De bedelaars (kort verhaal)

Door Tino Kuis
Geplaatst in Cultuur, Literatuur
Tags: ,
14 april 2019

Anchan

Anchan (Anchalee Vivatanachai), de schrijfster van onderstaand kort verhaal De bedelaars, werd in 1952 in Thonburi geboren. Ze schreef al vanaf jonge leeftijd, vooral korte verhalen en poëzie. In 1990 won zij de S.E.A Write Award, Thailand, voor een verhalen bundel, Anyamanie Haeng Chiwit (Juwelen van het Leven, zie de afbeelding van dat boek). Ze wordt vooral geprezen voor haar bijzondere thema’s en vernieuwend woordgebruik. Ik heb het verhaal enigszins ingekort.

De bedelaars

Bij het aanbreken van de dag wandelde de monnik langs de weg waar hij eten en andere gaven in ontvangst nam van de gelovigen. Toen de dageraad overging in de morgen en hij terugkeerde naar de tempel passeerde hij een paar bedelaars, een man en een vrouw, die wankelend hun bedeldag begonnen. De metalen bedelnap van de monnik was vol en zwaar; het plastic kommetje van de bedelaars nog leeg. Zo ontmoetten ze elkaar bijna iedere ochtend en de monnik verlangde vaak het eten in zijn nap te delen met de bedelaars. Maar hij had het nooit gedaan. Het zou overdreven zijn, dacht de monnik, mensen zouden het zien, het zou gênant zijn.

Zij ontmoetten elkaar deze morgen weer, maar niet helemaal zoals andere morgens. De monnik voelde dat er iets anders ging gebeuren. De bedelaars stonden onder een luifel voor het nog gesloten hekwerk van een winkel. Zij zagen er vreemd en wat heimelijk uit, dacht de monnik. Een paar stappen verder en hij zag hoe zij hem aanstaarden en met elkaar fluisterden. Terwijl hij stiekeme blikken op hen wierp versnelde hij zijn pas om zo snel mogelijk de plaats voorbij te lopen waar zij op de loer lagen. Maar op dat moment rende de bedelaarsvrouw achter hem aan en ging vóór hem staan, zijn pad blokkerend.

De weg was vandaag nogal rustig, met alleen een paar mensen op weg naar hun werk en wat honden die snuffelden in de afvalbakken.

De monnik stond doodstil terwijl hij zijn ogen niet af kon houden van de handen van de vrouw die iets vastpakte in haar smerige schoudertasje. Hij vroeg zich af hoe hij kan ontsnappen. Maar de vrouw draaide zich plots om en liep terug naar haar man, de monnik aarzelend achterlatend: moest hij wachten of verder gaan? Hij bleef staan, goed getraind als hij was in de tucht van het monnikendom en in de principes en praktijk van zelfbeheersing. Hij wachtte en keek kalm toe hoe de vrouw haar strompelende eenbenige man met zijn kruk hielp om samen naar hem toe te lopen. De hand in de schoudertas beefde een beetje alsof die elk moment iets ook uit de tas zou nemen. Een mes misschien? dacht de monnik. Hoe dan ook, hij was jong en sterk genoeg om het aan te pakken.

Daar was het. In een flits kwam het te voorschijn. Nee, geen mes. Het was een klein plastic zakje met wat gekookte rijst, dichtgebonden met een elastiekje. De vrouw hield het zorgvuldig in beide handen, bracht het naar haar voorhoofd in een zeer eerbiedig gebaar en nam ook de handen van haar man om het zakje samen aan te bieden aan de monnik.

‘Neem het alstublieft aan, Eerwaarde Vader’, zei de vrouw. Ze zagen er verlegen en opgelaten uit maar ook vastbesloten in hun daad van geven. De monnik keek met medelijden naar hun vieze vingernagels, opende toen zijn bedelnap zoals hij dat deed voor alle volgelingen van de Boeddha, de goedgekleed en de in lompen gehulde. De bedelaars zagen dat er bijna geen ruimte meer over was in de bedelnap maar ze slaagden er niettemin in met hun slecht onderhouden handen het zakje met rijst er in te duwen.

De monnik sprak zijn gebruikelijke zegeningen uit die met een vreugdevolle glimlach en met verschillende onhandige wais van eerbied en dankbaarheid werden ontvangen.

De monnik verliet hen en vervolgde zijn weg. Na de zegeningen concentreerde hij zich nu op het uitzenden van meetta karoena, mededogen, loving-kindness. Na een poosje mompelde hij wat Pali gebeden voor zich uit Sabbhe Satta Avera Hontu: ‘Laat alle schepsels vrij zijn van wraakzuchtige gevoelens voor elkaar’.

Daarna ging de monnik verder met een stil gebed en wensen voor zichzelf. ‘Ik heb loving-kindness aangeboden aan deze arme en behoeftige bedelaars. Dat deze verdienstelijke daad mij verder mag leiden op het pad van de Verheven Dharma zodat ik in de toekomst verlicht mag worden’. Hij pauzeerde een ogenblik, verrast door zijn hoge verwachtingen maar bad toch verder.

‘Laat mijn goede daden voor die onfortuinlijke bedelaars bijdragen aan mijn verzamelde verdiensten die als een brug kunnen dienen om over de nooit eindigende maalstroom van het lijden tot arantschap (noot 1) te geraken, ah, dat zou verrukkelijk zijn. Saddhu! (2)

De ogen van de twee bedelaars volgden de monnik tot hij uit het zicht verdween. Ze wisten niet wat er omging in zijn geest. Ze wisten alleen dat hun verworven verdienste, gebonden aan die zak met eenvoudige gekookte rijst tussen al die andere gaven, nu hen toekwam.

‘Je deed er wel lang over, zeg!’ mopperde de man. ‘Zo lang voordat je in actie kwam! Hij liep ons bijna voorbij! Wel erg dommig van je.’

‘Wel, ik schaamde me’, verontschuldigde de vrouw zich met een benepen stemmetje. ‘We hadden alleen maar rijst en verder niets. Helemaal niets erbij. Het zag er belachelijk uit.’

De dag vorderde terwijl de zon hoger klom en heter werd. De monniken, die de giften hadden aanvaard en de gevers hadden gezegend, waren allemaal teruggekeerd in hun tempels. De twee bedelaars waren gaan zitten op hun gewone plek om aan de slag te gaan met hun handeltje. De vrouw met haar ching, een paar kleine slagbekkens, zou al spoedig het eenvoudige ritme slaan om haar man te begeleiden bij zijn liedjes want dat was de dienst die zij voorbijgangers bewezen in de hoop op een kleine geldelijke bijdrage. De vertolking was misschien niet zo heel erg melodieus maar de toehoorders waren vrij wel of niet te betalen. Er was geen sprake van uitbuiting.

Het lied van de man riep de namen op van verschillende bomen: de phikun, de ket, de kaew, de satu, de sadao, de rimpelige, groot-bladerige yang. Hij zong over de takken en het fruit dat sprankelt, spruit, springt, zwaait, zwenkt, zwiept…….

Dit liedje met al zijn melodieuze alliteraties was wel bekend bij de reguliere voorbijgangers op dit trottoir. De zanger gebruikte allerlei trillingen om zijn bekwaamheden in het gebruik van woorden en melodieën te showen. Hij zong het begeleid door het cing-chab, ching-chab van de slagbekkentjes in de handen van zijn vrouw. Het was hun herkenningsmelodie, de onmisbare kern van hun bezigheid, van de morgen tot de avond, elke dag weer. Er waren geen vakantiedagen behalve wanneer één van hen zich niet lekker voelde. Dan waren ze beiden afwezig, zij zorgden voor elkaar, en bleven in hun hutje op loopafstand van hun werkgebied.

Hoewel ze onder de brede tamarinde boom hadden kunnen plaatsnemen verkozen ze een plek in de zon om meer klanten te trekken. Ze hadden een paar concurrenten in deze buurt.

De buurtbewoners noemden hen Ta Kut, Opa Mankepoot, en Yai Lae, Oma Scheeloog. De namen op hun identiteitskaarten waren ongetwijfeld anders en fraaier maar misschien te fraai voor hun medeburgers die er de voorkeur aan gaven hen te identificeren met hun handicap. Die bijnamen kwamen makkelijker over hun lippen.

Het paar zat op oude kranten of soms op lege zakken cement, hun benen netjes opgevouwen onder hun billen. Niet zo ver van hun werkplek lag een populaire koffie shop en verschillende stalletjes die curry-en rijst verkochten, noedelsoep, alcoholische en niet-alcoholische dranken , geroosterde dit en dat. Vóór hen op de grond lag het plastic kommetje. Dit was een nieuwe ontwikkeling want vroeger hadden ze een kokosnoot. Het plastic kommetje had een onbenoembare kleur, was vies en bedekt met stof van de omgeving, van handen en munten. Munten, gegeven uit vriendelijkheid en medelijden, of misschien om het vervelende gewicht van te veel munten kwijt te raken, of om andere voor de ontvangers ondoorgrondelijke redenen.

Sommige ouders die er langs kwamen gebruikten de gebreken van de bedelaars voor een zedepreek. Ze vertelden hun vijf-of zesjarige kinderen dat die handicaps het gevolg moesten zijn van slechte daden gepleegd in het verleden. ‘Als jullie je slecht gedragen tegenover je vader en moeder kunnen jullie wel eens net zo worden als Opa Mankepoot en Oma Scheeloog!’ Een klein meisje was het gezeur van haar moeder beu maar ze keek wel naar het zingende paar. ‘Het zijn net poppetjes’, dacht ze. ‘Heel erg sanuk!’

De bedelaars kwamen allerlei soorten menselijke schepselen tegen, van alle leeftijden, geslachten, beroepen en zienswijzen. En ze hadden ook reguliere bewonderaars, zoals een aantal freelance kunstenaars die samen kwamen in de koffie shop om te praten over kunst, het leven en wat al niet. Met hun unieke zintuigen zagen zij schoonheid waar anderen alleen maar iets betreurenswaardigs waarnamen. Voor hen had armoede juist iets zeer aantrekkelijks. Ze stelden zich voor hoe ze een dag als bedelaars zouden doorbrengen, op een niet te hete of te natte dag en met een goed gevuld bedelaapskommetje. Tijd speelde dan geen rol. Hoe eenvoudig en ongecompliceerd kan het leven zijn. Bedelaars zijn ongevoelig voor de vele problemen van de welgestelden. Ze zijn vrij…..vonden ze.

De kunstenaars, ontroerd, brachten deze gedachten en gevoelens over op hun schilderdoeken. Ze waren, eenvoudig gezegd, geïnspireerd, en maakten enige plezante schilderijtjes die goed verkochten.

Soms voegden zich enige schrijvers bij de kunstenaars. Zij behoorden tot een radicale en idealistische groepering die armoede de wereld uit wilde helpen. De kunstenaars die hun Opa Mankepoot en Oma Scheeloog jaloers bewaakten wilden niet dat de schrijvers hier hun visie op de armoede kwamen bespreken en weigerden over het bedelaarspaar te praten.

Maar op een dag verscheen er een schrijver, een baardig en indrukwekkend type, met een boek getiteld Bedelaars. De afbeelding op de kaft liet een aantal groteske handen zien die munten lieten vallen in een kokosnoot, een klein dingetje overschaduwd door de reusachtige handen. De grinnikende schrijver zei wat verlegen dat het boek juist een belangrijke literaire prijs had gewonnen wat hem enige faam zou opleveren. Gevraagd naar waar het boek over ging verklaarde hij enigszins bedeesd dat het boek het probleem van onrechtvaardigheid tegenover mensen in deze maatschappij behandelde. Wel ok, zeiden de anderen, laten we er maar op drinken. En zo begon een feestje om de gewonnen prijs te vieren met flink wat grappige plagerijen. Uiteindelijk gaf de schrijver toe dat hij het ruwe materiaal voor zijn verhaal uit deze buurt had gehaald waarbij hij knikte naar Opa en Oma die nog steeds onverstoord hun lied zongen.

‘Waarom heb je er geen dochter bijgehaald? Laat haar op de soh (3) spelen waarna ze in de prostitutie gaat. Dat levert je nog meer sympathie op!’ Niemand lette op hem. Het feestje ging verder, iedereen werd dronken en ging laat naar huis.

Opa Mankepoot en Oma scheeloog woonden niet zo ver van de afvalheuvel. Het was een bescheiden hutje maar groot genoeg om te slapen zonder dat ze zich in allerlei bochten hoefden te wringen. Een golfplaten dak met wat gaten, wiebelende houten palen, een wand gemaakt van alles en nog wat, tussenschotten samengesteld uit oude kranten, tijdschriften, matten en posters. Een student architectuur, die er eens langs liep, vond het een werkelijk spannende, zelfs sensationele, opbouw van kleuren en vormen.

Opa en Oma waren gewend om dure auto’s voorbij te zien komen maar wat zij deze middag zagen sloeg werkelijk alles. Dit voertuig was veel chiquer, slanker, glanzender en werkelijk verbindend mooi, een sprookje, net als in de films die ze wel eens hadden gezien tijdens een feest in de tempel. Dit super geval reed uit een steegje de weg op terwijl het gebiedend toeterde tegen de zanger en zijn begeleider. Karren, manden en bamboepalen werden haastig opzij gezet om het voertuig ruim baan te verschaffen. Desondanks draaide een jonge man de donkere autoramen naar beneden en riep ‘Hé daar, zijn jullie niet bang overreden te worden?’

Ze moesten nog even wachten op een andere geparkeerde auto en dat gaf Oma de gelegenheid door het geopende raam naar het meisje te kijken dat naast de bestuurder zat. ‘Oh’, riep ze van binnen uit, ‘wat ben je een prachtige vrouw! Ik heb nog nooit zo’n volmaakt blanke huid gezien, je bent zó aantrekkelijk, je bent perfect, mijn kleine meid!’ Toen draaide de schoonheid zich om en keek naar Oma. Twee paar ogen ontmoetten elkaar en hielden elkaar vast. Het gezicht van het meisje was eerst zonder enige uitdrukking maar nu leek ze opeens geïnteresseerd te zijn. Ze zei iets tegen de jonge man. Hij keek afkeurend. Zij wendde zich weer tot Oma en wenkte haar dichterbij te komen. Met een verlegen glimlachje liep Oma naar het openstaande raampje. Het meisje gaf haar een 500-baht biljet, zonder iets te zeggen. Oma kon nog net de koele lucht met de heerlijke geur van leer ruiken voordat het raam omhoog ging en de auto verder reed. In plaats van de lekkere geur was er nu de stank van uitlaatgassen. Oma lette er niet op want ze was nog steeds verbouwereerd door het gebeuren.

Niet lang nadat de auto was vertrokken deed het voorval de ronde. Zag je het? Ze gaf 500 baht aan Oma! Weet je, ze is een beroemdheid, de meest populaire zangeres met net een nieuwe tape die goed verkoopt….Stel je voor…

Opa Mankepoot en Oma Scheeloog stonden nu in het middelpunt van de belangstelling, en ze genoten er immens van.

‘Dat is ze, dat is ze’, zei Oma lachend. ‘Nu weet ik het weer. Ik heb zelfs een foto van haar uit één of ander tijdschrift op de muur geprikt, weet je.’

Ze liet trots het 500-baht biljet zien aan de verzamelde menigte.

‘Waarom heb je het kenteken niet genoteerd?’ plaagde Opa haar met een vrolijke stem. ‘Dan hadden we een lot kunnen kopen en misschien wel een flink bedrag kunnen winnen!’

‘Praat maar een eind weg’, zei Oma, ‘maar probeer maar niet met je mooie praatjes mij het geld afhandig te maken.’ Oma kwam niet meer bij van het lachen. ‘Vijfhonderd!’ mompelde ze. Ze vingerde het paarse biljet alsof ze het tot leven wilde brengen. In haar hart wenste ze het meisje meer rijkdom, succes en geluk. Je bent zo beroemd en toch stond je even stil bij een stel arme bedelaars langs de weg. Oma dacht met plezier aan het meisje en ook aan al de dingen die ze nu zou kunnen kopen. Vissaus om mee te beginnen! Lekkere vissaus. Veel flessen vissaus. En, o ja, een gerecht voor bij de rijst als ze weer wat schonk aan een monnik. Ze keek naar haar slagbekkentjes. Ze zagen er nieuwer en glanzender uit, of verbeeldde ze zich dat alleen maar?

Het uitzonderlijk dure automobiel vervolgde zijn weg naar de badplaats. ‘Ik maak me soms zorgen om je, Mie’, zei de jonge man. ‘Je doet altijd van die krankzinnige dingen.’

‘Wat is er nou zo gek aan als ik mezelf verwen door een ander een cadeautje te geven? Je had haar ogen moeten zien, Pat, zo echt, zo natuurlijk! Door had ik wel een miljoen voor over gehad! Dat een vijfhonderd baht zo maar een enorme som geld kan worden, afhankelijk van wie het heeft! Verbazingwekkend.’

Ze keek door de donkere ramen naar buiten maar zag alleen haar kleren thuis, kasten vol, haar schoenen, tasjes en sieraden, sommige nog nooit gedragen of zelfs uitgepakt, gekocht in een opwelling. Ze dronk haar bezittingen in als iemand die water drinkt omdat het noodzakelijk is maar zonder het te proeven.

‘Het is geweldig om geld te hebben’, grinnikte de man,’ je kunt er prettige gevoelens voor kopen net als blikken voedsel in de supermarkt’.

‘Doe niet zo raar’, zei ze bozig en gaf een tik op zijn arm. Soms was hij haar gemoedsschommelingen wel eens zat maar hij genoot toch ook vaak van haar lieflijke en kinderlijke charme.

Vóór zij slaperig haar ogen sloot zei ze met een zachte stem ‘Het is toch wel goed dat er wat echt arme mensen op deze wereld zijn….’.

‘….die zich met hun armoede verdienstelijk kunnen maken’, zei de man, blij met de gelegenheid sarcastisch uit de hoek te komen.

‘Gekkerd!’ Dat was haar favoriete uitdrukking maar nu gezegd met een verlegen glimlach op haar lippen.

noten

1 arantschap is de laatste geboorte vóór het boeddhaschap

2 satthu is een boeddhistische uitspraak gelijk aan ons ‘Amen!’

3 soh is een driesnarig muziekinstrument.


» Laat een reactie achter


4 reacties op “De bedelaars (kort verhaal)”

  1. Maryse zegt op

    Prachtig verhaal, dank je wel voor het vertalen Tino!

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: +1 (obv 1 stem)
  2. Leo Th. zegt op

    Met een flinke lach het met veel cynisme geschreven verhaal van vandaag van de Inquisiteur gelezen, Utopia, waarin hij een spiegel voor een aantal ‘farangs’ houdt. Natuurlijk niet de ‘farangs’ en lezers van Thailand Blog maar bijvoorbeeld wel die van Thaivisa, . Jouw vertaling, beste Tino, over de monnik en bedelaars met ontroering gelezen. Zou er in Utopia nog plaats zijn voor mensen als de oma en opa in het korte verhaal over de Bedelaars?

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: 0 (obv 0 stemmen)
    • Tino Kuis zegt op

      Nee, ik denk van niet. Niet in de openbare ruimte, misschien achter de deur en de gordijnen. In Utopia is evenveel ellende alleen mogen we het niet zien.

      VA:F [1.9.22_1171]
      Waardering: +1 (obv 1 stem)
  3. Rob V. zegt op

    Dat conflict dat de monnik met zichzelf had herkende ik wel, hoe het kan schuren tussen theorie en praktijk. In een ingezonde stuk van iemand die enige tijd monnink was geweest stond ook hoe moeilijk het eigenlijk was om voedsel of giften aan te nemen van mensen die duidelijk amper of geen bahtje te makken hebben.

    En hoe blij de rijken zijn met al die arme sloebers, strooi wat bahtjes en je karma gaat omhoog. Lang leven de paupers!

    Prachtige kritiek op de maatschappij.

    VA:F [1.9.22_1171]
    Waardering: +3 (obv 3 stemmen)

Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website