Uit het Thaise leven gegrepen: wie ze moeten bellen

Door Thailandblogger
Geplaatst in Het leven in Thailand, Isaan
25 augustus 2026

Om drie uur werd hij wakker van de kou. December in de Isaan, de dunne deken opgetrokken tot zijn kin, en toch die kou die uit de betonnen vloer omhoog kroop, langs de poten van het bed zijn rug in. Wim bleef liggen luisteren naar niets, geen hond, geen brommer, alleen de koelkast die tikte in de kamer ernaast. Toen kwam de druk op zijn borst. Niet hard, eerst. Een hand die midden op zijn borstbeen leunde, iets naar links. Hij ging rechtop zitten, want rechtop zitten hielp, dat wist hij nog van de vorige keer.

Zijn linkerarm werd zwaar, alsof iemand er zand in had gegoten. Langzaam ademen door de neus, zoals het filmpje op zijn telefoon had voorgedaan, en tellen. Bij twintig zat de druk er nog. Bij veertig ook.

Op het aanrecht lag zijn telefoon, opgeladen, altijd opgeladen. Ernaast, met plakband tegen het keukenkastje, een geplastificeerd kaartje dat hij jaren terug met de hand had geschreven, in het Thais en in het Engels, omdat de printer het toen al niet meer deed. 1669 voor de ambulance. Het ziekenhuis in de stad. En de naam van Kesorn, twee huizen verderop.

Kesorn verkocht eieren, cola en telefoontegoed vanaf haar veranda, en ze noemde hem phi Wim, alsof hij een oudere broer was in plaats van een farang van eenenzeventig die ze amper kende. Vorig jaar, toen hij drie dagen met koorts lag, had ze rijstepap voor zijn deur gezet, in een kom met een schoteltje eroverheen tegen de vliegen. Hij had de kom teruggebracht met tweehonderd baht erin. Ze had het geld niet aangenomen. Dat was zo’n ruzie die hij nog kon winnen.

Acht jaar woonde hij hier. Gekomen voor de rust en de ruimte, en voor een leven dat na de scheiding goedkoper moest, minder vol met mensen die wisten hoe het vroeger was gegaan. De rust had hij gekregen.

Bellen betekende het ziekenhuis, en het ziekenhuis betekende betalen. Zijn verzekering was twee jaar geleden gestopt. Of eigenlijk was hij zelf gestopt, toen de premie voor een man van zijn leeftijd boven de zestigduizend baht per jaar uitkwam en hij aan de keukentafel had zitten rekenen en gedacht: dat red ik zelf wel, ik ben nooit ziek geweest. Een nacht aan een infuus in de stad, met onderzoeken die hij niet zou volgen, kon net zoveel kosten. Geld voor een vals alarm was geld dat niemand terugzag. En als het geen vals alarm was, dan betaalde hij voor een paar dagen uitstel.

Op de rand van het bed luisterde hij naar zijn eigen hart. Het ging te snel, maar het ging. De druk zakte, kwam terug, zakte weer. In de stad stond een ambulance binnen tien minuten voor de deur, had hij eens gelezen. Hier, tussen de rijstvelden, dertig minuten, als het meezat. Dertig minuten alleen met de vraag of dit het was.

Hij pakte de telefoon. Zijn duim ging naar de één, naar de zes. Toen legde hij het toestel weer neer. Het was drie uur. Kesorn moest om vijf uur op voor de markt. Hij zag het al voor zich: haar gezicht in de deuropening, het blauwe zwaailicht dat de buren wakker maakte, het verhaal dat morgen rond zou gaan over de oude farang die midden in de nacht in paniek een ambulance had laten komen voor niets. Liever de kou. Liever alleen.

Want hij was voorbereid, hield hij zichzelf voor. De sleutels van de pick-up hingen aan een spijker naast de deur, altijd op dezelfde plek, zodat hij ze in het donker kon vinden. De weg naar de stad kende hij uit zijn hoofd, elke bocht, de plek waar het smal werd bij de tempel. Op een avond dat er niets aan de hand was, had hij het een keer gereden, gewoon om te weten hoe lang het duurde. Tweeënveertig minuten. Dat had hij op het kaartje geschreven, achter het nummer van het ziekenhuis, alsof het hielp om te weten hoeveel minuten rijden een hartaanval van hulp aflag.

Buiten schraapte een tak over het golfplaten dak. De tak van de mangoboom van Prasit, die over de erfgrens hing en waar Wim al twee jaar niets van zei, sinds Prasit had beweerd dat het zijn boom niet was, maar die van zijn schoonzus. Hij zou het nog wel eens aankaarten. Ooit.

Tegen vieren werd de druk minder. Niet weg, maar minder, alsof er een hand van zijn borst ging en er twee vingers bleven liggen. Hij liet een boer, lang en diep, en schaamde zich meteen, terwijl er niemand was om zich voor te schamen. Misschien was het dat geweest. De rijst van gisteravond, te laat gegeten, te veel vissaus. Misschien was het niets. Misschien was het de generale repetitie van iets wat over een maand echt kwam, of over een jaar, of vannacht over een uur alsnog.

Hij zette water op. Buiten werd het grijs, de kou nu op zijn scherpst, vlak voor de zon. Bij Kesorn brandde al licht. Hij dacht erover naar haar toe te lopen, om gewoon iemand in de buurt te hebben, maar hij deed het niet.

Vier nummers stonden er op het kaartje. Hij trok het los van het plakband en legde het onder de lamp. 1669. Het ziekenhuis. Kesorn. De pick-up, tweeënveertig minuten. Wat er niet op stond, was wie ze moesten bellen als ze hem vonden. Als Kesorn op een ochtend rijstepap voor zijn deur zette en de kom er de dag erna nog stond, vol, met het schoteltje er nog op.

In de la lag een oud adresboekje. Achterin, in zijn eigen handschrift van jaren geleden, stond het nummer van Marit. Zijn dochter. Ze hadden elkaar drie jaar niet gesproken, niet door een ruzie, meer door een stilte die zo lang had geduurd dat je hem niet meer kon doorbreken zonder dat het een ding werd. Of het nummer nog klopte, wist hij niet. Nummers veranderen, mensen verhuizen, een dochter wordt tweeënveertig en heeft een leven waar haar vader allang uit gegroeid is.

Hij pakte een pen. Onder de andere nummers schreef hij het over, in blokletters, in het Engels, zodat Kesorn of de mannen van 1669 het zouden begrijpen. PLEASE CALL MY DAUGHTER. En het nummer. Het kaartje plakte hij terug tegen het kastje, op ooghoogte, waar iemand het zou zien.

Bellen deed hij niet. Het was half vijf in Thailand, half elf ’s avonds in Nederland, en hij wist niet wat hij na drie jaar zou zeggen. Hij wist niet of de telefoon aan de andere kant zou overgaan of dat een vreemde zou opnemen die nog nooit van hem had gehoord. Dat wilde hij niet weten. Zolang hij niet belde, klopte het nummer nog.

De thee was te heet. Hij zette de kom op de veranda, ging op de trap zitten in zijn jas en wachtte tot de zon over de rijstvelden kroop en het beton warm genoeg werd om op te zitten. Verderop startte iemand een brommer. Kesorn schoof haar luik open. Het werd een heldere dag, koel en droog, zo’n dag waarop je niet meer geloofde dat de nacht koud was geweest. Hij dronk zijn thee en nam zich voor om Prasit vandaag toch eens over die tak aan te spreken.

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter