()

De advertentie was te mooi om waar te zijn, en dat had Mook moeten weten.

Klantenservice in een hotel in Poipet. Engels en Thai. Vijfendertigduizend baht per maand, kost en inwoning inbegrepen, geen ervaring vereist. De vrouw aan de telefoon had een zachte stem en een Bangkok-accent. Ze had gelachen om Mooks grap over haar cv (“drie maanden bij een 7-Eleven en één zomer bij een tante die garnalen verkocht, dus ik beheers het hele spectrum van de retail”), en dat lachen had Mook overtuigd. Mensen die lachen om jouw grappen zijn niet gevaarlijk. Dat was haar regel. Het was een slechte regel.

Ze stapte in Nong Khai op de bus om half zes ’s ochtends. Haar moeder had haar naar het station gebracht en bij het afscheid drie keer hetzelfde gezegd: bel als je er bent, bel als je er bent, bel als je er bent. Mook had gezegd dat ze zou bellen. Ze had haar moeder een zoen gegeven en gezegd dat ze met de eerste maand salaris een nieuwe rijstkoker zou kopen, want die oude maakte geluiden alsof er iets in stierf.

“Iets stierf er ook,” had haar moeder gezegd. “Mijn geduld.”

Dat was de laatste keer dat Mook haar moeder had laten lachen.

De bus reed zuidelijk. Udon Thani, Khon Kaen, Korat. Bij elke stop stapten er mensen uit en mensen in en Mook keek naar buiten en at de gebakken kip die haar moeder in folie had gewikkeld. Ze stuurde een berichtje naar haar zus. Bus is koud genoeg om vlees in te bewaren. Denk dat de chauffeur ons wil verkopen. Haar zus stuurde een lachende emoji terug. Mook keek naar het scherm tot het uitging.

In Aranyaprathom moest ze overstappen. Een man met een bordje stond bij de uitgang. Sukanya P. Haar naam, correct gespeld. Dat was het eerste teken, achteraf gezien. Niemand spelt Sukanya correct.

“Mevrouw Sukanya?”

“Mook is goed.”

Hij glimlachte niet. Hij knikte alleen en pakte haar tas en liep naar een witte pickup. Op de zijkant stond geen logo. Mook zei daar iets over, lichtjes, want ze zei altijd iets, en de man antwoordde dat het hotel meerdere voertuigen had en dat dit de privéwagen van de manager was.

“Indrukwekkend,” zei Mook. “Bij mijn vorige werk had de manager een fiets met een mandje.”

De man lachte niet.

Dat was het tweede teken.

Ze reed met hem richting de grens. De zon stond hoog. Haar telefoon had nog drieënzeventig procent. Ze stuurde haar moeder een bericht. Ben er bijna. Chauffeur is stil maar de airco werkt, dus we noemen het een succes. Het bericht ging weg met één vinkje. Daarna twee. Daarna niets meer, want de man zei dat ze haar telefoon moest opbergen omdat het hotel daar streng in was, regels van de eigenaar, eerste indruk telt.

“Welke eerste indruk,” zei Mook. “Ik werk er nog niet.”

“Sollicitatieprocedure,” zei de man.

Ze borg haar telefoon op.

Bij de grenspost was er weinig drukte. De man gaf haar paspoort aan een official die er nauwelijks naar keek. Er werd een stempel gezet. Er werd geld doorgegeven, niet veel, alsof iemand een cola betaalde. Mook zag het en zei niets. Ze had iets willen zeggen maar de woorden bleven steken op een plek waar grappen normaal vandaan komen.

Aan de andere kant was Cambodja en zag er hetzelfde uit als Thailand, alleen met andere borden. Ze reden door Poipet, langs de casino’s, en Mook verwachtte dat ze ergens daar zouden stoppen, in een van die hotels met te veel verlichting. Maar ze stopten niet. De wagen reed door, de stad uit, een weg op die smaller werd en daarna onverhard.

“Het hotel ligt buiten de stad?”

“Resort,” zei de man. “Rustiger.”

Ze reden veertig minuten verder. Het werd warmer in de wagen. De airco had het opgegeven of was uitgezet. Mook keek naar de man en de man keek naar de weg en op de radio speelde iets in het Khmer dat ze niet verstond, en daartussen kwam af en toe een nieuwsbericht in het Thai, snel en zakelijk, iets over de grens, iets over een tempel, iets over soldaten die ergens stonden waar ze niet hoorden te staan. De man draaide de radio zachter. Mook hoorde nog Preah Vihear en spanning en daarna niets meer.

Ze kwamen aan bij een complex achter een hek. Niet een hotel. Niet een resort. Een rij betonnen gebouwen, drie verdiepingen, ramen met tralies. Aan de poort stonden twee mannen met geweren. Aan de binnenkant nog twee. Het hek ging open en de wagen reed erin en het hek ging dicht.

Mook bleef zitten.

“Uitstappen,” zei de man.

Ze stapte uit. Haar benen voelden niet helemaal als haar eigen benen. Een vrouw met een klembord kwam naar haar toe en zei haar naam, weer correct gespeld, en zei dat ze welkom was en dat het inwerkprogramma morgen begon. De vrouw glimlachte. Het was de glimlach van iemand die had geleerd hoe een glimlach eruitziet.

“Uw paspoort, alstublieft. Voor de administratie.”

Mook gaf haar paspoort. Ze wist niet wat ze anders had moeten doen. De vrouw stopte het in een map. Op de achtergrond, ergens in een open deur, stond een televisie aan. Het geluid was zacht. Een nieuwslezer praatte over iets met een grens. Iemand zette de televisie uit.

“Loop maar mee,” zei de vrouw.

Mook liep mee. Door een deur, een gang, nog een deur. Een kamer met een bed, een bureau, geen raam. De vrouw legde uit dat dit voorlopig haar verblijf was. De vrouw legde uit dat het wifi-wachtwoord later zou worden gegeven. De vrouw legde uit dat het avondeten om zes uur was. De vrouw legde uit en legde uit en Mook hoorde haar woorden maar registreerde alleen dat haar telefoon nog in haar tas zat en haar tas nog bij haar was en dat ze, als ze nu een grap maakte, een hele kleine, voor zichzelf, misschien zou kunnen blijven ademen.

“Mooie kamer,” zei ze. “Net mijn studentenflat. Ik bedoel, die had ook geen ramen. En geen bed. Eigenlijk was het een kast.”

De vrouw glimlachte weer dezelfde glimlach en deed de deur dicht.

* * *

Eerder in deze serie is verschenen:
Lachen of Verdwijnen, een nieuw verhaal van Hans in 10 delen

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter