Uit het Thaise leven gegrepen: net niet genoeg

Door Thailandblogger
Geplaatst in Het leven in Thailand, Isaan
17 september 2026

Om zes uur was het koud genoeg voor een trui, en Ton trok de blauwe aan, die met het gat in de mouw waar hij zijn duim doorheen haakte. Beneden lag de Mekong nog onder de damp. Aan de overkant, in Laos, brandde één lamp die hij elke ochtend zag doven zodra de lucht boven het water grijs werd. Hij zette koffie op het balkonnetje, ging in de plastic stoel zitten die zijn kleur allang kwijt was, en telde de boten. Vandaag drie. Een lege zandbak, een vissersbootje, en verderop iets groots dat hij niet kon thuisbrengen.

Zeventien graden, misschien achttien. In Nederland zou dat een frisse zomeravond heten. Hier trok het zijn schouders omhoog, en dat vond hij fijn, dat beetje kou dat je in de vroegte nog voelde en tegen tienen weer kwijt was. Ans had juist voor de warmte gekozen. Haar knieën, zei ze, konden geen Hollandse winter meer aan. Ze hadden lang op de kaart zitten kijken, aan de keukentafel in Krommenie, tot haar vinger bij deze rivier bleef liggen omdat ze de naam mooi vond. Vier jaar was ze nu weg. Het huisje was gebleven, en het uitzicht dat ze samen had uitgezocht ook.

Na de koffie deed hij de som. Elke maand opnieuw, altijd op hetzelfde blaadje achter in het schrift. Zijn AOW, het kleine pensioentje van de fabriek, bij elkaar. Vroeger, toen ze net kwamen, kreeg je voor een euro bijna veertig baht. Nu bleef het net onder de achtendertig hangen, en de vorige winter was het zelfs even naar zesendertig gezakt. Het lijken kleine getallen. Maar aan het eind van de maand was dat verschil precies de boodschappen van een week, of de tandarts die hij al drie keer had verzet, of de nieuwe bril die hij nog steeds niet had gehaald omdat de oude het net deed.

Onderaan het blaadje stond de huur. Negenduizend baht, voor dit huisje aan de rivier. Volgende maand liep het contract af, en de neef van de huisbaas had al laten weten dat het omhoog moest, want alles werd duurder, zei hij, alsof Ton dat niet wist. Ton had geknikt alsof hij erover na zou denken. Er viel niets over na te denken. Hij telde het na, twee keer, en beide keren kwam hij op hetzelfde uit. Het kon niet meer.

Hij pakte zijn scooter en reed naar de markt, langs de boulevard waar de vroege loopsters in dikke jassen liepen alsof het min tien was. Een van hen zwaaide. Hij zwaaide terug zonder te weten wie het was. Bij het karretje van Daeng stopte hij zoals elke dag. Ze was aan het pofferen met een pan vol olie, en ze begon meteen te praten, over haar dochter in Udon, over de prijs van de vis die weer omhoog was, over een hond die ’s nachts had gejankt en de hele buurt wakker had gehouden. Ton verstond de helft en knikte bij de rest. Ze schepte zijn portie op, deed er zonder vragen een extra lepel bij, en zei dat hij te mager werd, dat hij moest eten, dat een man van zijn leeftijd niet op koffie alleen kon leven. Hij lachte en betaalde de twintig baht die het al jaren kostte, ook al wist hij dat ze er geld op toelegde.

Verderop zat Sombat op zijn krukje bij de dammen. Ze speelden zonder veel te zeggen, zoals altijd. Sombat won, zoals meestal. Toen het bord leeg was, vroeg de oude man waarom Ton de laatste weken zo stil was. Ton zei dat hij misschien ging verhuizen. Sombat keek op van het bord. Weg van de rivier? Waarom zou een mens weggaan van de rivier? Ton haalde zijn schouders op en zei iets over rust, over dat het aan de andere kant van de stad rustiger was, dichter bij de dokter. Sombat knikte langzaam, maar hij keek er niet bij alsof hij het geloofde. Ton begon het bord opnieuw op te zetten om er niet meer over te hoeven praten.

Vijfenhalfduizend, had de vrouw van het kantoortje gezegd. Een rijtjeshuis in een straat achter de Global House, twee kamers, geen uitzicht, geen buren die hij kende. Hij was er die week twee keer langsgereden. Beton, een muurtje van halve hoogte, een droge boom in een pot naast de deur die iemand ooit had geplant en daarna vergeten. De straat rook naar warm asfalt in plaats van naar water. Vijftien minuten met de scooter, meer niet. Op de kaart lag het om de hoek. In zijn hoofd lag het aan de andere kant van de wereld.

Thuis legde hij de vis in de koelkast en ging weer op het balkon zitten, hoewel het nu te warm werd voor de trui. Hij trok hem uit en legde hem over de leuning. Zijn telefoon trilde. Een spraakberichtje van zijn zoon, veertig seconden, over de kinderen die weer naar zwemles gingen, over het weer daar dat al vroeg guur werd, over dat ze het druk hadden met van alles maar dat hij snel eens goed zou bellen, echt, binnenkort. Ton luisterde het twee keer af, niet om de woorden, maar om de stem, om het geluid van een kind op de achtergrond dat iets riep wat hij niet kon verstaan. Toen legde hij de telefoon met het scherm naar beneden op tafel.

Op de vensterbank lag het schoolschrift met de uitslagen. Al twaalf jaar noteerde hij elke zondag of zijn oude club had gewonnen, de tweede klasse, een dorp waar niemand hier ooit van gehoord had. Vorige week gelijkgespeeld, uit, tegen een ploeg onderaan. Hij had geen idee waarom hij het bijhield. Hij was al meer dan tien jaar niet op dat veld geweest en zou er ook nooit meer komen. Hij deed het gewoon, zoals je een gewoonte aanhoudt omdat het stoppen erger voelt dan het doen. Hij pakte de pen, keek naar de laatste regel, en legde het schrift weer weg zonder iets te schrijven.

’s Middags kwam de neef langs met het nieuwe contract voor het rivierhuisje, voor de zekerheid, mocht Ton zich toch bedenken. Negenduizend werd tienduizend. De neef praatte over de markt, over buitenlanders die genoeg betaalden, over dat hij het eigenlijk voor een vriendenprijs deed. Ton bedankte hem beleefd en zei dat hij het zou laten weten. Toen de man weg was, bleef hij lang naar de dichte deur staan kijken, met het papier nog in zijn hand, tot hij besefte dat hij het al die tijd had staan verfrommelen.

Tegen de avond werd het water goud, daarna grijs, daarna zwart. De vissers legden hun netjes uit in de laatste lichtstreep. De lamp aan de overkant ging weer aan, precies op de plek waar hij ’s ochtends uitging. Hij at de vis van Daeng, koud, staand bij het aanrecht, met zijn vingers, omdat afwassen voor één portie hem te veel moeite was. En hij dacht aan wat ze die ochtend had gezegd toen hij wegreed. Kom je morgen weer? Alsof dat vanzelf sprak, alsof er geen ochtend zou komen waarop hij niet meer langs dat karretje zou rijden. Hij had ja geknikt. Hij wist nu al dat hij, zodra hij verhuisd was, niet meer langs die kraam zou durven. Niet omdat het te ver was, want vijftien minuten was niets. Omdat ze zou vragen waar hij nu woonde, en waarom hij was verhuisd, en hij het echte antwoord niet hardop wilde zeggen, niet tegen haar, die er elke dag geld op toelegde omdat ze dacht dat hij het breed had.

Op de tafel lag het andere contract. Vijfenhalfduizend baht per maand, een huurcontract voor een jaar, de straat achter de Global House. De vrouw had met potlood een kruisje gezet waar hij moest tekenen, en er met een pijltje bij geschreven welke regel zijn naam moest dragen. Hij trok de plastic stoel naar binnen, ging zitten en las de regels die hij al kende. Boven aan het blad stond het adres van een straat waar hij niets had, geen rivier om wakker van te worden, geen Sombat om van te verliezen, geen boten om te tellen, geen lamp aan de overkant die met hem opstond en met hem naar bed ging.

Hij haalde de pen uit zijn borstzak, de blauwe Bic waarmee hij ook zijn sommen maakte en zijn uitslagen. Hij klikte hem open. Buiten, beneden, sloeg een golf tegen de kade waar hij het in het donker niet kon zien, alleen horen. Hij hield de punt boven het kruisje en las nog een keer de huur, alsof het getal in de tussentijd anders was geworden.

Over deze blogger

Thailandblogger

1 reactie op “Uit het Thaise leven gegrepen: net niet genoeg”

  1. Mickey zegt op

    Iemand met AOW en een klein pensioen kan zich toch wel een huur van 10.000 baht veroorloven?

    0

Laat een reactie achter