Ploy gooide mij een rol bruine verpakkingstape toe. Ze had twee kartonnen dozen onder haar arm, een rugzak op haar rug en haar haar was nog vochtig van het douchen. Ik stond voor de ingang van mijn condo met Snow in haar reismand, een plastic zak kattenvoer en het gevoel dat ik voor een verhuizing nogal weinig wist. Waar we precies naartoe gingen, had Ploy nog steeds niet verteld.

‘Jomtien,’ zei ze toen ik het vroeg. ‘Room near market.’

Dat was meer informatie dan ik de avond ervoor had, maar Pattaya kent meerdere markten en bijna iedere goedkope kamer ligt volgens de verhuurder ergens dichtbij. Ploy had de kamer twee dagen eerder al bekeken, voordat ze naar Buriram vertrok. De huur bedroeg 4.800 baht per maand, water en elektriciteit apart. Ze had zelf de borg betaald met geld dat ze achterhield van haar laatste salaris. Ik had haar dus al twee keer aangeboden te helpen zoeken naar iets wat ze allang had geregeld.

Snow ging eerst met een motortaxi naar de nieuwe kamer. Ploy hield de reismand tussen haar knieën en de chauffeur reed zo voorzichtig weg dat ik hem nauwelijks herkende als iemand uit Pattaya. Zelf nam ik tien minuten later een Boldtaxi naar haar oude appartement in Zuid-Pattaya. Daar zou een vriend van de verhuurster met een pick-up komen om de spullen te vervoeren. Het kostte 600 baht, ongeacht hoe vaak hij moest rijden, zolang het maar voor de lunch klaar was.

Ploy stond me beneden op te wachten. Naast haar geparkeerde Honda Click stond de zwarte pick-up van Krit.

Ik had het voertuig maar een keer eerder gezien, in het donker bij mijn condo, maar sommige auto’s herken je sneller wanneer je liever had gehad dat ze ergens anders stonden. De motor draaide niet en de cabine was leeg. Ploy keek er nauwelijks naar. Ze liep naar binnen, groette de vrouw achter de balie en drukte op de knop van de lift.

‘Krit upstairs,’ zei ze.

‘Do you want me to come?’

‘You come for boxes.’

Dat antwoord maakte mijn rol duidelijk. Ik was geen lijfwacht, advocaat of nieuwe partner. Ik was een 67-jarige man die dozen kon tillen, mits ze niet te zwaar waren en er een lift beschikbaar was.

De deur van Ploys kamer stond open. Krit zat aan het kleine tafeltje bij het raam en naast hem zat een vrouw van ergens in de vijftig, met kort haar en een donkerblauwe polo. Op tafel lagen een telefoon, een schrift met een bloem op de kaft en een doorzichtig mapje vol papieren. De kamer zelf was al half leeg. Kleren lagen opgevouwen in dozen, keukenspullen stonden in plastic bakken en het televisietoestel was van de muur gehaald.

De vrouw bleek Suda te heten en was Krits oudste zus. Ik had haar niet ontmoet in Buriram en wist alleen dat ze een van de twee zussen was die met hem naar Ploys moeder waren gegaan. Ze wees naar een vrije stoel, maar Ploy bleef staan. Krit keek naar mij en vroeg of ik altijd meeging wanneer zijn vrouw verhuisde.

‘First time,’ zei ik.

Suda lachte kort. Krit niet.

Ploy pakte haar paspoort en enkele documenten uit het mapje en controleerde ze één voor één. Daarna stopte ze alles in haar rugzak. Ze deed dat zonder haast, maar haar mond stond strak. Krit schoof zijn telefoon naar haar toe. Op het scherm stond opnieuw het afbetalingsschema van de Honda, met onderaan het bedrag dat ik inmiddels beter kende dan de prijs van mijn eigen zorgverzekering: 68.400 baht.

‘You tell him I steal your money,’ zei Krit.

Ploy antwoordde dat ze niet had gezegd dat hij het geld had gestolen. Ze had iedere maand betaald aan zijn moeder, omdat zijn moeder de betalingen regelde. Soms maakte Ploy geld over en soms gaf ze contant geld wanneer ze in Buriram was. Krit tikte op het scherm en zei dat de financieringsmaatschappij dat geld nooit had gekregen.

Ik verwachtte dat daarna hetzelfde gesprek zou volgen als in mijn appartement, alleen met meer volume. In plaats daarvan opende Suda het schrift met de bloem op de kaft. Op iedere bladzijde stonden data, bedragen en korte aantekeningen in het Thais. Sommige regels waren met blauw geschreven, andere met rood. Suda wees er zeven aan en Ploy pakte haar telefoon om ze te fotograferen.

Het schrift was van Krits moeder.

In de nacht nadat Ploy naar Pattaya was vertrokken, had Suda het gevonden in een lade onder de rijstkoker. Daarin stond dat Ploy in elf maanden in totaal 52.000 baht had betaald. Vier betalingen waren via de bank gegaan en de rest contant. De bedragen klopten volgens Ploy vrijwel precies. Alleen had Krits moeder het grootste deel niet naar de financieringsmaatschappij doorgestuurd. In het schrift stond bij meerdere betalingen slechts het woord ‘family’.

Krit keek niet naar mij terwijl Suda het uitlegde. De eerste drie termijnen waren betaald. Daarna had zijn moeder het geld gebruikt voor andere uitgaven in de familie. Waarvoor precies wilde ze niet zeggen. Een deel was waarschijnlijk naar een schuld van Krits jongere broer gegaan, maar zelfs Suda wist dat niet zeker. De betalingsachterstand, kosten en resterende termijnen waren samen opgelopen tot 68.400 baht. Krit had dat pas ontdekt toen er een brief van de financieringsmaatschappij kwam.

Ploy had dus betaald. Krit had tegelijk gelijk dat de schuld nog bestond. Alleen was het geld onderweg bij zijn moeder gestopt.

Dat was een uitkomst waar niemand in de kamer iets aan had. Een duidelijke leugenaar zou eenvoudiger zijn geweest. Nu zat Krit met een brommer op zijn naam en een schuld die hij niet zelf had gemaakt, terwijl Ploy geld kwijt was dat zij aantoonbaar had afgegeven. Suda sloeg het schrift dicht en schoof het naar haar broer.

‘Mother say Ploy pay?’ vroeg Ploy.

Suda knikte. ‘Last night. But she say family need money.’

‘My daughter also family.’

Krit zei iets in het Thais. Ploy draaide zich naar hem om en antwoordde veel sneller dan ik kon volgen. Haar stem werd niet hard, maar er kwam een scherpte in die ik niet eerder bij haar had gehoord. Suda liet hen even praten en vertaalde daarna voor mij dat Krit vond dat Ploy eerst met hem had moeten overleggen voordat ze hem tegenover een buitenlander als oplichter neerzette.

Ploy keek naar mij. ‘I say maybe he lie. I not know.’

Dat herinnerde ik me anders. Toch was dit niet het moment om een semantische discussie te beginnen over het verschil tussen ‘maybe’ en de toon waarop iemand een zin uitspreekt. Bovendien had ik Krit zelf al snel een plaats gegeven in het overzichtelijke vakje van boze echtgenoot met zwarte pick-up. Dat hij me bij ons eerste gesprek om geld had gevraagd, hielp nog altijd niet, maar zijn woede had nu ten minste een achtergrond die verder ging dan gekrenkte trots.

Krit wilde dat Ploy een verklaring tekende waarin stond dat hij de Honda onder zich mocht houden totdat de schuld was opgelost. Ploy las de Thaise tekst langzaam en gaf het papier daarna aan Suda. Die las het nog een keer en zette met een pen een streep door twee regels. Krit werd boos, voor het eerst die ochtend. Zijn zus was daar niet van onder de indruk. Ze schreef iets in de kantlijn, schoof het vel terug en zei één zin die zelfs zonder vertaling duidelijk was: dit was wat er getekend kon worden.

Na nog tien minuten overleg zette Ploy haar naam onder het papier. De Honda bleef voorlopig bij Krit, maar zij erkende niet dat ze hem 68.400 baht verschuldigd was. Ook kreeg ze kopieën van het schrift en van de berichten waarin zijn moeder bevestigde dat ze het geld had ontvangen. Suda maakte van alles foto’s en stuurde die meteen naar Ploy. Krit hield het origineel alsof het een pasgeboren kind was waar hij nog niet aan gewend was.

Bij de deur vroeg hij mij wie de huur van Ploys nieuwe kamer betaalde.

‘She does,’ zei ik.

Ploy pakte een doos met borden op. ‘Nico only carry things. Slowly.’

Suda begon opnieuw te lachen. Zelfs Krit trok even met een mondhoek, al kon dat ook irritatie zijn geweest. Ik nam een grotere doos om te laten zien dat langzaam niet hetzelfde betekende als nutteloos. Na drie meter ontdekte ik dat er boeken in zaten.

Ploy bezat meer boeken dan ik had verwacht. Geen romans, maar Thaise kookboeken, oude cursusmappen over hotelservice en drie schriften met recepten. In de marges had ze prijzen gezet: kip per kilo, kokosmelk per pak, gas per dag en hoeveel porties je uit één pan curry kon halen. Tussen de boeken lag een vergeeld schrift van haar dochter met op de voorkant een tekening van een restaurant. Boven de deur stond in het Engels ‘Mum Food’.

Ik vroeg of Ploy ooit een eigen zaak wilde beginnen. Ze zei dat ze vroeger een ontbijtwagentje had gehad bij een fabriek in Chonburi. Om vijf uur ’s ochtends verkocht ze rijstsoep, gebakken eieren en koffie aan arbeiders van de vroege dienst. Dat had bijna twee jaar goed gelopen, totdat de fabriek sloot en de meeste klanten verdwenen. Ze had de kar daarna verkocht om schoolgeld voor haar dochter te betalen.

‘Why you never tell me?’ vroeg ik.

Ploy haalde haar schouders op. ‘You not ask about breakfast cart.’

Daar viel weinig tegen in te brengen. Ik had wel gevraagd naar haar huwelijk, haar schuld, haar kat, haar werk en haar plannen, maar steeds omdat ik iets wilde begrijpen wat mij bezighield. Dat zij ooit voor zonsopgang vijftig kommen rijstsoep verkocht, was niet in mijn vragenlijst voorgekomen.

De pick-up van de verhuurster kwam om negen uur. De chauffeur heette Lek en droeg een zonnebril met één pootje dat met plakband was vastgezet. Hij keek naar de dozen, het matras, een ventilator, twee plastic ladekasten en een verzameling potplanten op het balkon. Daarna zei hij dat 600 baht alleen gold voor één rit.

Ploy wees hem erop dat hij dat eerder anders had gezegd. Lek beweerde dat hij toen niet wist dat zij planten had. Volgens hem waren planten gevaarlijk vervoer, omdat aarde kon verschuiven. Na vijf minuten onderhandelen werden de planten voor een extra honderd baht even ongevaarlijk als de rest van haar bezit.

Krit hielp het matras naar beneden dragen. Dat verraste mij nog het meest. Hij had kunnen vertrekken zodra het papier was getekend, maar pakte zonder iets te zeggen de ene kant vast en gebaarde dat ik de andere moest nemen. In de lift stonden we tegenover elkaar, met het matras rechtop tussen ons in. Ik zag alleen zijn slippers en een stukje van zijn spijkerbroek.

‘You love Ploy?’ vroeg hij vanachter het matras.

Ik wist niet of dit een vraag was waarvoor langzaam Engels een veiliger antwoord opleverde. ‘I know her short time.’

‘She make problem.’

‘Maybe you also.’

Het bleef stil. Beneden zette hij het matras in de laadbak en keek hij me aan alsof hij probeerde te bepalen of ik hem had beledigd. Daarna knikte hij een keer. Misschien vond hij het een eerlijk antwoord. Misschien besloot hij alleen dat een discussie met mij te lang zou duren.

In de tweede lading vond ik een kleine houten vogel zonder snavel. Ploy nam hem direct van mij over en wikkelde hem in een handdoek. Haar dochter had hem op school gemaakt toen ze acht was. De snavel was al op de eerste dag afgebroken en Ploy had hem nooit gerepareerd, omdat haar dochter vond dat hij daardoor op haar oom leek. Welke oom zei ze niet. Het vogeltje kreeg een plaats in haar rugzak, tussen haar paspoort en de papieren over de Honda.

De nieuwe kamer lag boven een wasserette in een smalle Soi achter Jomtien Second Road. Beneden draaiden zes wasmachines in verschillende ritmes en hing een bord waarop stond dat dekbedden voor vier uur moesten worden gebracht. De eigenares, een kleine vrouw met een bril aan een gouden koordje, rekende driehonderd baht extra per maand voor Snow en wilde vooraf weten of de kat veel lawaai maakte. Ploy zei dat Snow alleen beet. De vrouw knikte, alsof dat buiten de huurovereenkomst viel.

De kamer was eenvoudiger dan haar vorige appartement, maar schoon. Er stond een bed, een kledingkast en een tafel die licht scheef liep. Achter het gebouw was een markt waar ’s ochtends groente, vis en kant-en-klare curry werd verkocht. Ploy wees door het raam naar een lege hoek naast een drankstalletje. Daar kon volgens haar een kar staan. Ze zei het bijna terloops, maar ik zag dat ze de afstand tot het stopcontact en de waterkraan al had bekeken.

We zetten de dozen binnen en legden het matras op het bed. Krit en Suda waren niet meegekomen. Voor vertrek had Suda, Ploy omhelsd en haar iets toegefluisterd. Krit was zonder afscheid in zijn pick-up gestapt. De Honda Click stond achterin, vastgezet met een rood touw.

Ploy moest om elf uur bij het hotel zijn voor een gesprek. Ze pakte een witte blouse uit een doos, streek de kreukels met haar handen glad en kleedde zich om in de badkamer. Ondertussen probeerde ik de tafel recht te zetten met een opgevouwen folder van een tandarts. Het hielp nauwelijks, maar sommige problemen geven een man graag het gevoel dat hij nog een functie heeft.

Toen Ploy uit de badkamer kwam, droeg ze haar haar in een lage staart. Ze had licht poeder op haar gezicht gedaan en een klein zilveren speldje op haar blouse gezet. Het was de eerste keer dat ik haar zag als de vrouw die jarenlang in restaurants had gewerkt. Haar bewegingen werden sneller, haar rug rechter. Ze controleerde haar papieren, keek op de klok en zei dat ik niet mee naar binnen moest gaan.

‘Hotel think I need farang help.’

‘You did need help with the English letter.’

‘Letter cannot carry boxes.’

Ze gaf me een blik die het gesprek afsloot. Bij het hotel zette ik haar af en ging ik aan de overkant koffie drinken. Het terras had metalen stoelen die na tien minuten een ruitpatroon in mijn benen drukten. Een oudere Australiër naast me telefoneerde luid over een lekkende airco en herhaalde drie keer dat hij al twintig jaar in Thailand woonde. De monteur aan de andere kant van de lijn leek daar niet van onder de indruk.

Na ruim een uur kwam Ploy naar buiten. Aan haar gezicht kon ik niets aflezen. Ze liep eerst naar de koffiezaak, bestelde ijskoffie en ging tegenover me zitten. Pas toen de beker op tafel stond, vertelde ze dat ze zeven dagen op proef mocht komen werken. Het salaris bleef 14.000 baht en de dienst begon de volgende ochtend om half zes.

De manager had haar oude werkgever gebeld. Daardoor was tijdens het gesprek ook naar voren gekomen waarom Ploy haar vorige baan kwijt was geraakt. Ik kende alleen de korte versie: problemen met Da, ruzie op het werk en daarna geen baan meer. De langere versie ging over twaalf flessen whisky die na een besloten feest uit het magazijn verdwenen. De eigenaar wilde dat Ploy als verantwoordelijke van de avonddienst een voorraadlijst tekende waarop stond dat alles klopte. Dat had ze geweigerd. Da had eerst beloofd hetzelfde te doen, maar tekende later toch. Twee dagen daarna hoefde Ploy niet meer terug te komen.

‘You thought I steal?’ vroeg ze.

‘No.’

Ze keek me aan. ‘Little bit.’

Misschien een heel klein beetje, maar vooral omdat Krit die ochtend had gevraagd of zij mij had verteld waarom het hotel haar had ontslagen. In de lift met het matras had ik geen gelegenheid gehad door te vragen. Ik vertelde Ploy dat ook.

‘Krit know half story,’ zei ze. ‘Same you.’

Dat was niet vriendelijk, maar wel nauwkeurig. De nieuwe manager had haar alsnog aangenomen, omdat haar vorige leidinggevende had bevestigd dat de voorraadtelling niet klopte en Ploy als enige niet wilde tekenen. Of ze na de proefweek mocht blijven, hing af van haar werk en van de vraag of ze iedere ochtend op tijd kwam. Ploy dronk haar ijskoffie leeg en vroeg daarna hoe laat het was. De vrouw die een uur eerder nog dozen stond uit te pakken, had ineens haast om terug te gaan en haar werkschoenen te zoeken.

In de nieuwe kamer lag het schrift met recepten boven op een doos. Ik bladerde er niet in, al kostte me dat meer moeite dan ik wil toegeven. Ploy zette de houten vogel zonder snavel op de scheve tafel, trok een zwart paar schoenen onder uit een zak en controleerde de zolen. Daarna belde haar dochter.

Het gesprek duurde langer dan de eerdere telefoontjes uit Buriram. Ploy ging op het bed zitten en zei steeds minder. Aan het einde vroeg ze driemaal hetzelfde in het Thais, telkens iets langzamer. Toen ze ophing, bleef ze met de telefoon tegen haar knie zitten.

Haar moeder wilde dat de dochter de volgende dag naar Pattaya kwam. Sinds het gesprek over de verdwenen betalingen was de sfeer thuis omgeslagen. Krits moeder beschuldigde Ploys moeder ervan dat zij al langer had geweten waar het geld bleef. Ploys moeder ontkende dat, maar vond dat Ploy haar eigen dochter dan ook zelf moest verzorgen. Ze had voor de volgende ochtend twee bustickets gekocht: één voor het meisje en één voor een tante die haar naar Pattaya zou begeleiden.

Ploy keek om zich heen. De kamer was groot genoeg voor één bed, een tafel en dozen, zolang niemand zich tegelijk wilde omdraaien. Haar dochter kon bij haar slapen, zei ze, en zelf zou ze wel op de vloer liggen. Het probleem was de aankomsttijd. De bus zou kort na half zes bij de terminal in Noord-Pattaya zijn, precies wanneer Ploy aan haar eerste proefdienst moest beginnen.

‘I can pick her up,’ zei ik.

Ploy antwoordde niet meteen. Haar dochter had mij nog nooit ontmoet en ik vond mijn aanbod tijdens de stilte steeds minder vanzelfsprekend. Een oudere buitenlandse man bij een busstation was niet de eerste persoon aan wie ik in Nederland een kind zou meegeven, ook niet wanneer hij beweerde dat hij goed was in het langzaam dragen van dozen.

Toen draaide Ploy haar telefoon naar me toe. Op het scherm stond een gesprek met haar dochter. Tussen de Thaise berichten zag ik twee foto’s van mij. Op de ene zat ik in het restaurant tegenover Ploy met een menukaart in mijn hand. Op de andere stond ik in mijn keuken, met zoete chilisaus op mijn broek en een kippenbout op de vloer.

‘She know you,’ zei Ploy. ‘She call you Mister Chicken.’

Om kwart voor vijf de volgende ochtend moest Mister Chicken dus opstaan om een meisje en haar tante van een bus uit Buriram te halen. Ploy stuurde me de reservering, de namen en een foto van haar dochter in haar schooluniform. Daarna zette ze haar wekker op vier uur en schoof een doos voor de deur, omdat het slot volgens haar niet betrouwbaar was.

Op de scheve tafel stond de houten vogel zonder snavel naast het schrift van Krits moeder. Beide pasten er net op.

Wordt vervolgd.

Ingezonden door Nico


Laat een reactie achter