Uit het Thaise leven gegrepen: Fien zat met haar voeten verkeerd

Iemand legde twee vingers op haar enkel en schoof haar voeten opzij, weg van de monniken. Fien trok haar knieën onder zich en verontschuldigde zich naar niemand in het bijzonder. Ze had de hele nacht in het vliegtuig gezeten, elf uur naar Bangkok, daarna een klein toestel naar het noorden. En nu zat ze op een matje op een koude betonnen vloer, terwijl negen mannen in oranje gewaden iets zongen wat traag op en neer golft. Ze verstond er niets van. Ze wilde alleen dat haar zoon zou zien dat ze haar best deed.
Roy knielde vooraan, naast een meisje dat glansde van het goud. Ban Nong Phai heette het dorp. Hij had de naam drie keer voor haar uitgesproken aan de telefoon en ze was hem drie keer weer kwijtgeraakt.
Naast haar zat Wiel met zijn camera op schoot, die hij niet aan durfde te zetten. Hij droeg zijn nette overhemd, hetzelfde als op de begrafenis van zijn broer, en het plakte nu al aan zijn rug. Om zes uur was het koud geweest, echt koud, mist over de rijstvelden en honden die je alleen hoorde. Tegen achten kroop de warmte eronder vandaan. Fien wist niet of ze het benauwd kreeg van de hitte of van iets anders. Ze had alleen dunne bloesjes ingepakt, want Thailand was warm, dat wist toch iedereen.
Eten mocht ze niet. Dat had het meisje, Aor, haar met gebaren duidelijk gemaakt: eerst de monniken, dan de rest. Op een lange tafel stond het klaar: rijst, gele curry, iets met vis, en niemand raakte het aan. Fien had honger. Ze hield haar handtas op schoot en haar handtas hield haar paspoort, en zolang ze dat vasthad, wist ze tenminste één ding zeker.
Op een dienblad voor het paar lag het geld. Ze had het niet willen tellen, maar haar ogen deden het toch. Bundels roze biljetten, netjes uitgewaaierd, en ernaast een halssnoer, een armband, ringen, alles zwaar en glanzend geel. Roy had het haar aan de telefoon uitgelegd alsof het niets voorstelde. Sinsod, zei hij, zo hoort dat hier, driehonderdduizend baht en een paar baht goud. Ze had het omgerekend op de achterkant van een envelop. Bijna achtduizend euro. Voor dat bedrag had haar zoon zich in deze familie gekocht, zo voelde het, en straks zou hij hier blijven, tussen mensen die lachten om dingen die zij niet begreep.
De moeder van het meisje had haar bij aankomst beide wangen vastgepakt en iets warms gezegd, wat Roy vertaalde als “eindelijk”. Somjai heette ze, een kleine vrouw met een strak knotje. Ze had de hele ochtend voor Fien gezorgd zoals je voor een kind zorgt: een kussen onder haar, een glas water, een hand op haar rug als Fien niet wist of ze moest opstaan of blijven zitten. Dat maakte het er niet makkelijker op. Het was eenvoudiger geweest om die driehonderdduizend baht te haten als de mensen erachter kil waren geweest.
Achter de schutting liep een hond met drie poten. Fien had hem al gezien bij wat het ontbijt had moeten zijn, en ze bleef hem met haar ogen volgen, hoe hij op drie poten toch nog behendig tussen de stoelen door schoof. Niemand anders leek hem op te merken. Wiel boog zich naar haar toe en fluisterde dat hij niet zeker wist of hij de verwarming thuis had uitgezet. Ze siste dat hij zich stil moest houden. De monniken zongen door.
“Het is prachtig,” zei ze even later tegen hem, maar ze zei het naar de vloer, en ze had haar bord nog steeds niet aangeraakt.
Ze miste hem al twee jaar. Zo lang zat hij nu hier, en aan de telefoon werd hij elke keer een beetje iemand anders, iemand die woorden gebruikte die ze moest laten uitleggen. Ze wilde haar jongen terug, al was het maar voor één ochtend, en in plaats daarvan zat ze op de grond en deed alles verkeerd.
Toen de monniken gegeten hadden, veranderde er iets in de lucht, alsof het echte begin nu pas kwam. Een oude man legde een wit koord in twee lussen over de hoofden van Roy en Aor, zodat ze verbonden waren en toch ieder in hun eigen kring bleven. Iemand stak een kaars aan boven een schaal en liet de druppels was in het water vallen. Fien keek naar de rug van haar zoon, naar de plek in zijn nek waar zijn haar altijd de verkeerde kant op groeide, al vanaf dat hij klein was. Er zat iets in haar keel wat ze niet kon wegslikken.
Somjai raakte haar arm aan. Ze trok Fien overeind, zachtjes, en duwde haar naar voren, naar het paar toe. In Fiens handen kwam een grote schelp, wit en glad, gevuld met gezegend water. Ze begreep het niet. Ze keek naar Roy, naar Wiel, naar de gezichten om haar heen die allemaal wachtten. Ze wist niet hoe ze het ding moest houden, hoe schuin, hoe snel, en het water klotste bijna over haar vingers voordat ze iets had gedaan.
Toen legde Somjai haar warme hand over die van Fien. Ze kantelde de schelp, langzaam, en samen lieten ze het water over de gevouwen handen van de twee kinderen lopen. Roy hield zijn handen boven de schaal, zijn knokkels nat, en hij keek op naar zijn moeder. Zijn ogen waren rood. Fien had hem niet meer zien huilen sinds hij een jongen was.
Ze hield de schelp nog vast toen hij al leeg was.
Over deze blogger
Lees hier de laatste artikelen
Het leven in Thailand18 augustus 2026Uit het Thaise leven gegrepen: Fien zat met haar voeten verkeerd
Het leven in Thailand3 augustus 2026Uit het Thaise leven gegrepen: achthonderdduizend baht en een fles water
Het leven in Thailand29 juli 2026Uit het Thaise leven gegrepen: wie er vooraan mocht staan
Het leven in Thailand24 juli 2026Uit het Thaise leven gegrepen: het restaurant dat niet bestaat
