net als J. en de meute die op de strook waar het hete asfalt overgaat in  grint was samengestroomd. Het was nog erger dan hij had verwacht. Voor zijn ogen ontspon zich een druk maar ordelijk tafereel dat zo uit een tweederangs TV-detectiveserie scheen te zijn weggeknipt. Een schijnbaar eindeloze parade van aan en aflopende bruine politie-uniformen, enkelen waren in burger. Technische rechercheurs liepen geroutineerd speurend rond. Het lichaam was geïdentificeerd. De plaats waar het lag, naast één van de betonnen pijlers van de brug, was, zoals gewoonlijk op een plaats delict in Thailand, niet écht aan het oog van de toeschouwers onttrokken. Een paar fotografen schoten hun plaatjes zodat alle gore details morgen breed uitgesmeerd op de schreeuwerige voorpagina van hun krant zouden staan. Het rauwe Exhibitionisme van de Dood waar het Thaise lezerspubliek verzot op was. Wat hadden de inwoners van de Stad der Engelen toch met misdaad ? Ze waren er verzot op, ze kregen er nooit genoeg van… J. zou er nooit gewend aan raken. Hij troostte zich met de gedachte dat als er ooit op miraculeuze wijze een einde zou komen aan de misdaad in dit land, de kranten meteen failliet zouden gaan.

Tot zijn ergernis verdrongen een aantal als uit het niets opgedoken en op bloed beluste omstaanders zich als gieren aan de met rood-wit lint geïmproviseerde afzetting terwijl ze probeerden met hun telefoon een glimp van de scene vast te leggen. Ze werden op hun wenken bediend. Want er was bloed, véél bloed. Dat kon J. zelfs van op deze afstand zien. Grote plassen die in de hitte van deze ochtend al bedekt waren door een matzwart vlies als een uitgedroogde pudding en die op een of andere rare manier tot leven leek te komen door de triljoenen blauwgroen glanzende vette aasvliegen die zich gulzig op het lijk en de geronnen bloedplassen hadden gestort.

Wat een rotplek om de pijp uit te gaan, dacht J. De omgeving was bezaaid met rommel, de smurrie van de grootstad: verroeste conservenblikken, kapotte flessen, snoepwikkels en plastic zakjes, honderden plastic zakjes, de verpakkingspest van dit land. In het Phra Khanongkanaal dreef nog meer rotzooi en net boven de waterspiegel zag J. het verweerde handvat van een boodschappenkarretje dat hier, wie weet hoe lang geleden alweer, was in gekieperd…

J. ! Hey  J….!’ Hij draaide zich om. Een voor Thaise normen boomlange en breedgeschouderde politie-officier in burger kwam kordaat op hem afgestapt. Ze kenden elkaar niet écht goed maar genoeg om te weten wat ze aan elkaar hadden. Het zou te ver gaan om Roi Tam Ruad Ek of hoofdinspecteur Uthai Maneewat van de sectie Ernstige Delicten een goeie vriend te noemen maar ze hadden elkaar in het verleden al een paar keer uit de brand geholpen en dat smeedt toch op een of andere manier een band. Naar zijn gelaatsuitdrukking te oordelen had hij zich net verslikt in een enorme slok Nam Prik, de  hoofdzakelijk uit rauwe chili’s, gefermenteerde vissaus en limoensap bestaande spicy smaakmaker. ‘Loop je even met mij mee ?’ vroeg hij uitnodigend-dwingend terwijl hij met een handgebaar aan de geüniformeerde sergeant die het lint bewaakte, opdracht gaf J. door te laten. J. meende nog even te moeten vragen of er geen plastic voetkappen ter beschikking waren om de crime scéne niet te contamineren, maar besloot daarvan af te zien want de hoofdinspecteur leek niet écht in the mood voor een grapje .

‘Dit is een klote-toestand’,  kwam Maneewat meteen to the point. ‘Wat heb jij hier te zoeken ? ‘

 ‘Wat heb jij daar mee te maken hoofdinspecteur ? ‘

 Nou,’ zei Maneewat, ‘ laat me even jouw geheugen opfrissen. Een paar dagen geleden zag een van mijn meer oplettende collega’s jou en de overledene tijdens een gezellige tête à tête op een terrasje aan de Chao Phraya. Uit het mobieltje van de overledene blijkt dat ie jou de laatste dagen herhaaldelijk heeft gebeld en vice versa. Het laatste telefoontje was van deze ochtend. En dàt was pas écht vreemd want toen was hij volgens onze forensische experten én de dokter al minstens een uur zo dood als een pier… Vind jij het dan vreemd dat ik dan vragen stel wanneer jij plots hier opduikt ?

Och…’ J. probeerde razendsnel een zo plausibel mogelijk klinkend antwoord te verzinnen, zonder in z’n kaarten te laten kijken. ‘ Zoals je weet was onze relatie puur zakelijk. Af en toe deed ik – net als jullie overigens – beroep op zijn expertise. Zo ook een paar dagen geleden toen ik hem had verzocht om wat zaken voor mij uit te vogelen…

J. hapte even naar adem. Maneewat had hem, zonder dat hij dit in de gaten had, in de richting van het lijk geloodst en wat hij zag en rook maakte hem beslist niet vrolijker. Er hing al een vage, gasachtige stank om het lijk, als een belegen scheet, wat met deze temperaturen niet echt verwonderlijk was. Ondanks het feit dat J. in Noord-Ierland zijn portie fysiek geweld voor de kiezen had gehad, was hij er nooit écht aan gewend geraakt. In één oogopslag had hij genoeg gezien en moest hij vechten tegen de neiging om niet spontaan te staan kotsen. Met een ultieme krachtinspanning en opeengeklemde kaken wist hij de brokken binnen te houden.

Het lichaam vertoonde sporen van excessief geweld en marteling.  De hoogleraar lag op zijn rug, met ontbloot bovenlichaam op het grint. Een flinke lap huid hing slap,  afgescheurd van zijn linkerschouder die wel gevild leek te zijn. Hij had klappen gekregen. Wellicht met de stevig uitziende, bebloede klauwhamer die iets verder lag. Zijn neus was gebroken, een groot deel van zijn tanden lagen als bloederige kiezelsteentjes over de omgeving verspreid en z’n rechteroogkas en –kaak waren zo te zien verbrijzeld. Een moes van versplinterd bot en kapotgeslagen weefsel. Wellicht was diezelfde klauwhamer ook gebruikt om zijn tong met een lange nagel aan een stuk drijfhout vast te spijkeren. Kwestie van hem de mond te snoeren…. Met een huivering zag J. de flink uitgevallen betonschaar die naast het lijk lag. Al de vingers van Tanawat waren, met uitzondering van de duimen, zonder pardon afgeknipt. Voor zover hij kon zien vertoonde de grauwe huid rond enkele steekwonden in de borst en buikstreek al beurs uitziende paarse vlekken. Mogelijk van het heft van het mes, wat er op kon duiden dat er met blind en vooral bruut geweld op Tanawat was ingestoken. Hij moest iemand tot een enorme woedeuitbarsting hebben gedreven, maar wie ?

De tot in het diepst van zijn vezels geschokte J. sloot even kort zijn ogen. Niet uit vermoeidheid maar omdat hij het door de rigor mortis verstijvende lichaam van Tanawat niet wilde zien. Maar het was alsof het beeld zich, in al zijn gruwelijke details, op zijn netvlies had gebrand. Tot zijn opluchting kon J. vaststellen dat het bloedstollende tafereel ook inspecteur Maneewat niet onberoerd had gelaten. Uit zijn lichaamstaal sprak moeizaam ingehouden woede en dat kon J. best begrijpen want hij wist dat Tanawat vaak een waardevolle informant was geweest voor de politie in het algemeen en de hoofdinspecteur in het bijzonder. Met niets ziende ogen keek J. naar boven, naar de roestende staanders van het viaduct, het afschilferende beton, de vervalende graffiti. Het lawaai van het voorbijrazende verkeer op de Tolweg hoog boven zijn hoofd maakte het hem nog moeilijker om zich te concentreren. J. Was er van overtuigd dat hij zo meteen razende koppijn zou krijgen….

Welke zaken ?’ vroeg Maneewat achterdochtig.

Och, je weet wel, de gewone zaken, niks bijzonders. ‘

‘Hebben deze niet zo bijzondere zaken hier iets mee maken ?’ vroeg Maneewat terwijl hij wees  naar wat op het eerste zicht een paar bloederige strepen op het grauwe beton van de brugpijler leken te zijn. Geïntrigeerd en zijn afschuw onderdrukkend kwam J. een paar aarzelende stappen dichterbij. Tanawat had wellicht met een allerlaatste krachtinspanning, met de bebloede stompen waar de afgebroken botjes uitstaken die ooit zijn vingers waren geweest, een letter J en de cijfers 838 op de pijler gesmeerd. Een bloederige boodschap uit het hiernamaals maar wat had ze te betekenen ? Een vraag die blijkbaar ook hoofdinspecteur Maneewat intens bezighield want het volgende kwartier bleef hij er, met een ondertoon die stijgend ongeduld verried,  over doorbomen.

Kom nou J., mij maak je niets wijs. Speel geen spelletjes met mij.’

‘Ik voel helemaal geen behoefte aan spelletjes, integendeel.’

‘ Een erg intelligente man die eens mijn mentor is geweest zei mij ooit dat je een ouwe aap niet moest leren hoe hij smoelen moest trekken… Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat je maar al te goed de betekenis kent van wat hier staat. Of je komt er mee voor de dag, of ik regel dat één van mijn jongens je naar het bureau brengt. Mag je daar desnoods uren of, wat mij betreft, zelfs dagen gaan nadenken voor we lekker voortkletsen…

Ho ! Rustig aan, hoofdinspecteur,’  zei J. ‘Eerlijk waar, ik heb geen flauw idee. Ik breek me, net als u, het hoofd maar kan hier kop, noch staart aan breien. Doe maar op… Breng me maar weg, je zal niets wijzer worden…’ J. meende wat hij zei. Hij probeerde wanhopig een verband te vinden maar het was al snel voor hem duidelijk geworden dat dit noch het juiste ogenblik, noch de juiste plaats was     voor logisch analyseren, combineren en deduceren… Dzjiezes, de koppijn had zich aangemeld en hoe…

Maneewat herkende de desperate ondertoon in J.’s betoog. ‘Oké, je mag, wat mij betreft, vertrekken. Maar hou je wel ter beschikking. Gegarandeerd dat je een van de volgende dagen een vriendelijke invitatie van ons mag verwachten om dit gesprek verder te zetten. Ik verzoek je bijgevolg om de stad niet te verlaten. Mocht je toch dringend op reis willen, dan had ik dat graag op voorhand vernomen…

Terwijl een nog steeds aangeslagen J. de plaats delict verliet bedacht hij dat de aandacht van de smerissen bij een moordzaak in de Stad der Engelen meestal al na het eerste etmaal begon te verflauwen. Als er na een paar dagen nog steeds geen sprake was van belangrijke, nieuwe ontwikkelingen dan werd de zaak vaak hooguit nog bij toeval opgelost. J. hoopte uit de grond van zijn hart dit hier niet het geval zou zijn. Terwijl hij een laatste blik op z’n afgemaakte kompaan wierp zwoer hij voor zichzelf een dure eed dat hij in elk geval z’n beste beentje zou voorzetten om de moordenaar van Tanawat te klissen. Kost wat kost…

Wordt vervolgd…..


» Laat een reactie achter


Er zijn geen reacties mogelijk.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website