Udon Thani en Bangkok, juli 2031

Het hek kwam op een maandag.

Niet het soort hek dat Somchai had gehad, gaas op palen die in de loop van de jaren scheef waren gaan staan. Dit hek was twee meter hoog, groen, met doek erachter zodat je er niet doorheen kon kijken. Het stond er in één dag. Theo zat op zijn terras en keek naar mannen die hij niet kende en die elkaar dingen toeriepen in een taal die geen Thai was.

Dinsdag kwam de eerste vrachtwagen. Woensdag de vierde. Daarna hield Theo op met tellen, want tellen is iets voor mensen die denken dat het ergens ophoudt.

Achter het doek verrees iets. Eerst hoorde je het alleen: heien, zagen, een generator die nooit uitging, ook ’s nachts niet, een laag gebrom dat na een week bij de soi hoorde zoals de hanen en de honden erbij hoorden. Toen kwam het boven het doek uit. Prefab woonunits, twee lagen, kleine ramen. De werkers zelf zag je alleen bij de ploegwissel, rijen mannen in dezelfde overalls die uit bussen stapten en achter het doek verdwenen zonder één blik op de soi.

Er kwam niemand iets kopen bij het winkeltje van mevrouw Daeng op de hoek. Er at niemand bij de noedelkar. De bussen brachten alles zelf mee, eten, water, gasflessen, en Theo zag mevrouw Daeng op een middag naar het doek staan kijken met een gezicht dat hij niet kon lezen en ook niet wilde leren lezen.

Hij probeerde het in de tweede week. Hij liep naar de poort met twee flesjes bier en stak zijn duim op naar de man die er stond. De man keek naar de duim. Naar de flesjes. Naar Theo. Toen zei hij iets in het Mandarijn tegen iemand die Theo niet kon zien, en de poort ging dicht.

“Verkeerd merk, denk ik,” zei Theo die avond tegen Pim.

Pim zei niets. Ze keek naar het doek aan de overkant, waarachter wit werklicht brandde, en ze zei iets dat Theo pas veel later goed zou verstaan.

“De mangobomen van Somchai. Ze hebben ze niet omgezaagd. Ze hebben ze uitgegraven en meegenomen, met wortel en al.”

“Nou en? Zonde om ze weg te gooien.”

“Je graaft geen bomen uit als je haast hebt,” zei Pim. “Je graaft bomen uit als je van plan bent heel lang te blijven.”

Theo dacht erover na en besloot dat het geruststellend was. Mensen die lang blijven, worden vanzelf buren, en buren worden vanzelf gewoon. Dat was zijn ervaring van vijftien jaar. Hij hield eraan vast zoals je vasthoudt aan een leuning waarvan je nog niet weet dat hij loszit.

*

Op de golfclub wist Gerrit meer, want Gerrit wist altijd meer, dat was zijn afdeling.

“De spoorlijn,” zei hij. “Die komt er nu echt. Chinees consortium, alles rond, schop gaat volgend jaar de grond in. Bangkok, Khon Kaen, Udon, Nong Khai, en dan de brug over en door naar Kunming. Wij liggen straks aan de doorgaande route naar China, heren.”

“Wij liggen al vijftien jaar aan de doorgaande route naar het clubhuis,” zei Theo. “Meer route heeft een mens niet nodig.”

Er werd gelachen. Henk vroeg wat zo’n lijn opleverde voor Udon. Gerrit zei: werkgelegenheid. Kees vroeg voor wie, en Gerrit haalde zijn schouders op, en daar bleef het bij, want het was zaterdag en de fairway lag erbij zoals een fairway erbij hoort te liggen.

Op de terugweg reed Theo langs het oude busstation, waar het blauwe bouwbord van de investeerder uit Bangkok stond, en voor het eerst viel hem op dat er achter de hekken niet werd gebouwd. Er werd alleen bewaakt. Grond die wacht, dacht hij, en hij wist niet waarop, en hij zette de radio aan.

*

De drie kopers hadden namen, en namen waren Nans specialiteit.

De eerste was een man van tweeënzestig uit Chachoengsao die volgens zijn aangifte leefde van een pensioen en volgens het kadaster eigenaar was van grond ter waarde van vierhonderd miljoen baht. De tweede was een vrouw van negenentwintig, ingeschreven als studente, met een belang in elf percelen en een auto die op naam van iemand anders stond. De derde was interessanter.

De derde had een zus. De zus had een man. De man had een functie.

De functie stond niet in het dossier. De functie hoefde ook niet in het dossier te staan. Nan zocht hem op in een openbaar register, gewoon, op haar werk, met haar eigen inlog. Dat was achteraf misschien de fout, als je het een fout kon noemen om een openbaar register te raadplegen. Maar zo werkte het gebouw: wat je opzocht, zei meer over jou dan over degene die je opzocht.

Maandagochtend was het dossier weg.

Niet verwijderd. Weg was het verkeerde woord, en verkeerde woorden waren gevaarlijk in haar vak. Het dossier bestond nog. Het systeem zei alleen: u heeft geen rechten voor dit document. Ze vroeg de rechten aan via het formulier dat daarvoor bestond. Het formulier kwam terug met een stempel, een handtekening en het woord afgewezen. Zonder toelichting. Toelichtingen waren voor besluiten die uitgelegd moesten worden.

Ze at die middag alleen in de kantine, aan het tafeltje bij het raam, en keek naar de binnenplaats waar twee collega’s stonden te roken die ophielden met praten toen een derde langsliep. Zo klein was het. Zo gewoon zag het eruit, een gebouw waar mensen ophielden met praten.

In de lift, aan het eind van die week, stond ze naast Khun Anong van de derde verdieping, drieëndertig dienstjaren, een vrouw die alles had zien komen en gaan en daarom nooit ergens over sprak. De lift zakte vier verdiepingen in stilte. Toen zei Anong, zonder haar hoofd te draaien, op de toon waarop je over het weer spreekt: “Mijn man zegt altijd: een goede visser weet welke vis hij terug moet gooien.” De deuren gingen open. Anong stapte uit. Nan stond alleen in de lift met een advies dat officieel nooit was gegeven.

’s Avonds keek ze in de logbestanden. Dat kon nog, logbestanden waren haar terrein. Het dossier was vrijdagnacht om drieëntwintig uur zevenenveertig van classificatie veranderd.

Ze schreef het tijdstip niet op. Sommige dingen onthoud je door ze juist niet op te schrijven, en die avond begreep Nan dat ze een grens was overgegaan zonder een stap te zetten. Ze was gaan denken in sporen.

Iemand had overgewerkt.

Voor haar.

* * *

Eerder in deze serie is verschenen:
Blijven of Verrekken – De Cijfers Kloppen Niet (deel 1)

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter