Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)

De deur ging om zes uur weer open.
Mook had op het bed gezeten zonder te bewegen. Niet uit angst, dat kwam later, maar omdat bewegen iets bevestigd zou hebben dat ze nog niet wilde bevestigen. Zolang ze stilzat was dit een misverstand. Een logistieke fout. Een hotel met een bizar inwerkproces. Ze had drie scenario’s bedacht waarin ze morgenochtend zou lachen om dit verhaal en aan haar zus zou vertellen dat ze even had gedacht dat ze in een gijzeling zat.
Ze geloofde geen van de drie.
De vrouw met het klembord was er niet meer. In haar plaats stond een man, midden dertig, mager, in een wit overhemd dat te groot voor hem was. Hij sprak Thai met een accent dat Mook niet kon plaatsen.
“Eten.”
“Aha,” zei Mook. “Ik dacht al, dit is wel een lange briefing.”
De man keek haar aan zonder uitdrukking. Hij wachtte tot ze opstond. Mook stond op. Ze nam haar tas mee. De man zei niets daarover, wat ze opmerkte en wegduwde, want opmerkingen wegduwen was nu haar werk.
De gang was lang en geel verlicht. Aan beide kanten deuren, allemaal dicht. Ergens achter een van die deuren huilde iemand zachtjes, één keer, en daarna niet meer. Mook wist niet of ze het echt had gehoord of dat haar hoofd alvast geluiden begon te verzinnen om bij de situatie te passen.
De eetzaal was groter dan ze verwachtte. Vier lange tafels, plastic stoelen, tl-licht. Een buffet met rijst en iets bruins en iets groens en een grote pan soep waar niemand naar keek. Ongeveer veertig mensen aten. De meesten waren jong. De meesten waren stil. Sommigen waren Thai, sommigen niet, en Mook hoorde flarden Vietnamees en iets dat misschien Tagalog was en aan een tafel in de hoek werd Mandarijn gesproken door drie mannen die niet aten maar wel keken.
Ze pakte een dienblad. Ze schepte rijst op. Ze koos een tafel waar twee meisjes zaten die haar leeftijd leken. Ze ging zitten en zei sawasdee en de meisjes knikten zonder op te kijken en aten verder.
“Lekker,” zei Mook tegen niemand in het bijzonder, kauwend op iets dat noch lekker noch niet-lekker was, gewoon voedsel in de meest klinische zin van het woord. Een van de meisjes keek even op. Het was geen lach, maar er bewoog iets in haar gezicht en daarna was het weer weg.
Aan de muur hing een televisie. Het geluid stond uit. Een Thaise nieuwszender, beelden van soldaten ergens in de bergen, een kaart met een rode lijn. Iemand had een afstandsbediening op een hoge plank gelegd waar niemand bij kon. Mook keek ernaar en daarna weg.
Na het eten werden ze in groepen verdeeld. Mook hoorde haar naam en liep met zeven anderen mee, een gang door, een kamer in. Geen bordje op de deur. Binnen stonden bureaus, computers, headsets. Een whiteboard met Engelse zinnen erop. Hi, my name is Jessica. I work in customer support for a cryptocurrency platform.
De man die hen ontving was anders dan de eerste. Hij had het soort glimlach dat oefening verraadt. Hij sprak goed Thai, te goed voor iemand met zijn gezicht, wat betekende dat hij het had geleerd voor zijn werk en dat dit zijn werk was.
“Welkom,” zei hij. “Jullie zijn hier om te leren. Het werk is eenvoudig. Wie het systeem volgt, heeft een goed leven hier. Wie het systeem niet volgt…”
Hij maakte de zin niet af. Dat was het systeem.
Mook stak haar hand op.
De man knikte naar haar.
“Sorry, ik dacht dat ik solliciteerde voor een baan in een hotel?”
Stilte. Een van de andere nieuwkomers, een jongen van misschien negentien, hapte naar adem. De man met de glimlach hield zijn hoofd schuin.
“Hoe heet je?”
“Mook.”
“Mook.” Hij sprak haar naam uit alsof hij hem proefde. “De baan is veranderd.”
“Aha. En kan ik dan de vorige baan terug?”
Hij lachte. Het was een korte lach, niet vriendelijk, niet onvriendelijk. Functioneel. Hij wendde zich tot de hele groep.
“Eerste regel: stel geen vragen waarvan je het antwoord niet wilt horen.”
Niemand zei iets. Mook ook niet.
“Tweede regel: paspoort blijft bij ons. Voor jullie veiligheid. De grens hier is moeilijk. Mensen verdwalen. Met paspoort verdwaal je sneller.”
Iemand achter Mook ademde uit, lang, alsof er lucht ontsnapte uit iets dat te lang dichtgehouden was.
“Derde regel: jullie krijgen targets. Wie target haalt, krijgt eten, slaapplaats, telefoonprivileges. Wie target niet haalt…”
Weer de niet-afgemaakte zin. Mook begon de structuur te begrijpen. Het was een taal. Wat niet werd gezegd, was de boodschap.
“Vragen?”
Niemand had vragen.
Ze kreeg een bureau toegewezen. Computer, headset, een script in het Engels en een lijst met namen en telefoonnummers. De namen waren Amerikaans. De nummers begonnen allemaal met +1. Naast haar zat een meisje dat ze nog niet had gezien tijdens het eten, ouder, misschien vijfentwintig, met donkere kringen onder haar ogen die niet van vermoeidheid waren maar van een soort permanente staat.
“Eerste dag?” vroeg het meisje, zonder op te kijken.
“Is het zo duidelijk?”
“Je tas heb je nog.”
Mook keek naar haar tas. Ze had hem aan de stoelpoot gezet. Het meisje schudde licht haar hoofd.
“Die nemen ze morgen. Pak er nu uit wat je wilt houden. Iets kleins. Niet je telefoon, die hebben ze al in het systeem staan. Iets wat ze niet zoeken.”
Mook deed alsof ze in haar tas rommelde. Ze pakte een klein houten amulet dat haar grootmoeder haar had gegeven, niet groter dan een muntstuk, en stopte het in haar bh. Het meisje keek niet, maar Mook had het gevoel dat ze het wist.
“Bedankt.”
“Niet bedanken. Ik vertel het iedereen. Dan zijn er meer mensen met iets om vast te houden, en dat maakt het hier…” Ze zocht naar het woord. “Iets minder leeg.”
Aan het eind van de gang, achter een glazen deur, zat iemand alleen. Een jongen, jonger dan de meeste anderen. Hij had zijn headset af en keek naar het plafond alsof hij iets telde. Hij zag Mook niet. Mook zag hem wel. Ze wist niet waarom haar oog op hem viel. Misschien omdat hij de enige in de hele ruimte was die niet deed alsof.
Toen draaide hij zijn hoofd, heel even, en hun blikken kruisten elkaar door het glas. Hij keek niet weg. Hij keek niet vriendelijk. Hij keek alsof hij iets registreerde en het later zou opzoeken.
Mook keek terug naar haar scherm.
Op het scherm stond haar nieuwe naam.
* * *
Eerder in deze serie verschenen:
Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 1)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.




