Als Fon wakker wordt, staat de zon al hoog en is de kamer een oven. De airco heeft ze uit gelaten, want de rekening van vorige maand ligt nog op de kast. Alleen de ventilator draait, en die duwt de warme lucht van de ene hoek naar de andere. Ze blijft even liggen, luistert naar het verkeer op Sukhumvit acht verdiepingen lager, een aanhoudend ruisen dat nooit stopt. Op haar telefoon, naast het kussen, staat een bericht dat er om half elf al was. Ze heeft het gezien voor ze insliep en toen weggelegd.

Het is van haar zusje. P’Fon, ik kom morgen naar Bangkok met de bus, ik wil je restaurant zien.

Ze legt de telefoon met het scherm naar beneden en staat op.

De kamer is klein. Een bed, een kast, een spiegel met lampjes eromheen die ze zelf heeft opgeplakt, een plank met flesjes en potjes. Aan de muur een foto van een meisje van vijf in een schooluniform dat te groot is, met een strik in het haar. Dat is Ploy. Ze woont bij Fons moeder in Udon, tweehonderd kilometer voorbij waar de snelweg ophoudt iets te betekenen, en ze denkt dat haar moeder in een groot restaurant in de stad werkt en daarom niet thuis kan zijn.

Fon zet water op voor noedels uit een zakje en gaat op de rand van het bed zitten terwijl het kookt. Ze opent de bankapp. Het getal dat er staat is het getal dat er moet staan: genoeg voor de kamer, genoeg voor het geld dat elke maand naar huis gaat, genoeg voor Ploys schooluniform en de dokter toen ze in het voorjaar die hoest had. Niet genoeg voor meer. Ze stuurt drieduizend baht naar het nummer van haar moeder, zoals elke week, en typt eronder: voor Ploy, koop iets lekkers. Dan eet ze de noedels rechtstreeks uit de kom, staand bij het raam.

’s Middags gaat ze de deur uit. Beneden, in de schaduw van het gebouw, zit de vrouw die was doet voor de halve straat, en Fon geeft haar een tas met haar werkkleren, de dunne stof die naar rook en parfum ruikt. Ze loopt naar de markt achter de soi, koopt fruit, betaalt de man die haar telefoon vorige week heeft gemaakt, en gaat bij de apotheek langs voor pleisters, want de schoenen die ze op het werk draagt hebben haar hielen weer opengehaald. Overal groet ze mensen en overal groeten ze terug. Voor de buurt is ze gewoon Fon van de achtste, die ’s nachts werkt en overdag slaapt, net als de kok van de garkeuken en de bewaker van het hotel op de hoek.

Terug op de kamer belt ze naar huis. Haar moeder neemt op met de televisie hard op de achtergrond. Ploy komt aan de lijn, ademloos, en vertelt over een toets en over een kat die bij het huis is komen wonen en over niets in het bijzonder, tien minuten lang. Fon luistert met haar ogen dicht. Als haar moeder de telefoon weer overneemt, zegt ze dat het zusje het in haar hoofd heeft gehaald om Fon te verrassen, dat ze niet te houden was. Fon zegt dat het goed is. Ze zegt dat het restaurant het druk heeft dit weekend en dat ze zal kijken.

Ze hangt op en blijft naar de foto op de plank kijken.

Tegen zeven uur begint ze zich klaar te maken. Dat kost tijd. De make-up in lagen, het haar, de nagels die ze zelf bijwerkt onder de lampjes van de spiegel. Ze doet het langzaam en zorgvuldig, zoals een timmerman zijn gereedschap klaarlegt. Dit is het deel van de dag dat van haarzelf is, de laatste stilte voor het lawaai. Om acht uur neemt ze een motortaxi naar Nana, drie minuten door de avondfile, en klimt de trap op naar de eerste verdieping van het plein, waar het neon net aangaat en de muziek al door de vloer trilt.

Binnen is het koud. De airco staat hier wel de hele nacht aan, hard, zodat het zweet van de klanten opdroogt en de flessen beslaan. Fon zet haar tas in het kleedhok, trekt de dunne kleren aan, speldt het nummer op dat vanavond het hare is, en gaat naar de bar om zich te melden. De mamasan vinkt haar af op een lijst. Op het podium draaien al drie meisjes onder de lampen, verveeld, op de automatische piloot, terwijl beneden nog bijna niemand zit.

De avond komt op gang zoals altijd. Een groep mannen die te hard lacht. Een oudere man alleen aan de bar die elke week komt en die haar naam kent en vraagt naar Ploy, want hij is een van de weinigen aan wie ze iets echts heeft verteld. Ze zit bij hem, drinkt de gekleurde limonade die voor cola moet doorgaan en waarvan ze er per stuk iets aan verdient, en praat. Het meeste van het werk is dit: praten, luisteren, lachen om grappen die niet grappig zijn, de avond van een vreemde lichter maken. Haar voeten doen na een uur al pijn op de hoge hakken. Ze verplaatst haar gewicht van links naar rechts en glimlacht.

Tussen de nummers door, in het halfdonker achter de bar, kijkt ze op haar telefoon. Het bericht van haar zusje staat er nog. Ik wil je restaurant zien. Ze begint een antwoord te typen en wist het. Ze typt dat het restaurant te ver is, in een deel van de stad waar de bus niet komt. Ze wist het weer. Ze denkt aan hoe haar zusje straks door Sukhumvit zou lopen, langs deze trap, langs de mannen die de meisjes bekijken alsof ze op een menu staan, en hoe ze omhoog zou kijken naar de neon met de naam van de bar.

Ze steekt de telefoon weg. Er komt een klant, ze wordt geroepen, ze gaat.

Het wordt laat. De muziek gaat door, de flessen komen en gaan, de mamasan telt de chits. Rond drie uur dunt het uit. Fon rekent af bij de bar, trekt haar eigen kleren weer aan in het kleedhok, veegt de laag van haar gezicht en wordt weer de vrouw die de buurt kent. Buiten is de lucht warm en plakkerig na de kou binnen. Op straat rollen ze de karren met gebakken eten alweer uit voor wie honger heeft na de nacht.

Ze neemt een motortaxi naar huis. De stad is op dit uur bijna leeg, de kruispunten staan op oranje te knipperen, en de wind trekt aan haar haar. Op de achtste verdieping laat ze zich op bed vallen zonder de ventilator aan te zetten. Het begint al licht te worden achter het gordijn.

Ze pakt de telefoon. Ze leest het bericht nog een keer. Dan typt ze, langzaam: Kom maar, klein zusje. Ik haal je van de bus. Maar het restaurant is dicht dit weekend. Ik heb vrij, dan laat ik je de stad zien. Ze leest het over. Ze drukt op verzenden en legt de telefoon weg, met het scherm naar beneden, en doet haar ogen dicht terwijl buiten de eerste scooters wakker worden.

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter