Udon Thani en Bangkok, januari 2032

Op de golfclub van Udon Thani was het leven goed, en zaterdagochtend was het leven op zijn best.

Theo speelde met Gerrit, Henk en Kees, de vaste vier, hole één tot en met negen en daarna het clubhuis, waar het bier koud was en de wereld overzichtelijk. Gerrit was vierenzeventig en had in Rotterdam een transportbedrijf gehad. Henk was achtenzestig en had bij de gemeente gezeten. Kees was tweeënzeventig en zei nooit precies wat hij had gedaan, wat betekende dat het bij de politie was geweest of iets dat erop leek.

“Visumrun gedaan deze week,” zei Kees. “Vientiane. Heen en terug op één dag, stempel erop, klaar. Ze kennen me daar zo langzamerhand. De douanier vroeg naar mijn knie.”

“Dat is geen douane meer,” zei Theo. “Dat is familie.”

Er werd gelachen. Theo was de grappige van de vier, dat was zijn functie, zoals Gerrit de man met de kanalen was en Henk de rekenaar en Kees degene die mensen kende. Elk gezelschap van oude mannen is een klein bedrijf waarin iedereen zijn afdeling heeft.

Henk was die ochtend zijn afdeling trouw.

“Derde jaar op rij niet geïndexeerd,” zei hij, en hij hoefde niet te zeggen wat, want er was maar één wat. “En let op de koers, heren. Eenendertig baht voor een euro. Toen ik hier kwam veertig. Dat is bijna een kwart van je inkomen verdampt zonder dat je één cent hebt uitgegeven.”

“De baht is sterk,” zei Gerrit. “Sterke munt, sterk land. Wees blij dat je hier zit.”

“De baht is niet sterk.” Henk schoof zijn glas opzij, wat betekende dat het menens werd. “Ik heb het uitgezocht. De economie hier kraakt aan alle kanten, maar de munt blijft hoog. Weet je waarom? Kapitaalcontroles. Geld mag er wel in, bijna niet meer uit. En er komt geld binnen, bakken vol, jullie weten waarvandaan. Een munt die kunstmatig hoog wordt gehouden terwijl de winkels leeglopen. Wij zitten met euro’s die minder waard worden aan de ene kant en een baht die niet mag zakken aan de andere. Wij betalen het verschil, heren. Wij zijn het verschil.”

Het bleef even stil, net iets te lang.

“Henk,” zei Theo, “jij kunt van een zonsondergang nog een naheffing maken. Ontspan. Ik zit goed. Ik heb marge.”

Hij zei het licht, zoals hij alles licht zei, en het gesprek boog af naar de nieuwe pro en de vraag of de fairway van hole zeven korter was gemaaid dan vorig jaar. Maar de zin was gezegd. Ik heb marge. Sommige zinnen worden op het moment zelf niet gehoord, ook niet door degene die ze uitspreekt. Ze wachten.

Na het derde biertje vertelde Kees het toch nog, het echte verhaal van Vientiane, het deel dat hij bij de eerste ronde had weggelaten. Bij de terugreis was hij apart genomen. Niet lang, twintig minuten, een kamertje met een ventilator, een beambte met een tablet die vragen stelde waarvan hij de antwoorden al voor zich had. Hoeveel op de bank. Welk huis, wiens naam. Hoe vaak per jaar naar Nederland. “Ze schreven niks op,” zei Kees. “Dat was het rare. Alles stond er al. Ze keken alleen of ik hetzelfde zou zeggen.” Hij nam een slok. “Ik heb hetzelfde gezegd.”

“Routinecontrole,” zei Henk.

“Ja,” zei Kees, op de toon van een man die bij de politie had gezeten, of iets dat erop leek, en die precies wist wat routine betekende: dat het beleid was geworden.

*

In Bangkok kreeg Nan een promotie aangeboden.

Het gesprek vond plaats in een vergaderzaal op de negende verdieping, met koffie in echte kopjes, en dat was op zichzelf al informatie. Haar chef was er. Iemand van personeelszaken was er. En er was een derde, een man die niet werd voorgesteld en die het hele gesprek niets zei en alles zag.

“Internationale samenwerking,” zei haar chef. “Een coördinerende rol. Meer salaris, betere titel, reizen. Jouw talenkennis, jouw precisie. Je bent er geknipt voor.”

Nan vroeg wat de rol precies inhield. Haar chef beschreef hem in zinnen zonder werkwoorden van betekenis. Afstemmen. Faciliteren. Verbinden. Ze vroeg tot welke systemen ze toegang zou krijgen. Er viel een stilte van precies de goede lengte.

“Dat wordt per project bepaald,” zei de man die niet was voorgesteld. Het waren zijn enige woorden.

Nan begreep het aanbod. Het was een kamer met een mooier uitzicht en zonder deurklink aan de binnenkant. Ze zei dat ze vereerd was. Ze vroeg bedenktijd. Die kreeg ze, ruimhartig, want het systeem was beleefd.

Het systeem gaf je altijd de tijd om ja te zeggen.

Ze liep die avond naar huis, veertig minuten, langs de kanalen, en telde onderweg wat ze nog had. Toegang tot de helft van de systemen van vorig jaar. Een chef die haar rapporten omgekeerd neerlegde. Een collega die alleen in de lift durfde te waarschuwen, verpakt in een visserswijsheid. En een geheugen waar geen classificatie op zat. Het was minder dan waarmee ze was begonnen en meer dan waar ze recht op had, en ergens tussen twee bruggen besefte ze dat ze de optelsom maakte die je maakt voordat je iets gaat doen wat je jezelf nog niet hebt toegegeven.

*

Er waren die maanden kleine dingen, en kleine dingen blijven klein zolang je ze niet naast elkaar legt.

De bank van Theo vroeg om aanvullende documenten voor zijn jaarlijkse verlenging, een formulier dat vorig jaar niet bestond, een bewijs van herkomst voor geld dat er al twaalf jaar stond. De vrouw achter de balie was er zelf verlegen mee. Nieuwe regels, zei ze. Van boven.

De verlenging van Kees kwam er wel, maar drie weken later dan anders. De verlenging van een Deen die ze via de club kenden kwam er niet. Reden onbekend, bezwaar mogelijk, bezwaar afgewezen. De Deen had ooit te laat verlengd, zeiden ze op de club. De Deen had gedoe met zijn ex, zeiden ze. De Deen had iets, zeiden ze, want er moest iets zijn.

Iedereen had een verklaring. Dat was het geruststellende eraan. Zolang er voor elk geval een verklaring was, was er geen patroon, en zolang er geen patroon was, kon het jou niet overkomen. Zo werkte de rekensom aan de bar, en de rekensom klopte, zoals alle rekensommen kloppen waarvan je de uitkomst van tevoren hebt vastgesteld.

Zolang er verklaringen waren, was er geen patroon.

* * *

Eerder in deze serie is verschenen:
Blijven of Verrekken – De Cijfers Kloppen Niet (deel 1)

Blijven of Verrekken – De Nieuwe Buren (deel 2)

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter