
De Thaise grenspost was niet wat ze zich had voorgesteld.
Mook had zich niets voorgesteld. Dat was een leugen die ze zichzelf vertelde tijdens de busrit, dat ze niets verwachtte, dat ze zich op niets had voorbereid, want voorbereiden was hopen en hopen was riskeren. Maar ergens in haar hoofd had ze een beeld gehad. Een rij. Een loket. Een man in uniform die haar aankeek en wai-de en zei: welkom thuis, mevrouw. Een hand op haar schouder. Iets warms.
In plaats daarvan was er een soort schuur.
Een betonnen vloer. Een ventilator aan het plafond die maar één kant op kon draaien. Drie plastic stoelen. Een bureau met een politieman die niet opkeek toen Boy en Mook binnenkwamen, gebracht door een vrouw van een ngo wier naam Mook al was vergeten, en die de man iets aanreikte zonder te spreken. De man bekeek het. Hij keek naar Boy. Hij keek naar Mook. Hij wees naar de stoelen.
Ze gingen zitten.
Ze wachtten drie uur. Niet omdat het druk was. Omdat wachten onderdeel was van het systeem.
“Tien sterren,” fluisterde Mook tegen de ventilator.
“Voor wat.”
“Voor de ventilator. Hij doet wat hij kan.”
“Dat is meer dan de meesten.”
“Klopt.”
De politieman keek niet op.
Het verhoor duurde anderhalf uur en Mook vertelde de waarheid en de waarheid was niet voldoende.
Niet omdat de man haar niet geloofde. Hij geloofde haar wel. Hij maakte aantekeningen in een bureaucratisch handschrift dat zij ondersteboven kon lezen, en ze zag hem schrijven job scam, Poipet, drieëntwintig dagen, meerdere slachtoffers. Hij vroeg naar namen. Mook gaf namen. Khun Anan. Khun Sirin. Lin. Pim, van wie ze de achternaam niet wist, alleen dat ze uit Chiang Rai kwam en naar het bord drie dagen voor Mooks verplaatsing was uitgewist. De man schreef alles op.
Aan het einde sloot hij zijn map.
“We sturen dit door,” zei hij. “Naar de unit in Bangkok. Ze gaan u opnieuw verhoren. Misschien deze week. Misschien volgende week. U gaat eerst naar een opvang in Aranyaprathet. Daarna verder.”
“En de mensen die er nog zijn?”
Hij keek haar aan.
“Welke mensen.”
“Pim. De anderen. Tientallen. Misschien meer.”
De man legde zijn pen neer. Hij bewoog zijn schouder alsof er iets in zat dat zeer deed.
“Mevrouw, ik begrijp het. Maar dit gaat boven mij uit. De compound staat in Cambodja. Wij hebben daar geen jurisdictie. Onze regering en hun regering… het is op dit moment moeilijk.”
“Het conflict.”
“Ja.”
“Dus omdat er aan de grens wordt geschoten, blijven mensen daar.”
“Mevrouw.”
“Ja.”
“Ik schrijf alles op wat u me vertelt. Ik kan niet meer doen.”
Mook knikte. Ze begreep het. Begrijpen en accepteren waren niet hetzelfde, maar voor nu moest het.
“En de mensen die hier achter zitten?” zei ze. “De namen. De geldstromen. De Thaise kant van het netwerk.”
“Wij onderzoeken.”
“Hoelang al.”
Hij gaf geen antwoord. Dat was het antwoord.
In de opvang in Aranyaprathet kreeg ze een eigen kamer.
Het was de eerste eigen kamer die echt van haar was sinds drieëntwintig dagen. De deur kon van binnenuit op slot. Ze sloot hem niet. Ze deed hem half open. Een kamer met een deur die openstaat is iets anders dan een kamer waarvan de deur openstaat omdat hij geen slot heeft. Het verschil was klein en alles.
Ze douchte. Niet kort. Drieëntwintig dagen lang.
Ze zag haar gezicht in de spiegel boven de wastafel. Het was nog steeds haar gezicht, maar het was dunner, en haar lippen waren droog en gebarsten op een plek waar haar tanden hadden gezeten als ze probeerde niet te huilen, en haar ogen stonden iets dieper dan ze zich herinnerde.
“Hoi,” zei ze tegen het gezicht in de spiegel.
Het gezicht zei niets terug.
“Anders dan vorige keer.”
Het gezicht knikte.
“Ook goed.”
Boy was in een ander gebouw.
Mannen en vrouwen werden gescheiden in de opvang. Niet uit boosaardigheid. Uit procedure. Maar het betekende dat Mook hem voor het eerst in dagen niet kon zien, en dat haar lichaam, dat had geleerd om te weten waar hij was zonder te kijken, dat afwezigheid voelde als een lichte tinteling die niet wegging.
Op de tweede dag werd ze gebeld voor een tweede verhoor. Bangkok-eenheid, telefonisch eerst. Ze zat in een kantoortje met een vrouwelijke agent die alles wat ze zei opschreef en niet onsympathiek was maar ook niet warm. Aan het einde vroeg de agent: “Heeft u contact gehad met andere slachtoffers van dezelfde compound?”
“Sombat. Boy. Hij is hier ook.”
“Hij is een minderjarige?”
“Achttien.”
“Ah. Ander dossier.”
“Wij waren samen weg.”
“Ik begrijp het.”
“Mag ik hem zien.”
Stilte aan de andere kant.
“Dat valt niet onder mijn jurisdictie.”
“Wie zijn jurisdictie wel.”
“Er is geen jurisdictie voor mag ik iemand zien. Het kan. Of het kan niet. Het hangt af van de regels van de opvang.”
Mook ademde uit.
“Mevrouw,” zei de agent, en haar stem werd iets zachter. “Maakt u alstublieft de aangifte af. Daarna kunt u contact zoeken via de gewone kanalen. Telefoon. Ontmoeting. Wat u maar wilt. Maar we moeten het op deze volgorde doen.”
“Is er een gewone volgorde voor wat ons is overkomen?”
“Nee. Er is alleen een volgorde voor de papieren.”
Mook glimlachte. Heel klein. De agent zag het niet, het was een telefoongesprek.
“Begrepen,” zei Mook. “Volgorde van de papieren.”
Ze belde haar moeder op de derde dag.
Het gesprek duurde drie minuten en in die drie minuten zei haar moeder bijna niets. Ze ademde alleen. Mook hoorde haar moeder ademen op een manier die ze nog nooit had gehoord, en aan het einde van de drie minuten zei haar moeder, één keer:
“Mook.”
“Ja, mama.”
“Kom thuis.”
“Ja.”
Ze hingen op. Mook ging op het bed zitten en huilde voor het eerst in vierentwintig dagen, niet omdat het was gestopt maar omdat het was begonnen, en huilen was iets dat ze in de compound niet had gedurfd want huilen werd door iemand opgemerkt en wat opgemerkt werd, werd gebruikt.
Hier mocht het.
Het mocht niet plezierig zijn. Maar het mocht.
Op de vijfde dag zag ze Boy.
In een gemeenschappelijke ruimte, onder toezicht. Twee stoelen, drie meter uit elkaar. De vrouw van de ngo zat in de hoek met haar laptop, niet luisterend, niet écht, maar aanwezig. Het was een soort mededogen vermomd als procedure. Of een procedure vermomd als mededogen. Mook wist het verschil niet meer en het maakte ook niet uit.
Boy was geschoren. Schoner. Iets voller in zijn gezicht. Hij had nieuwe kleren aan, geen compoundkleren, een eenvoudig blauw t-shirt en een spijkerbroek.
“Je ziet eruit alsof iemand je heeft gewassen,” zei Mook.
“Ze hadden de pretentie dat ik het zelf deed. Ik heb meegespeeld.”
“Goed gedaan.”
“Bedankt.”
Stilte.
“Mijn moeder weet dat ik leef,” zei hij. “Ze hebben gisteren gebeld. Het ngo heeft gebeld. Ze…” Zijn stem haperde. Hij zei het niet af. Hij hoefde het niet af te zeggen.
“Ik weet het.”
“Hoe weet je het.”
“Dat is hoe moeders zijn.”
Hij knikte.
“Mook.”
“Ja.”
“Ik ga eerst naar mijn moeder. Een tijdje.”
“Ja.”
“Daarna…”
“Niet plannen. Niet nu.”
“Niet nu.”
Stilte.
“Boy.”
“Ja.”
“Bedankt.”
“Waarvoor.”
“Voor het rennen.”
“Jij rende. Ik volgde.”
“Ja. Maar je volgde.”
Hij keek naar haar, lang, voor het eerst zonder dat het op iets uit moest komen, zonder script, zonder strategie. Zijn ogen waren bruin en gewoon en moe en lief.
“Ik geloof,” zei hij, “dat we ergens nog een appel hebben.”
“Ergens.”
“In een zak. Ergens.”
“Zal ik die de volgende keer meenemen?”
“Doe maar.”
“Wanneer is de volgende keer.”
“Geen idee. Maar er is er een.”
“Bevel ontvangen.”
Ze stonden allebei op. Ze maakten geen wai. Ze omhelsden niet. De vrouw in de hoek keek nog steeds niet op.
Boy stak zijn hand uit, even, kort. Mook raakte zijn vingertoppen aan met de hare. Een halve seconde. Dan trokken ze allebei terug, alsof ze afgesproken hadden hoe lang het zou zijn.
“Tot ergens,” zei Mook.
“Tot ergens.”
Op de zevende dag stapte ze in de bus naar Nong Khai.
Het was vroeg. Half zes. Dezelfde tijd als de heenreis. Een andere bus, een andere maatschappij, een andere richting. De zon kwam op terwijl ze door Aranyaprathom reden. Ze keek uit het raam. Hetzelfde landschap als heen, alleen omgekeerd, en omgekeerd was het niet meer hetzelfde landschap, want zij was niet meer dezelfde Mook.
Een vrouw kwam naast haar zitten in Korat. Ouder, vriendelijk. Ze keek naar Mook, taxeerde drie tellen, en zei niets. Daarna haalde ze uit haar tas een doosje met gebakken kip en bood Mook een stuk aan.
“Dank u, ik heb gegeten,” zei Mook. Wat een leugen was.
“Eet toch,” zei de vrouw.
Mook at het stukje kip. Het was lekker. Beter dan ze in lange tijd had geproefd. De vrouw vroeg niets. De vrouw bood haar geen zakdoek aan. De vrouw deed het mooiste wat een vreemde kan doen voor een ander, namelijk: helemaal niets, behalve aanwezig zijn.
In Khon Kaen stapte de vrouw uit. Voordat ze ging, zei ze: “Welkom terug.”
“Hoe weet u…”
“Soms zie je het. Niet vaak. Maar soms.”
Ze stapte uit. De bus reed door.
Mook keek uit het raam.
Ergens in een kantoor in Phnom Penh, of Bangkok, of Singapore, of in een vakantiehuis in Hua Hin met uitzicht op zee, zat een man te ontbijten. Hij las een persbericht. Het persbericht meldde dat de Thaise autoriteiten in samenwerking met internationale partners onderzoek deden naar georganiseerde criminaliteit aan de grens, en dat enkele slachtoffers met succes waren gerepatrieerd, en dat het onderzoek nog gaande was.
De man knikte goedkeurend. Hij at zijn eieren. Niemand zou hem ooit aanraken.
Aan de horizon van zijn uitzicht, ergens, voer een schip dat hem niets aanging, of misschien juist alles, het hing af van wie de grondstoffen had betaald en wie de grondstoffen had geleverd en wie de grondstoffen vervoerd had en wie er aan elke schakel had verdiend zonder ooit een schakel te hoeven aanraken.
Hij was er niet.
Hij was overal niet.
Dat is de aanklacht.
In Udon Thani stapte Mook uit. Haar moeder stond op het perron.
Ze zag haar vanaf de voorkant van de bus. Haar moeder was kleiner dan ze zich herinnerde. Haar moeder droeg de witte blouse die ze altijd droeg op belangrijke dagen, en op deze dag was ze hem zeker drie keer ergens tegenaan gestoten van het ongeduld want er zat een vlek bij haar elleboog.
Mook stapte uit. Ze liep naar haar moeder toe. Ze maakte geen wai. Ze omhelsde haar moeder en haar moeder omhelsde haar en geen van beiden zei iets gedurende ongeveer drie minuten, en in die drie minuten zei het station om hen heen alles wat zij niet zeiden, want ergens werd een trein omgeroepen en ergens schreeuwde een kind en ergens werd een mango verkocht en het leven ging door en zij stonden er middenin en het leven liet hen even rustig staan.
Toen liet haar moeder haar los. Ze keek naar Mooks gezicht. Naar de droge lippen. Naar de ogen die anders stonden.
“Je bent dunner.”
“Ik heb een dieet gevolgd,” zei Mook. “Cambodjaans. Ik raad het niemand aan.”
Haar moeder lachte.
Ze lachte echt. Niet hard. Niet lang. Maar volledig. En in die lach hoorde Mook iets dat ze niet had geweten dat ze miste, namelijk: dat haar moeder nog kon lachen, dat lachen niet was uitgewist door drieëntwintig dagen, dat ergens, ondanks alles, het mechanisme nog werkte.
“Mama.”
“Ja.”
“Ik wil naar huis.”
“Ja.”
Haar moeder pakte haar tas. Mook had geen tas. Haar moeder pakte haar arm.
Ze liepen naar de uitgang van het station.
Ergens, in een opvang in Aranyaprathet, had een achttienjarige jongen op datzelfde moment zijn ontbijt gekregen, en hij at het, en op het bord lag een gekookt ei, en hij keek naar het ei, en hij dacht aan iemand, en hij glimlachte, en niemand zag het.
Dat was het mooiste eraan.
(Slot)
* * *
Eerder in deze serie verschenen:
- Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
- Lachen of Verdwijnen – De Baan van haar Leven (deel 1)
- Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)
- Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
- Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
- Lachen of Verdwijnen – De Verhuizing (deel 5)
- Lachen of Verdwijnen – De Achtertrap (deel 6)
- Lachen of Verdwijnen – Geruchten (deel 7)
- Lachen of Verdwijnen – De Avond zonder Stroom (deel 8)
- Lachen of Verdwijnen – De Lange Nacht (deel 9)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.




