
Op dag tweeëntwintig hing er een rode lap aan het hek aan de westkant.
Mook zag het niet zelf. Vanaf niveau twee kon je het hek aan de westkant niet zien. Wat ze wel kon zien, was Lin, die om kwart voor zes ’s ochtends het ontbijt bracht, en Lin die op een toon die niet bij Lin paste zei: “Goedemorgen, Mook, mooi weer vandaag.” En het was geen mooi weer, het regende, en Lin zei nooit iets over het weer, en de zin was te lang, en vandaag werd uitgesproken alsof het belangrijk was.
Mook knikte. “Inderdaad. Bedankt voor de yoghurt.”
Er was geen yoghurt. Lin glimlachte met haar mond.
De deur ging dicht.
De rest van de dag deed Mook haar werk.
Ze sprak met een man uit Penang die wilde investeren in iets dat niet bestond. Ze sprak met een man uit Macau die zijn vrouw niet meer leuk vond en geloofde dat een aardige Aziatische dame online beter naar hem zou luisteren. Ze sprak met een Australiër die per ongeluk had gebeld en door haar in tien minuten was overgehaald om niet zomaar op te hangen. Khun Sirin liep tweemaal langs en knikte tweemaal. Het was een goede dag voor Wij. Het was een dag waarop ze niemand wilde herinneren aan haar bestaan.
Tijdens de lunch zag ze Lin in de gang met een tas. Ze keken elkaar aan. Lin schudde heel licht het hoofd. Niet doen. Vraag niets.
Om twee uur ’s middags ging de stroom uit voor het eerst.
Niet lang. Misschien dertig seconden. Lang genoeg dat de monitor donker werd en weer opstartte. Lang genoeg dat de man uit Macau dacht dat zij had opgehangen. Lang genoeg dat Khun Sirin met haar telefoon naar de gang liep en daar twee minuten praatte in een taal die Mook niet kon volgen en met een toon die niet hoefde te worden vertaald.
Toen ze terugkwam was haar gezicht hetzelfde als voorheen. Maar haar handen waren niet hetzelfde. Haar handen bewogen sneller. Haar handen wisten al iets dat haar gezicht nog niet had toegegeven.
Om vijf uur stond Mook in het keukentje.
Lin was er niet. In plaats van Lin was er een meisje dat ze nooit had gezien. Het meisje wisselde de fruitschaal niet, ze keek naar Mook en weer weg, en in haar zak zat een telefoon die trilde, en ze deed alsof ze hem niet voelde.
“Waar is Lin?”
“Ziek.”
“Sinds wanneer?”
“Vandaag.”
Het meisje liep weg. Snel. Bijna te snel.
Mook bleef alleen achter in het keukentje. Ze keek naar de koelkast. Ze dacht na over of ze hem zou schuiven. Het was vijf uur. Niet vijf uur ’s ochtends. Vijf uur ’s middags. Op de personeelstrap zou nu niemand zijn, of iedereen zou er zijn, en ze wist niet welke van de twee, en dat onwetend zijn was zelf het antwoord.
Ze schoof de koelkast niet.
Ze ging terug naar haar bureau en deed alsof ze drie e-mails beantwoordde aan klanten die niet bestonden.
Om kwart voor acht ’s avonds ging de stroom uit voor de tweede keer.
Deze keer kwam hij niet meteen terug.
Mook zat op haar kamer met de gordijnen open. Het was donker. Echt donker. Niet stadse-nacht-donker maar buiten-de-stad-donker, het soort donker dat je in Bangkok niet meer kent maar in een dorp wel. Aan de horizon, in het oosten, was de oranje gloed van vannacht weer terug, dichterbij dan gisteren of misschien even ver maar feller, ze wist het niet, ze was geen expert in branden.
Ze hoorde stemmen op de gang. Mannen. Snelle stemmen. Niet schreeuwend, niet rustig. Het ertussenin. Het soort gesprek dat plaatsvindt op het moment dat een plan begint te haperen en mensen die normaal de structuur zijn, ineens improviseren.
Een deur sloeg dicht.
Ergens beneden ging een sirene. Niet politie. Een ander soort. Een gebouwsirene. Drie korte stoten en stop. Stilte van drie tellen. Drie korte stoten en stop. Mook had die sirene nooit eerder gehoord, en als je een sirene hoort die je niet eerder hebt gehoord, betekent dat iets, en wat het betekende kon ze niet zelf bedenken.
De stroom kwam terug.
Maar niet helemaal. Het licht was zwakker. De airco bleef uit. Ergens zoemde een generator, ver weg, met een geluid dat niet gelijkmatig was.
Khun Sirin kwam binnen zonder te kloppen.
“Aankleden.”
“Wat is er.”
“Aankleden. Niet de witte blouse. Iets donkers. Snel.”
“Khun Sirin…”
“Mook, niet vragen. Snel.”
Khun Sirin liep alweer weg. Mook bleef staan met haar pyjama nog aan en haar hart op een tempo dat ze in elf dagen niet had gevoeld.
Ze trok een donkere broek aan. Een grijs shirt. Haar haar in een staartje. Schoenen zonder veters, want veters losmaken kostte tijd en alles wat tijd kostte was ineens niet meer beschikbaar. Het houten amuletje stopte ze in haar bh. Het was warm.
In de gang stonden vijf andere meisjes. Allemaal donker gekleed. Allemaal met de blik van iemand die iets weet zonder het te weten.
“We gaan verplaatsen,” zei Khun Sirin. “Niet praten. Loop achter mij aan.”
“Waarheen?”
“Niet praten.”
Op de trap viel de stroom voor de derde keer uit.
Deze keer ook het noodlampje. Volledige duisternis. Een van de meisjes piepte, kort. Khun Sirin zei iets in het Khmer, scherp. De meisjes zwegen.
Mook stond op de overloop tussen niveau twee en niveau één. Ze kon het niet zien maar ze wist het. Ze kon Khun Sirin horen ademen voor haar. Ze kon de andere meisjes horen ademen achter haar. Ze kon, heel zwak, beneden, een andere groep horen, ook in het donker, ook gestopt, en ergens iemand die in het Khmer iets schreeuwde naar iemand anders, en het antwoord was geen antwoord maar een schreeuw terug, en de schreeuw was het soort schreeuw waarbij iemand niet de baas was maar wel de baas wilde zijn.
Mook deed iets stoms.
Of misschien deed ze het slimme, ze wist het niet, want slim en stom verschillen vaak alleen in welke kant het toeval valt.
Ze stapte uit de rij.
Niet ver. Twee passen achteruit. Ze drukte zich tegen de muur. Ze ademde door haar mond zodat haar neus geen geluid maakte. Ze wachtte.
De stroom kwam terug. Een zwak licht. Khun Sirin telde de meisjes. Mook hoorde haar tellen. Een. Twee. Drie. Vier. Vijf.
Vijf.
Khun Sirin keek niet om. Khun Sirin had geteld en de uitkomst was vijf en vijf was minder dan zes maar Khun Sirin was bezig en in de andere gang werd nu door iemand iets bevolen en Khun Sirin moest doorgaan, want de logica van haar avond was niet meer Mook tellen, het was de meisjes naar buiten krijgen, en het ene gemiste meisje zou een probleem voor later worden.
Ze liep door. De groep liep door. De deur boven aan de trap viel dicht.
Mook stond in een trapportaal in een gebouw waarvan ze niet meer wist welk niveau wat was, en ze was alleen, en haar adem was te luid, en ergens twee verdiepingen lager riep een man iets waar niemand op antwoordde.
Ze kende maar één plek.
Het keukentje. De koelkast. De personeelstrap.
Ze rende.
Niet hard. Hard rennen maakt geluid en geluid maakte je dood, of erger. Ze liep snel, op de ballen van haar voeten, met haar hand langs de muur. Het keukentje was leeg. De fruitschaal was er nog. Iemand had drie appels achtergelaten en een halve fles water. Mook pakte de fles. Ze pakte de appels. Ze stopte ze in haar zakken alsof het belangrijk was.
Het was belangrijk.
Ze schoof de koelkast.
Achter de koelkast was de deur.
Ze ging de personeelstrap af.
Op de eerste verdieping deed ze de deur op een kier.
Geen Boy.
Geen niemand. De gang was leeg. Het tl-licht aan het einde flikkerde sneller dan eerder, of misschien was het altijd al zo geweest en had ze er niet op gelet. Aan het einde van de gang, bij de eetzaal, lag iets op de grond. Ze keek twee tellen voor ze zag wat het was. Een dienblad. Omgekeerd. Eten over de tegels.
Niemand had het opgeruimd.
Dat was het ergste. Niet het dienblad. Het feit dat niemand het had opgeruimd. In drieëntwintig dagen had ze geleerd dat alles werd opgeruimd, altijd, snel, want opgeruimd zijn was de oppervlakte van controle, en als er iets niet was opgeruimd, betekende dat de oppervlakte van controle was gebroken.
Ze hoorde voetstappen.
Niet voor haar. Achter haar. Op de trap waar ze net vandaan kwam. Twee paar voetstappen. Snel. Mannen.
Ze deed de deur dicht. Ze liep in de gang. Ze rende nu. Niet meer voorzichtig. Voorbij het dienblad, voorbij de eetzaal, voorbij een open deur waar iemand op de grond zat met haar handen om haar knieën, niet huilend, gewoon zittend, en Mook zag het en Mook bleef niet staan.
Ze sloeg een hoek om.
En botste tegen Boy op.
Hij greep haar bij haar schouders. Hard.
“Mook.”
“Boy.”
Hij keek over haar schouder. Hij keek terug. Zijn ogen waren wakker op een manier die hij in haar bijzijn nog nooit had gehad.
“Heb je ze gezien? De rode lap?”
“Lin zei vanmorgen iets over mooi weer. Ik hoopte dat dat het was.”
“Het was het. Het hek bij de westkant. Drie bewakers minder. De vierde slaapt.”
“Hoe weet je dat.”
“Iemand heeft iets in zijn thee gedaan.”
“Wie.”
“Niet ons probleem. Onze probleem is nu of we lopen of niet.”
Stilte van een tel.
“Lopen,” zei Mook.
Boy knikte.
Ze liepen.
De achterdeur van de keuken was open.
Niet wagenwijd. Op een kier. Maar niet op slot. Iemand had hem opengelaten. Of iemand had hem opengelaten omdat iemand anders hem niet had dichtgedaan. Het maakte niet uit waarom. Hij was open en zij waren erbij en de tijd was nu.
Buiten was het donker en warm en het regende niet meer. De lucht rook anders dan de lucht in. Niet beter. Anders. Vrijer en vuiler tegelijk, alsof iemand de filter eraf had gehaald.
Twintig meter naar de muur. Bij de muur, links, het hek waarvan Boy had gesproken. Daar, hangend aan een paal, een lap. In het donker zag het niet rood uit. Het zag zwart uit. Maar het was er. Het had er de hele dag gehangen.
Ze renden.
Bij het hek bukten ze. Onder het hek, op de plek waar het laagste deel was, had iemand de aarde weggeschept. Niet veel. Genoeg dat een persoon erdoor kon, met moeite. Niet één persoon had dat gedaan in één nacht. Meerdere mensen, gedurende dagen, kleine beetjes, hadden onder het hek gegraven. Mensen die wisten dat zij hier nooit doorheen zouden komen omdat ze al verplaatst waren of erger, maar die het toch hadden gedaan, omdat iemand er ooit doorheen zou komen en dat iets was.
Mook ging eerst.
Onder het hek. Aarde in haar shirt. Een steen tegen haar dijbeen. Een schaafwond op haar elleboog die ze pas later zou voelen.
Aan de andere kant: niets. Geen pad, geen weg, geen licht. Velden. Verder weg, ergens, een boom. Verder weg dan de boom: Thailand of Cambodja of geen van beide, dat hing af van waar je stond, en ze stonden nu nergens.
Boy kwam achter haar door.
Hij stond op. Hij keek naar haar. In het zwakke licht van de gloed in de verte zag ze zijn gezicht voor het eerst echt. Niet door een glazen deur. Niet door een kier. Recht.
Hij was kleiner dan ze had gedacht. Zijn ogen waren ouder dan zijn gezicht. Hij had een litteken bij zijn linker wenkbrauw dat ze nooit eerder had gezien.
“En nu?” zei hij.
“Nu rennen we tot we niet meer kunnen.”
“En dan?”
“En dan rennen we nog een stukje.”
Hij lachte. Niet hard. Niet veel. Maar het was de eerste echte lach die ze van hem had gehoord, en het was donker, en achter hen brandde iets, en voor hen was niets, en hij lachte.
Ze rende.
* * *
Eerder in deze serie verschenen:
- Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
- Lachen of Verdwijnen – De Baan van haar Leven (deel 1)
- Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)
- Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
- Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
- Lachen of Verdwijnen – De Verhuizing (deel 5)
- Lachen of Verdwijnen – De Achtertrap (deel 6)
- Lachen of Verdwijnen – Geruchten (deel 7)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.




