Een reis door Laos in 1894-1896

Door Rob V.
Geplaatst in Achtergrond, Geschiedenis
Tags: , ,
14 juni 2021

Laotiaanse vrouwen

Eind 19de eeuw bracht de Franse overheid de gebieden in het noorden en oosten van de Mekong in kaart, dit gebeurde in de beroemde “mission Pavie”. Dit gebied bestond toen nog uit diverse koninkrijkjes en lokale machten, maar deze zouden al snel opgeslokt worden in de moderne natiestaten van Laos en Vietnam (Indochina). Met het bepalen van de landsgrenzen en kolonisatie door de Fransen en Engelsen kwam er definitief een einde aan de traditionele levenswijze in dit gebied.

Dr. Lefèvre nam deel aan één van deze Franse missies en hield hierover dagboek en enkele foto’s bij. Zijn dagboek vangt aan in oktober 1894, wanneer een expeditie uit Hanoi westwaarts trekt richting Laichau, Muong Sing, Luang Prabang, Vien Tian (Vientiane), Savan Nahhek en weer terug naar Hanoi. Met daarna nog diverse rondzwervingen vanuit Luang Prabang eindigt zijn dagboek in juni 1896.

Hij was soms de eerste blanke man die de lokale bevolking zag en de laatste die getuigen was van hun traditionele levenswijze. In geur en kleur beschrijft hij het landschap, de routes over land en water, de prachtige maar wilde natuur, de steden, de plunderingen door Chinezen en Siamezen (denk aan de smaragden Boeddha die naar Bangkok verdween), maar ook diverse culturele zaken. In detail beschrijft hij allerhande bevolkingsgroepen, hun taal, hun ras, lichamelijke kenmerken, hun (kleder)dracht enzovoort. Uit de tekst blijkt veelal begrip voor de bevolking en hun gebruiken.

Hieronder citeer ik enkele van de (in mijn ogen) meest opvallende fragmenten uit Lefèvre’s dagboek:

13 december 1894

Mr. Lefèvre-Pontalis heeft besloten dat ik de grens van Muang Hou moet verkennen, en dus vertrek ik om 7.00 uur met de tolk Tchioum, terwijl Mr. Lefèvre-Pontalis en Thomassin de route blijven volgen richting Muong Haïne, welke ze morgen moeten bereiken.

Markt in Luang Prabang, ca 1900

We dalen de Nam Héo af via een weg met hoog manshoog gras aan weerskanten. Om 9.30 arriveren we in Ban Ko To Moun op de rechteroever van de Nam Héo. Het dorp wordt bewoond door het Lolo [vandaag de dag bekend als de Yi of Nusuo] volk en telt veertig huizen. (…) Ko To Moun is nog nooit door een Europeaan bezocht, dus de inwoners vluchtte weg toen wij het dorp naderbij kwamen. Gedurende de lunch verzamelde sommige van hen de moet om ons te naderen en met verbaasde ogen aan te kijken. Na de lunch klom ik op een heuveltje om met trigonometrie een referentiepunt vast te leggen. Deze kan ik dan koppelen met het punt dat kapitein Rivière vastgelegd, hij moet op dit moment ergens in de bergen aan de overkant van de rivier zijn.

8 februari 1895

Om 8.30 vertrek ik vanuit Ban Lek met mijn roeiboten. Een beambte uit het dorp vergezeld mij tot aan Xieng Lap om zo eventuele problemen vlak te kunnen strijken. Na enig onverwachte momenten krijgen de roeiers het manoeuvreren onder de knie. Om 9.30 dalen we de vele stroomversnellingen van de Mekong af. Door een verkeerde stuurmanskunst belanden we op een rif en zitten vast, de neus van het vlot steekt met de neus omhoog de lucht in. Het was even een nerveus moment maar verder is er niets aan de hand. De eerste dag van dit stuk verloopt behoorlijk goed.

Voordat we arriveren bij de samenvloeiing met de Nam La [rivier], een grote zijtak aan de linkerkant van de Mekong, vragen de roeiers mij om de Franse vlag neer te halen die achter op het vlot prijkt. Geïntrigeerd vraag ik hen waarom. Ze antwoorden dat de Phi (geesten) van de Nam La een afkeur hebben voor de kleur rood en als we daar langs komen er geen object met deze kleur zichtbaar mag zijn, of anders dreigt rampspoed. Ik werk mee aan het verzoek en vraag me af of deze geesten misschien stieren zijn. In Frankrijk verdragen die namelijk de kleur rood ook niet.

19 februari 1895

Ik wil mijn tent opzetten op een soort van kalige plek, maar het dorpshoofd stamelt iets onverstaanbaars uit terwijl hij een ernstig gezicht trekt. Ik kijk rond voor mijn tolk maar zie hem op dat moment niet. Ik denk dat ik het dorpshoofd begrijp, dat ik mijn tent hier niet neer kan zetten vanwege de geesten. Maar dan arriveert mijn tolk en hij legt aan mij uit dat deze plek gereserveerd is voor de buffels om hier de nacht door te brengen. Die verklaring bevalt mij beter dan alle verhalen over geesten. De Phi kunnen nogal vervelend zijn in dit land. 

Luang Phrabang [eind maart]

Oun Kham, de oude koning van Luang Prabang

Luang Prabang is de hoofdstad van het koninkrijk met dezelfde naam. Het ligt langs de Mekong daar waar die samenkomt met de Nam Khane en telt zo’n tienduizend inwoners, vooral Laotianen, welke in ongeveer tweeduizend woningen leven. (…) De huizen zijn allemaal van hetzelfde soort, gemaakt van houten planken en staande op pilaren. Je klimt omhoog via een kleine ladder. De daken zijn niet bedekt met stro maar met bamboe tegels. Het bamboe is in tweeën gelieft en om en om in de lengte over zichzelf heen gelegd. Het geeft een goede bescherming tegen zon en regen.

In de hoofdstraat is een dagelijkse markt van 7:00 tot 10:00 uur in de morgen. Deze is drukbezocht en goed bevoorraad. Aan beide kanten van de straat zijn kleine winkeltjes waar de kooplieden hun waren in de openlucht aanbieden. Deze spullen staan zonder uitzondering op de grond en papieren parasols, zoals die in Japan, bieden schaduw. Je kunt er bijna alles vinden, van katoen uit Manchester tot Aniline kleurstoffen uit Duitsland. Ook bloemen uit de jungle, die elke ochtend vers geplukt worden en door de vrouwen hier verkocht worden. Je zult geen vrouw vinden in Luang Prabang zonder een verzameling bloemen in kleine mandjes, met proviand voor de dag, die over haar schouder hangt. Uit het boeket trekt ze één of twee bloemen om in haar haarknot te steken. Zelfs de mannen dragen bloemen achter hun oren, zoals bij ons op het Franse platteland men kersen aan het oor hangt.

Zoals ik al eerder schreef, dragen de Laotiaanse vrouwen in Luang Prabang een zwarte rok en daarbij dragen ze ook, net zoals de mannen, een sjaal van geel katoen rond de nek die hun borsten bedekt. Maar vaker dan niet laten ze de sjaal achterwegen en sommige flirtige dames weten precies op het moment dat je langsloopt hun sjaal ietwat te openen -onder het mom van hun sjaal te corrigeren- en je zo even een blik op hun borsten te gunnen. Hun haarknot steekt omhoog en rondom de basis hiervan loopt een kleine ketting van gouden kralen verweeft met echte bloemen. De gouden oorringen worden gevormd door rechte staafjes ter grootte van een potlood, met aan één uiteinde een mooi gesmede bloemsculptuur. Om de polsen hangen armbanden met een vrij grote gouden kronkels die rondom hun eigen as cirkelen. Alle sierraden worden lokaal gemaakt en het goud vinden we in Pak Beng, in de zandbanken van de Mekong. (…)

Kijk echter niet naar hun mond, welke constant lijkt de bloeden door de betelnoten. Ze hebben een complete uitrusting voor deze betelnoten. Er is een potje voor de kalk, een doosje met zalf [bijenwas] voor op de lippen, een kegelvormige houder met daarin de betel bladeren, een tabaksdoos, een doos met arecanoten, het kronkelende mes van zilver versierd met goud en [dat alles] bewaard in een soort mandje van bewerkt zilver. Waarom is het dat zulke mooie dingen de beeldschone Laotiaanse vrouwen zo moeten ontsieren? (…)

En ook al zijn de vrouwen in Luang Prabang relatief makkelijk in de omgang in vergelijking met haar landgenoten (vergeleken met de Europese vrouw, dat is iets heel anders), laat ze niet toe in het openbaar benaderd of aangeraakt te worden. Het aanraken van het gezicht of de borsten van een vrouw is strafbaar met opleg van een boete. Het tarief hangt af van de verschillende lichaamsdelen!

Wat betreft de losse moraliteit waar sommige valselijk over spreken en zo het beeld schetsen dat de Laotiaanse vrouw als een prostituee is, niets is minder waar. Het is duidelijk dat ze makkelijk liefde verkrijgt maar ze behoudt haar eer nadat ze de nacht heeft doorgebracht met haar minnaar. Ze ontwaakt niets later en gaat dan [gewoon] aan het werk om rijst voor het ontbijt in orde te maken, wandelt naar de rivier om water te halen en draagt haar waren naar de markt om te verkopen. Men zal niet zien, zoals in andere steden van het verre oosten, dat ze het onderhouden van hun mooiheid als dagtaak aannemen. In Luang Prabang is liefde een gevolgtrekking van het leven. Voor deze mensen moet het leven zo gelukkig mogelijk geleefd worden, en daarom is het zo vaak feest.

1 april 1895

Twee keer per jaar, in april en november, neemt het feest van de eedaflegging plaats. Ik had het geluk hier op de eerste dag van april bij aanwezig te kunnen zijn. Op deze dag gaat de koning met veel plomp tezamen met de Senam [ministers] in vol ornaat in een processie naar de pagode van Wat Mai. Vergezeld door zijn broer, de chao (prins), Tachavong en de tweede koning. In de tempel staan stoelen voor de koning en zijn Europese gasten, even verderop staan kruiken met gezegend water. Nadat de monniken, hun gezicht verstopt achter waaiers, zodat ze niet afgeleid worden, klaar zijn met preken, begeeft één van de Senam zich naar het midden van de zaal en legt daar de eed van loyaliteit af. Na een buiging naar het Boeddhabeeld dompelen ze hun zwaard in de kruik met gezegend water. (…)

2 april 1895

Het is de dag van het “besprenkelen van de monniken”. Een monnik, gezeten in een soort huisje van verguld hout, wordt door acht mensen op hun schouders rondgedragen door de straten, gevolgd door een rij jonge monniken, vrouwen en lachende en prevelende mannen. Bij elk huis wachten de vrouwen die daar wonen op de processie, omringd door potten vol water, totdat de draagstoel voorbijkomt, en dan gooien ze het water –niet altijd even schoon- vrijelijk naar de monnik en de jonge monniken. De monniken, totaal doordrenkt van het water, even geen kik en dragen dan potten met spullen weg die ze onderweg na elke waterpartij krijgen. De koning zelf ondergaat deze douche ook. Op deze dag mag men alles wat men maar wil gooien en hij zei me dat ze hem soms water toegooien waarin ontlasting zit. Hoe poëtisch!

Bronnen en meer

  • Bovenstaande teksten komen uit het volgende boek:
  • Travels in Laos: The Fate of the Sip Song Pana and Muong Sing (1894-1896), E. Lefèvre, White Lotus, ISBN 9748496384.
  • Voor de liefhebber meer foto’s en info mbt de missie van Auguste Pavie: pavie.culture.fr/
  • Zie ook dit Franse boek over de Mission Pavie met oude foto’s, tekeningen en kaarten:archive.org/details/missionpaviein01pavi/

» Laat een reactie achter


Rating: 5.00/5. From 13 votes.
Please wait...

1 reactie op “Een reis door Laos in 1894-1896”

  1. Erik zegt op

    Rob V, dank voor deze bijdrage. Snuffelen in oude boeken en met name reisverslagen doe ik net zo graag als jij. Het vergroot de kennis over land of regio en over de bevolking.


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website