Om tien voor zes strijkt Wandee het overhemd van een man die drie dagen dood is. Het lichtblauwe, met de knoop van de borstzak die er al twee jaar half aan hing. Ze naait hem eerst vast. Dan pas de strijkbout, twee keer over de kraag, zoals ze het altijd deed.

Buiten is het nog niet warm. De lucht ruikt naar de velden die ze verderop hebben afgebrand, en de zon komt oranje boven de daken uit, alsof hij door vuil water kijkt. Eind maart, zesendertig graden tegen de middag, geen wolk. Ze heeft de plastic stoelen bij de tempel al laten neerzetten in de schaduw van de sala, want de gasten van vandaag zijn oud.

Achter in de winkel slaapt haar zoon tussen de wasmanden. Vandaag laat hij zijn hoofd kaalscheren.

Ze vond Kees op maandagochtend, toen de zak met zijn was al twee dagen op de plank stond. Nummer 42, altijd nummer 42, want hij wilde geen ander kaartje. Hij lag naast zijn bed, met één slipper aan. Daarna ging het snel en tegelijk veel te traag: de politie omdat hij thuis was gestorven, een arts voor de verklaring, en binnen vierentwintig uur naar het amphur voor de akte. Ze heeft die dag drie keer haar rijbewijs laten zien en twee keer uitgelegd wie ze was. Een buurvrouw, zei ze. De wasserij op de hoek.

In zijn keukenkast stond een koekblik met 46.000 baht en een briefje in slecht Thais. Wat erop stond, begreep ze pas de tweede keer. Geen ziekenhuis. Tempel hier.

De ambassade in Bangkok, vijfhonderdzestig kilometer verderop, heeft zijn zoon gevonden. Erik. Wandee heeft de naam op het formulier zien staan en hem meteen weer vergeten, en toch weet ze hem nog. De zoon komt niet. Hij vroeg of de as opgestuurd kan worden, en of er kosten aan verbonden zijn. Het was een beleefd bericht. Ze was er niet boos over. Ze merkte vooral dat niemand naar het koekblik vroeg, en dat ze daar opgelucht over was, en dat die opluchting haar iets deed wat ze niet prettig vond.

Drie avonden hebben de monniken gezongen, geen zeven. Met deze hitte wachten ze niet langer dan nodig. De soi kwam elke avond, in het zwart en het wit, met enveloppen. Wandee heeft ze bijgehouden op de achterkant van lege wasbonnetjes, naam en bedrag, in haar eigen handschrift. Honderd baht van de vrouw met de gebakken bananen. Vijfhonderd van de garage. Tweeduizend van de man die zijn hele koelkast door Kees heeft laten repareren en er nooit voor mocht betalen.

Zo was hij. Hij haalde de remmen van de fietsen van de kinderen aan, hij maakte ventilatoren en rijstkokers en een keer een naaimachine die volgens iedereen kapot moest blijven. Hij vroeg er nooit geld voor; hij nam soms een zak mango’s aan. In elf jaar leerde hij vijftig Thaise woorden, misschien zestig. Haar naam kon hij niet uitspreken. Hij zei: Wan. Ze heeft hem nooit verbeterd.

Vrijdags kwam hij zelf zijn was brengen, nooit dinsdags, ook niet als het regende. Hij zette de zak op de weegschaal, ging op het krukje bij de deur zitten en wachtte tot ze de kilo’s had opgeschreven, zestig baht per kilo, meestal drie en een half. Praten ging niet. Hij wees naar dingen, zij knikte, hij lachte om iets wat zij niet zo had bedoeld. In het derde jaar schreef hij zelf het nummer op het kaartje, omdat haar pen leeg was. 42. Daarna vroeg hij er elke week om, met twee vingers omhoog en dan vier, in de verkeerde volgorde. Ze heeft nooit uitgelegd dat het zo niet werkt.

In de sala leest de man met de microfoon zijn naam voor van een papier. Cor-ne-lit Wer-doe-in. Het klinkt als iemand die hier nooit is geweest. In de rijen kijken mensen elkaar even aan, tot een oude vrouw vooraan zachtjes Loong Kit zegt, oom Kit, zoals de hele straat hem noemde, omdat Kees niet in een Thaise mond past. Dan knikt iedereen. Die man kennen ze.

Ball is gisteravond uit Bangkok gekomen, twaalf uur in de bus, en heeft in de winkel gezegd dat hij voor het vuur wil intreden. Buat na fai, zoals je dat doet voor een grootvader. Wandee heeft eerst nee gezegd. Het hoort niet, hij is geen familie, de mensen praten toch al. Twaalf jaar geleden zei iemand in deze straat dat zij bij die farang meer waste dan zijn kleren, en sindsdien is ze voorzichtig. Ze ging nooit verder dan zijn drempel. Ze bewaarde elk bonnetje.

De abt vond het geen probleem. Verdienste is verdienste, zei hij, en de jongen heeft van die man leren solderen.

Om acht uur zit Ball op een krukje achter de sala in het witte doek. De monnik zet het scheermes in zijn nek en het haar komt in plukken los, zwart en stug, veel meer dan je zou denken. Ze houden het lotusblad aan de moeder voor. Zo hoort het, de familie vangt het haar op. Wandee steekt haar handen uit voor ze erover heeft nagedacht en voelt het gewicht, dat er nauwelijks is. Haar zoon heeft ook zijn wenkbrauwen laten weghalen. Zonder wenkbrauwen lijkt hij zes jaar oud. Ze kijkt naar het blad in haar handen, naar het haar van haar eigen kind, geknipt voor een oude Hollander die haar naam nooit goed heeft gezegd, en ze houdt het heel recht, zodat er niets afvalt.

Om half twaalf tilt de sai sin de hele zaal aan elkaar, wit koord van hand tot hand tot aan de kist. Ze lopen drie keer om het crematorium, tegen de klok in, met Ball vooraan tussen de monniken. Het beton is te heet voor blote voeten. Iemand houdt een paraplu boven de abt.

Dan zegt de man met de microfoon dat de familie naar voren komt.

Elf jaar heeft ze afstand gehouden. Ze weet precies wie er in de rijen staat, wie er kijkt, en welke vrouw vanavond op de markt zal vertellen wat ze heeft gezien. Ze kan blijven staan waar ze staat, bij de buren, en niemand zal er iets van zeggen. Dat is het makkelijkste. Ze denkt aan het lichtblauwe overhemd, waarin hij nu ligt, met de knoop erop.

Ze stapt naar voren.

Ze staat vooraan als de oudste monnik de bangsukun van de kist trekt. Ze staat vooraan als de mensen de sandelhouten bloemen komen leggen, één voor één, en ze knikt naar iedereen die haar aankijkt, ook naar de vrouw van de markt. De hitte slaat van het beton af. Er is geen wind. De rook gaat recht omhoog en verdwijnt meteen in de bruine lucht boven de velden.

’s Middags is er 3.200 baht over. Ze telt het twee keer, doet het terug in het koekblik en zet het blik in de kast bij de wasmiddelen, tot ze weet wat ze ermee moet.

De volgende ochtend om zeven uur is ze terug, met een wit doek en een urn. De ceremoniemeester haalt de botten uit de as en legt ze op de doek in de vorm van een mens, en draait die vorm daarna om, van west naar oost. Er blijft meer over van een lichaam dan mensen denken. Twee monniken zeggen gebeden op. Wat in de urn gaat, is voor Bangkok, voor de papieren, voor de zoon die straks een doos in ontvangst neemt van de post. De rest brengen ze naar de rivier. Ball, die zijn wit alweer heeft uitgetrokken en gewoon een jongen van tweeëntwintig is met een kaal hoofd, draagt de urn met twee handen naar de auto, zoals je een volle pan draagt.

Als ze thuiskomt, staat de zak met nummer 42 er nog. Gewassen, gevouwen, betaald op de vrijdag ervoor. Ze haalt het kaartje eraf en stopt het in de zak van haar schort. De rest laat ze staan.

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter