Blijven of Verrekken – De wet (deel 5)

Udon Thani, maart 2033
De maatregelen kwamen in maart, alle drie tegelijk, en ze hadden namen die klonken als schoonmaakmiddelen.
Transparantieregeling buitenlands vermogen: elke farang moest zijn wereldwijde bezit boven een drempel aanmelden, op straffe van intrekking van de verblijfsstatus. Herziening financiële vereisten: het banksaldo voor een pensioenvisum ging van achthonderdduizend naar één miljoen baht, twaalf maanden onafgebroken en onaangeroerd op een Thaise rekening, met herkomstbewijs, en met een jaarlijkse herkeuring. En de derde, met de vriendelijkste naam en de scherpste tanden: Evaluatie grondbezitsconstructies, een landelijke doorlichting van percelen op naam van Thaise echtgenoten van buitenlanders, om vast te stellen wie de feitelijke eigenaar was.
De minister lichtte toe. Het ging om het beschermen van Thaise grond en Thaise waardigheid tegen buitenlands misbruik. Na Pattaya, na Phuket, na alles wat het land had moeten slikken, was dit het antwoord. De zaal applaudisseerde. En heel even, op zijn terras, met de krant, was Theo het er bijna mee eens, want ook hij had de koffer niet kunnen vergeten.
Pim las het artikel verder dan Theo. Pim las altijd verder dan Theo.
“Er staat een overgangsregeling in,” zei ze. “Bestaande bedrijfsstructuren met een geregistreerd investeringsplan vallen erbuiten.”
“En?”
“De opkopers zijn bedrijfsstructuren met geregistreerde investeringsplannen. Wij zijn een echtgenote met een farang.”
Theo pakte de krant en las het stuk nog eens, en toen nog eens, en het bleef staan wat er stond. De wet was een fuik met twee openingen, een grote voor de kleine vissen en een kleine voor de grote, en de grote vissen zwommen er allang omheen.
Wie de fuik had gebreid, wist op dat moment maar één iemand in het land, en die zat zevenhonderd kilometer zuidelijker in een halve slaapkamer.
*
Het nieuwe bedrag. Zo ging het miljoen binnen een week heten, op de club en in de groepsapps en op de fora, kortweg, zoals een ziekte na een tijdje alleen nog bij zijn afkorting wordt genoemd.
Henk rekende het hardop uit aan de bar, voor wie het horen wilde en voor wie het niet horen wilde. Wie het op de bank had staan, moest het een jaar lang laten staan, onaangeroerd, terwijl de prijzen stegen. Wie het er niet had staan, moest het aanvullen met euro’s die aan het officiële loket elk kwartaal minder baht opbrachten, want de straatkoers, de echte koers, was voor Thai met contanten, niet voor farang met een visumdossier dat elke wissel registreerde. “Ze hebben een muur gebouwd,” zei Henk, “en wij mogen hem zelf metselen, tegen banktarief.”
En er was iets nieuws bij het ziekenhuis. Wie als farang zonder Thaise verzekering binnenkwam, moest eerst een borg storten, ook op de eerste hulp. Kees had het meegemaakt met zijn heup: eerst de pinpas, toen de foto. En de verzekeraars, die wisten wat er aankwam, hadden de premies voor zeventigplussers verdubbeld of ze zegden op, met een brief vol spijt. Henk was zijn dekking kwijt. Gerrit ook, al zei Gerrit dat niet, dat hoorde je pas later, toen het er niet meer toe deed.
*
Theo maakte die week de andere som, de som die hij al een jaar voor zich uit schoof.
Terug naar Nederland. Hij zette het op papier, echt papier, geen bierviltje, want dit was de nooduitgang.
De inkomsten waren overzichtelijk, dat was het woord. AOW, bevroren, en als je terugkwam duurde het maanden voordat alles weer liep zoals het moest. Het bedrijfspensioen, gekort, met de belofte van verdere maatregelen. Meer was er niet, meer bestond er niet voor een man die was weggegaan, en dat was altijd de afspraak geweest en hij had er nooit over geklaagd. Maar tegenover die twee bedragen stond een land dat hij van de cijfers niet meer herkende. Een vrije huursector waar een tweekamerflat in Emmen meer vroeg dan zijn hele maandinkomen. Een sociale sector met een wachtlijst van negen jaar voor iemand zonder inschrijving, zonder urgentie, zonder regio. Boodschappen waarvan zijn zoon zei dat je er tegenwoordig bij nadacht, en zijn zoon had een goede baan.
En Pim. Pim in Emmen, in januari, in een flat die ze niet konden betalen, veertig jaar nadat ze voor het eerst had gevraagd of het waar was dat het water in Nederland hard werd in de winter.
Hij telde het op, twee keer, en de uitkomst was beide keren dezelfde. De nooduitgang bestond nog. Er stond alleen een muur achter.
Hij vouwde het papier dubbel en legde het in de la bij de paspoorten, en hij dacht aan zichzelf aan de bar, een jaar geleden, met een vol glas in zijn hand. Ik heb marge. Hij hoorde de zin nog vaak. Meestal om vier uur ’s nachts, als de generator aan de overkant het enige geluid in de soi was.
*
De advocaat in Udon heette Khun Wirat en had een kantoor boven een bandenzaak en drieëntwintig jaar ervaring met farang die te laat kwamen.
Hij las de wetteksten die Theo had meegenomen, hoewel hij ze allang kende, want lezen waar de klant bij zit is de helft van het honorarium. Toen zette hij zijn bril af.
“Uw constructie is legaal,” zei hij. “Dat is uw probleem niet. Uw probleem is dat legaal een oordeel is geworden in plaats van een feit. De evaluatie vraagt niet of het mag. De evaluatie vraagt wie u bent, en daar heeft u geen documenten voor.”
“En als het fout gaat?”
“Dan wordt de constructie ontbonden en moet het perceel binnen een jaar worden vervreemd.” Wirat sprak het woord vervreemd uit zonder ironie, wat knap was. “Aan een gekwalificeerde koper. En u weet inmiddels wie er in deze provincie gekwalificeerd is om te kopen.”
Theo vroeg wat verweer kostte. Wirat noemde een bedrag, en noemde daarna ongevraagd het percentage bezwaren dat dit jaar iets had opgeleverd, en die twee getallen samen waren het eerlijkste advies dat Theo in drie jaar had gekregen.
*
De brief voor Pim kwam op een donderdag, vlak voor een weekend waarin je nergens terechtkunt.
Evaluatie grondbezitsconstructie. Perceel zus en zo, tambon zus en zo. Verzoek tot het overleggen van documentatie waaruit de herkomst van de aankoopsom blijkt, alsmede een verklaring omtrent de feitelijke zeggenschap. Termijn: dertig dagen.
Pim las de brief twee keer, staand, bij de deur. Toen vouwde ze hem dicht langs de bestaande vouwen, precies, alsof hij dan minder bestond, legde hem op tafel en ging rijst wassen die al gewassen was.
Theo raapte de brief op en herkende zijn eigen huis in woorden die hij niet kon lezen.
De termijn was dertig dagen. De brief was twaalf dagen onderweg geweest.
* * *
* * *
Eerder in deze serie is verschenen:
- Blijven of Verrekken – De Nieuwe Buren (deel 2)
- Blijven of Verrekken – Het Feest Gaat Door (deel 3)
- Blijven of Verrekken – De Schuld (deel 4)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur1 augustus 2026Blijven of Verrekken – De wet (deel 5)
Cultuur29 juli 2026Blijven of Verrekken – De Schuld (deel 4)
Cultuur21 juli 2026Blijven of Verrekken – Het Feest Gaat Door (deel 3)
Cultuur17 juli 2026Blijven of Verrekken – De Nieuwe Buren (deel 2)
