De Thaise geschiedschrijving gaat bijna uitsluitend over de staat, de heersers, de koningen, hun paleizen en tempels, en de oorlogen die ze voerden. De ‘gewone man en vrouw’, de dorpelingen, komen er maar bekaaid van af. Een uitzondering daarop is een invloedrijk boekje uit 1984, welke de geschiedenis van de Thaise dorpseconomie in beeld brengt. In zo’n 80 bladzijde en zonder hoogdravend academisch jargon neemt professor Chatthip Nartsupha ons mee terug in de tijd.

Het boekje veroorzaakte vele discussies en is nog steeds in druk.

Het bijzondere van Chatthip zijn publicatie is dat hij de inhoud voor een groot deel baseerde op interviews met 250 oudere dorpelingen verspreid over heel Thailand, die meer inzicht gaven over de omstandigheden in de dorpen in de 19e en begin 20e eeuw. De oudste was een 103-jarige man uit Kalasin (de Isaan). Hij begint zijn verhaal met een korte inleiding van de economie in Thaise dorpen vóór 1445, waarna een beschrijving volgt van de dorpseconomie tussen 1445 en 1855 en hij sluit af met de veranderingen daarna tot 1932.

De dorpseconomie is zelfvoorzienend

Chatthip begint zijn verhaal met deze korte zin: ‘De Thaise volkeren zijn rijstboeren’. Zij beoefenen de natte rijstbouw in de valleien en op de vlakten. In de heuvels wonen andere volkeren die de droge rijstbouw combineren met andere gewassen. De dorpseconomie is zelfvoorzienend: dorpelingen bouwen zelf hun huizen, spinnen en weven, maken boten, doen aan visvangst en vinden groente en fruit in de nog overvloedige bossen. Door de overvloedige natuur is het mogelijk om ook zonder veel technische vooruitgang een redelijke standaard van levensonderhoud te handhaven. Met naburige dorpen is er maar in beperkte mate ruilhandel: bijvoorbeeld rijst in ruil voor vis. Met de verdere buitenwereld is weinig tot geen contact.

De dorpelingen vormen een hechte gemeenschap waar iedereen meedoet met de werkzaamheden die in onderling overleg worden verdeeld.  Verschil in sociale klasse is dus zeer beperkt.  Er is geen persoonlijk landeigendom want al het land behoort aan de koning. Er is alleen een gebruiksrecht, maar ook dat gaat in gezamenlijk overleg tussen de dorpelingen. Invloeden van buiten op wetten en regels in die dorpsgemeenschap zijn er niet, de inwoners besturen zichzelf volgens overgeleverd gedachtegoed.

Vrouwen zijn een volwaardig en belangrijk deel van de maatschappij. Namen, familienamen en erfenissen worden overgedragen via de vrouwelijke kant van de familie. Bij een huwelijk moet de echtgenoot eer betonen aan de voorouders van de vrouwelijke kant.

De staat, koningen, edelen, ambtenaren en monniken

Op enkele uitzonderingen na bemoeit de staat zich niet met het dorpsleven. De dorpelingen zijn juist bang voor de invloed van de staat en proberen die zoveel mogelijk te vermijden en soms te bestrijden. Vanaf 1445 gaat de staat zich, beetje bij beetje, meer doen gelden. Wanneer de staat aan het eind van de 19e en begin 20e eeuw haar macht door heel het land begint op te leggen heeft dit vele kleinere en grotere opstanden tot gevolg in het noorden en noordoosten van Siam. Een zekere afkeer van de overheid is zeker in de tijd tot 1900 (en in mindere mate daarna) een gegeven.

Daar waar de dorpelingen onder de invloed van de staat komen begint ze ook in aanraking te komen met het boeddhisme. In tegenstelling van wat vaak wordt geschreven krijgt het boeddhisme maar langzaam voet aan de grond. Dit omdat het vaak niet strookt met de belangrijkste geloofsopvatting: het geloof in geesten en de geestenwereld. Zo vereren de dorpelingen de geesten van hun voorouders en van de natuur. Monniken worden nogal eens gezien als een verlengstuk van de staat, die met hun opvattingen over de vele verworven verdienste, de status van koningen en edelen ophemelen. Monniken bewijzen dat de Boeddha sterker is dan de geesten door op crematieplaatsen te gaan slapen, of zij bewijzen ook eer aan de geesten en maken het zo een onderdeel van het plaatselijke boeddhisme.

Belastingen en corveediensten

Ondanks de grote afstand tussen dorp en de staat (de heersende klasse) moeten de dorpelingen wel zorgen voor voldoende inkomsten voor de staat door middel van belastingen. De dorpelingen betalen jaarlijkse belastingen aan de staat, vaak in de vorm van kostbare bosproducten zoals huiden, vogelnesten, ivoor, hoorn, lak, zijde, jute, katoen en houtsoorten, maar daarnaast ook goud en zilver, opium en rijst.

Naast belastingen moeten de dorpelingen ook mankracht ter beschikking stellen, dit door middel van corveediensten. De dorpelingen vrezen deze gedwongen corveediensten die alle mannen drie tot zes maanden per jaar moeten uitvoeren. Zij moeten dan opdraven als soldaat of ze bouwen aan forten, graanschuren, paleizen en tempels. Ook graven ze kanalen, bouwen aan wegen en zorgen voor transport van edelen en hun bagage.

Al die tijd moeten ze zelf zorgen voor hun eigen onderhoud en hebben ze scheldpartijen en zweepslagen op te koop toe te nemen. Men moet de familie, vrouw en kind, in de dorpen achter laten. Het zal wel zeker de positie van deze achtergebleven vrouwen in de dorpen hebben verstevigd. Meer dan eens ontvlucht men de staat en de corveedienst door (dieper) de bossen in te vluchten, buiten bereik van de staat. Door te vluchten, zich te verstoppen, als monnik in te treden, te doen alsof ze niets begrepen of langzaam de werken kunnen de mannen proberen aan de corveedienst te ontkomen.

Sakdina en feodalisme

De maatschappijstructuur in Siam zoals hierboven beschreven wordt Sakdina genoemd. Dit systeem kwam tot stand in 1455 in het koninkrijk van Ayutthaya. Het lijkt op het feodale systeem in Europa tot de opkomst van het kapitalisme maar kent ook verschillen. De feodale heren in het westen bemoeiden zich veel meer op directe wijze met hun onderdanen, hun leven en hun economische situatie. Ze hadden daarmee veelal een zekere persoonlijke band: Foto’s uit het westen van begin vorige eeuw laten heren zien getooid met hoeden en mannen met petten. Maar ze staan wel dicht en al pratend bij elkaar. In Siam onder het sakdina systeem waren er geen persoonlijke contacten tussen de staat en de dorpen.

De dorpen kunnen hun eigen interne structuur en banden behouden, maar ze moeten dus wel corveediensten leveren en belastingen betalen. De staat groeit zo in macht en ontstaat er een klasse van aan de staat verbonden edelen.

De familiebanden in de dorpen zijn sterk, ook de slaven ziet men als onderdeel van de familie. Deze slaven doen gewoon mee aan werkzaamheden in en rondom het huis, er is geen spraken van grootschalige dwangarbeid op bijvoorbeeld plantages of in mijnen. Slaven zijn veelal mensen met schulden of tijdens oorlogen tot buit gemaakte personen.

Door de sterkte interne banden op het dorpsniveau kan zich daar lokaal geen bourgeoisie klasse ontwikkelen.  De staat heeft nauwelijks invloed op de relaties binnen de dorpen. Boeren blijven vasthouden aan oude anarcho-socialistische maatschappelijke structuren, maar niet zodanig uitgesproken dat dit door de staat als gevaar wordt gezien.

Vanaf 1861 komt er einde aan officieel een einde aan dit systeem, maar het zal nog tot de revolutie van 1932 duren voordat ook de laatste restanten van het sakdina systeem geheel verdwenen zijn.

De veranderingen in de Thaise economie na 1855

Over het algemeen gaan de wetenschappers er van uit dat het Bowring Verdrag uit 1855 met Engeland, en later ook met andere landen, de handel los heeft gemaakt van het Siamese hof. Het land opent zich zo voor meer kapitalistische invloeden, vooral uit het westen. De veranderingen in de economie worden het eerst zichtbaar in Bangkok en omgeving. De omvang van de handel neemt toe, rijst wordt het belangrijkste exportproduct. In 1870 exporteert men slechts 5% van alle op de centrale vlakte geproduceerde rijst maar dat groeit naar 40% in 1907. Mede door betere infrastructuur zoals telegraaflijnen en spoorwegen dringen de veranderingen geleidelijk door naar de andere regio’s van het land. In de periode 1920-30 bereikt het spoor Chiang Mai in het noorden en Nong Khai en Ubon Rachathani in de Isaan. Dit maakt groeiend transport van goederen naar Bangkok en verdere export mogelijk.

In de periode van 1875 tot 1905 wordt onder koning Chulalongkorn het corvee systeem en de slavernij geleidelijk afgeschaft. Belastingen worden niet meer geheven in natura maar in geld. Dat legt een grote druk op de nog arme bevolking en leidt in de jaren rond 1900 tot een aantal opstanden in het noorden en noordoosten. Werkkrachten komen nadien vooral uit China, een meerderheid keert na enige jaren terug naar hun vaderland maar een zekere groep vestigt zich definitief in Siam. Deze zo geheten Sino-Thai investeren in rijstmolens, banken en later ook in andere industrieën. De handel in teakhout in het noorden, met name door de Britten en Birmezen, neemt een grote omvang aan in de eerste decennia van de 20e eeuw.

In 1950 stopt deze werkmigratie en komt een steeds grotere groep Thais vooral uit de Isaan naar Bangkok en omgeving om in de grote vraag naar arbeiders aldaar te voorzien. In diezelfde jaren begint landeigendom vorm te krijgen. in de Centrale Vlakte bezitten vooral de adellijke en grote landeigenaren honderden rai land. In de overige regio’s zijn het de kleinere boeren, met 10-30 rai aan landbezit. De handel neemt toe terwijl ambachten als weven voor eigen gebruik afneemt. Toch ziet Chartthip tot 1950 in meer afgelegen gebieden nog steeds veel zoals hierboven geschetste traditionele dorpen. 

Lof en kritiek op dit werk van Chatthip

Chartthip wilde de geschiedenis van het ‘gewone volk’ naar voren halen en zijn werk viel wat dat betreft in goede aarde bij antropologen, taalkundigen en bij culturele studies. De pogingen die sinds het Rattanakosin tijdperk (na de stichting van Bangkok) zijn gedaan om de rol van de koning, ook in vroegere tijden als Sukhothai en Ayutthaya, uit te vergroten en zelfs te verheerlijken kwamen in een ander daglicht te staan. Gretig verwezen sommigen naar de mooie ‘Thaise’ en unieke dorpscultuur waar gelijkheid en samenwerking de basis voor vormde. De staat was geen speler op het maatschappelijke vlak, soms was de staat juist een tegenspeler in vooruitgang behalve waar het technische zaken betrof.

Wetenschap bestaat bij de gratie van critici. Critici wijzen er op dat Chatthip de dorpsgemeenschap uit vroeger tijden romantiseert. Ook wijzen ze erop dat de handel al eerder een grotere rol speelde in Siam. Zo zou in het begin van de 19e eeuw de rijsthandel al toegenomen zijn en ontstond er een begin van burgerij, een groep tussen dorp en paleis. Ook industrieën als keramiek in de provincie Sukhothai, waren al eeuwen oud. Chartthip had ook enige zelfkritiek: de beslotenheid en naar binnen gerichte blik in de dorpen verhinderde juist een aanpassing aan een moderne economie en heeft op die manier misschien wel bijgedragen aan haar teloorgang.

 Bron: Chatthip Nartsupha, The Thai village economy in de past, Silkworm Books, 1997

Met dank aan Rob V. voor zijn input.


» Laat een reactie achter


Rating: 4.94/5. From 18 votes.
Please wait...

2 reacties op “De Thaise dorpseconomie in vroegere tijden”

  1. Hans Pronk zegt op

    Bedankt Tino (en Rob) voor deze bijdrage. Het dorpsleven interesseert mij ook.
    Maar er zijn nieuwe ontwikkelingen te melden, namelijk dat het door de vorige koning geintroduceerde Khok Nong Na model toch al wat vorm begint te krijgen. Zo heeft een dorpsschooltje hier in de buurt 100.000 baht subsidie gekregen om iets op die basis op te zetten (en daar zijn ze nu druk mee bezig). Het model is gebaseerd op zelfvoorziening.
    Voor de geinteresseerden heb ik een deel van een artikel uit de Bangkok Post gekopieerd:
    The Khok Nong Na model is a new agricultural concept based on the New Theory Agriculture and the Sufficiency Economy philosophy initiated by His Majesty King Bhumibol Adulyadej The Great.
    Khok Nong Na has the ultimate goal of creating a good life with agricultural best practices championed by King Rama IX.
    The Khok Nong Na model refers to the application of indigenous farming wisdom to produce a modern-day farming method intended for the kingdom’s new generation of farmers.
    The model divides land into four parts: 30% for irrigation water storage, 30% for growing rice, 30% for growing a mixture of plants and the remaining 10% reserved for residential and livestock areas.
    The Khok Nong Na model sets a goal of planting at least 10 million perennial trees in farms that adopt the concept. The trees do not have to be a cash crop and can even be used as a guarantee when the farm owner applies for a loan with the government.
    “For small farms of 1-3 rai, we want to turn them into a source of local wisdom. We give them five years to develop themselves as a learning centre to give advice to people in their communities, teaching them about how to do agriculture in line with the Sufficiency Economy concept and the New Theory.
    “The Khok Nong Na project has many underlying objectives. We hope that it could serve community tourism by offering services to tourists who come to enjoy nature while learning about agricultural practices championed by the project.”
    Once the project expands nationwide, the director-general said the department would allow farmers and even temples to run it by themselves without financial assistance from the department. However, the department would continue its technical support for Khok Nong Na farms such as the use of Big Data and satellite technology.

  2. Tino Kuis zegt op

    Geen dank, Hans. Ik vind het leuk dit soort verhalen te maken.

    The Khok Nong Na model is a new agricultural concept based on the New Theory Agriculture and the Sufficiency Economy philosophy initiated by His Majesty King Bhumibol Adulyadej The Great.
    Khok Nong Na has the ultimate goal of creating a good life with agricultural best practices championed by King Rama IX.

    Het zou best kunnen zijn dat Koning Bhumibol zijn ideeën uit het genoemde boekje haalde maar ik weet dat ook het boek Small is Beautiful van E.F. Schumacher door de koning werd gewaardeerd en hij baseerde zijn sufficiency economy philosophy vooral op dit boek.

    Ik denk dat het een goed initiatief is. Hoe meer diverse, dicht bij huis landbouw hoe beter. Of je het echt ‘zelfvoorzienend’ mag noemen, betwijfel ik. Smartphones en scooters en zo. Alle economie in alle Thaise dorpen is onherroepelijk verbonden met de wereldeconomie. (ik schreef eerst ‘verboden’ in plaats van ‘verbonden’)


Laat een reactie achter

Thailandblog.nl gebruikt cookies

Dankzij cookies werkt onze website het beste. Zo kunnen we je instellingen onthouden, jou een persoonlijk aanbod doen en help je ons de kwaliteit van de website te verbeteren. Lees meer

Ja, ik wil een goede website