Lachen of Verdwijnen – de Lange Nacht (deel 9)

Ze renden tot Mook niet meer wist hoe lang ze al renden.
Niet omdat ze sterk was. Omdat tellen iets is wat je doet als je hersenen ruimte hebben voor tellen, en haar hersenen hadden alleen ruimte voor de volgende, de volgende, de volgende, de volgende stap. De volgende ademhaling. De volgende plek waar het mogelijk was om niet te zijn waar ze net was geweest.
Het veld eindigde in een sloot.
De sloot was niet diep maar de bodem was modder, zachte modder, het soort modder dat je schoenen wil houden. Mook ging eerst, gleed half, viel met haar hand in iets nats wat ze niet wilde identificeren. Boy kwam achter haar door. Aan de andere kant lag een opgeworpen rand aarde, een halve meter hoog, en daarboven, eindelijk, een onverharde weg.
Ze zaten stil.
Niet om uit te rusten. Om te luisteren.
De compound lag nu links achter hen, een paar honderd meter verderop, niet zichtbaar door de bomen maar voelbaar in de manier waarop het geluid uit die richting anders klonk dan uit andere richtingen. Generatorgezoem. Een stem, ver, één keer kort. Niet hier. Daar. Voor nu daar.
“Welke kant,” zei Boy. Zijn stem was zacht. Zijn ademhaling was niet rustig.
“Geen idee.”
“De grens…”
“De grens is overal hier. Welke grens.”
“Thaise.”
Mook keek naar de hemel. Geen sterren die ze kon gebruiken, alleen een diepe blauwzwarte koepel met aan één kant nog steeds die oranje gloed van iets dat brandde. De gloed was rechts achter hen. Als de gloed het oosten was, dan was Thailand westelijk van hen. Als de gloed iets anders was, dan wist ze het niet.
“Naar links.”
“Hoe weet je dat.”
“Ik weet het niet. Ik raad.”
“Goed genoeg.”
Hij stond op. Hij stak zijn hand uit. Ze pakte hem aan. Het was de eerste keer dat ze hem aanraakten. Zijn hand was warm en droog en kleiner dan ze had gedacht. Hij trok haar overeind. Hij liet haar hand niet meteen los. Hij deed het pas toen ze allebei stonden, en zelfs toen, het was alsof hij vergat. En toen het wel hem opviel, liet hij niet schuldbewust los, hij liet gewoon los, want vasthouden van handen was iets voor mensen die tijd hadden.
Ze hadden geen tijd.
Een uur later, of minder, of meer, kwamen ze bij een kruising.
Twee onverharde wegen die elkaar sneden. Aan de zijkant van de ene weg een houten paaltje met iets erop dat ze in het donker niet kon lezen. Boy hurkte ervoor. Hij gebruikte zijn hand om het bord af te tasten. Het was Khmer.
“Kun je het lezen?”
“Een beetje.”
“En?”
“Phsar Roleab. Twaalf kilometer.”
“Wat is dat.”
“Een dorp. Denk ik. Ik ben hier nooit geweest.”
“Niemand is hier ooit geweest.”
Hij grijnsde. Het was de tweede keer die nacht. Hij had het zichzelf afgeleerd, ze zag het, hij had het zichzelf jaren afgeleerd en nu was de spier zwak en deed pijn. Maar hij grijnsde.
“Dan zijn we nu de eersten. Mooi. Mag ik op je tas zitten.”
“Ik heb geen tas.”
“Dan zit ik op je belofte van een tas.”
“Dat is geen zin.”
“Het was een poging.”
“Houd het bij rennen.”
“Bevel ontvangen.”
Ze liepen door. Niet rennend meer. Sneller dan wandelen. Hun adem werd weer hun eigen.
Bij een veld dat omgespit leek, of misschien gewoon een veld waarvan iemand had besloten dat het niets meer hoefde te dragen, stopten ze.
“Vijf minuten,” zei Mook.
“Drie.”
“Vier.”
“Compromis.”
Ze gingen zitten op een hoop droge aarde. Ze deelden de halve fles water uit het keukentje. Mook gaf hem het eerst. Hij gaf hem terug zonder te drinken.
“Drink jij eerst.”
“Ik heb hem net aan jou gegeven.”
“Ik geef hem terug.”
“Boy.”
“Mook.”
Stilte van een tel. Ze dronk. Ze gaf hem terug. Hij dronk. Hij gaf hem terug. De fles was nu twee derde leeg.
“Vertel me iets,” zei ze.
“Wat.”
“Iets. Wat dan ook. Een feit. Iets uit jouw leven dat ik niet weet.”
Hij zweeg.
“Boy.”
“Ik denk na.”
“Niet zo lang nadenken. Vertel iets.”
“Ik kan zwemmen.”
“Dat is jouw feit?”
“Het is wat eerst opkwam.”
“Goed. Genoteerd. Ik kan ook zwemmen.”
“Dan was dit een nutteloos feit.”
“Het was geen nutteloos feit. Het was een feit. Je kan altijd zeggen dat ze je niet konden verdrinken want je kon zwemmen.”
Hij keek haar aan. In het zwakke licht van de horizon zag ze dat hij iets wilde zeggen en het niet zei, en daarna iets anders wilde zeggen en het ook niet zei, en uiteindelijk zei hij iets dat geen van beide was.
“Mijn moeder denkt dat ik dood ben.”
Mook zweeg.
“Ze kreeg een telefoontje, vier maanden nadat ik weg was. Iemand die zei dat ik in een bus was overleden in Cambodja. Ze hebben mijn paspoort, dus ze hebben mijn naam. Ze hebben gemaakt dat ze het kon checken. Het stond ergens. Ik weet niet waar. Ze gelooft dat ik dood ben sinds toen.”
“Hoe weet je dat.”
“Ze hebben het me verteld. Khun Anan. Het was bedoeld als waarschuwing. Niemand zoekt jou. Niemand belt om je terug te halen. Je bent al begraven, op papier.”
Mook keek naar haar handen.
“Boy.”
“Ja.”
“Mijn moeder is op dit moment misschien wakker. Het is hier…” Ze keek naar de lucht. “Vier? Vijf? Daar dan iets later. Ze maakt thee. Ze gaat zo even bidden voor de altaartjes. Als ze niet bidt, denkt ze dat er iets erg gebeurt. Ze weet niet dat er al iets erg gebeurde. Ze weet alleen dat ik niet bel.”
“Wanneer heb je voor het laatst gebeld.”
“Drieëntwintig dagen.”
“Dan denkt ze niet dat je dood bent. Dan denkt ze dat je vergeten bent te bellen.”
“Mijn moeder denkt nooit dat ik vergeten ben te bellen. Ze denkt dat ik in de problemen zit en haar wil sparen.”
“Slimme moeder.”
“Ja.”
Stilte.
“Mook.”
“Ja.”
“Als we hier uit komen…”
“Niet als. Wanneer.”
“Wanneer.”
“Wat.”
“Ik weet het niet. Ik wilde alleen iets zeggen wat begint met wanneer.”
“Genoteerd.”
Ze stond op. Hij stond op. Ze liepen door.
Het werd licht zonder dat het echt licht werd.
Een grijze schemering eerst, het soort schemering waarbij je niet meer zeker weet of je donker hebt gezien of dat je ogen het verzonnen. De lucht was zwaar, vochtig, alsof er regen kwam maar zich nog niet verbond. Vogels begonnen. Niet veel. Eentje die antwoord kreeg van een tweede.
Op een veld in de verte, drie kilometer of vijf, ze kon het niet schatten, zag ze een tractor staan. Verlaten of in gebruik, ze wist het niet. Verder weg dan dat: de zwarte lijn van een grotere weg, met op die weg, klein, twee koplampen die bewogen.
“Voertuig,” zei Boy.
“Ik zie het.”
“Welke kant.”
“Onze kant.”
Ze hurkten. Aan de rand van een rijstveld. Het water in het veld stond laag genoeg dat ze konden zien dat het water was, maar niet zo laag dat ze er doorheen wilden lopen.
De koplampen werden groter. Een pickup. Wit, dacht ze. Ze had wit ooit goed kunnen zien. Nu vertrouwde ze haar ogen niet meer.
Hij stopte op een halve kilometer.
Niet bij hen. Bij iets anders. Iemand stapte uit. Een tweede iemand. Ze deden iets bij de zijkant van de weg. Het duurde een minuut. Ze stapten weer in. Ze reden weg, dezelfde kant op als waar ze vandaan waren gekomen.
Mook ademde uit. Ze had niet gemerkt dat ze niet ademde.
“Wat deden ze.”
“Ik weet het niet.”
Maar ze wisten het allebei. Het soort dingen die mensen doen bij de kant van een weg in het donker, die hadden meestal te maken met dingen die ze niet wilden doen waar mensen ze konden zien.
“Andere kant op,” zei Boy.
“Andere kant op.”
Ze liepen door een bosje dat geen echt bosje was, meer een rij scheve bomen tussen twee velden, en kwamen uit op een tweede onverharde weg. Op die weg, in de bocht, stond een huisje.
Een echt huisje. Hout, palmblad, een veranda. Op de veranda zat een oude vrouw.
Ze zat al voor zonsopgang op een veranda in een uithoek van Cambodja, en ze keek niet verbaasd toen Mook en Boy uit het bosje kwamen, en dat was misschien het meest verontrustende van alles. Mensen die niet verbaasd zijn als jij verbaasd had moeten zijn, weten dingen.
Boy bleef staan. Mook ook.
De vrouw zei iets in het Khmer. Boy antwoordde, kort. De vrouw antwoordde langer. Boy luisterde. Hij draaide zich naar Mook.
“Ze zegt dat als we gewoon doorlopen tot de tweesprong en dan rechts gaan, we over een paar uur bij een dorp komen. Daar is een markt. Vanaf de markt gaat een busje naar de Thaise grenspost. Ze zegt dat het niet de officiële grenspost is. De officiële grenspost is dicht op dit moment. Maar er is een onofficiële, voor mensen die hier wonen.”
“Hoe weet ze dat we naar Thailand willen?”
Boy vroeg het in Khmer. De vrouw antwoordde, één zin.
“Ze zegt: Iedereen die hier op dit uur loopt, wil naar Thailand.”
Stilte.
“Vraag of we iets kunnen doen voor haar,” zei Mook.
Boy vroeg. De vrouw antwoordde, langer dit keer. Ze stond op, ging het huisje in, kwam terug met een doek waarin iets gewikkeld zat. Ze gaf het aan Boy.
“Ze zegt dat we het mee moeten nemen. Het is rijst. En een ei. Ze zegt…” Boy keek naar de vrouw. “Ze zegt dat haar dochter ook is verdwenen. Drie jaar geleden. Sindsdien geeft ze eten aan iedereen die in het donker langskomt. Voor het geval iemand ooit aan haar dochter eten geeft als die langskomt op iemand anders zijn weg.”
Mook hield haar adem in.
Ze ging naar de vrouw toe. Ze maakte een wai voor haar, de echte, met haar voorhoofd bijna tegen haar handen. De vrouw raakte heel even haar voorhoofd aan met haar duim.
Ze zei nog één zin in Khmer.
“Wat zegt ze,” vroeg Mook.
Boy slikte. “Ze zegt: Ga.”
Ze gingen.
Bij de tweesprong gingen ze rechts. De zon kwam op en ze konden hem niet meteen zien want het was bewolkt, maar de lucht werd grijzer en daarna witter en daarna iets dat bijna licht heette. Ze aten het ei en de rijst, lopend, om de beurt. Het ei was hardgekookt en het zout zat in een papiertje in het doekje gewikkeld.
Tegen de middag zagen ze het dorp.
Tegen één uur stonden ze op de markt.
Niemand keek naar hen. Of iedereen keek, en deed alsof ze niet keken, het werkte allemaal hetzelfde.
Het busje stond aan het einde van de markt, ronkend, met zes mensen erin en ruimte voor twee. De chauffeur keek naar hen, taxeerde drie tellen, knikte. Geen vraag over geld. Misschien was geld al geregeld via een netwerk dat groter was dan zij wisten. Misschien was het busje simpelweg niet vol genoeg om bezwaar te maken.
Ze stapten in.
Mook ging bij het raam zitten. Boy naast haar.
Het busje reed weg. De markt verdween. Het dorp verdween. De weg werd smaller en daarna breder en daarna onverhard en daarna weer asfalt.
Boy was in slaap gevallen.
Zijn hoofd zakte langzaam tegen Mooks schouder. Hij schrok niet wakker. Hij was te moe om wakker te schrikken. Hij ademde diep en gelijkmatig en zijn gezicht, voor het eerst sinds ze hem kende, zag eruit als het gezicht van een achttienjarige.
Mook keek uit het raam.
Aan de horizon, ergens, stond rook. Niet groot. Niet bedreigend meer. Iets achter haar nu. Iets niet van haar.
Voor haar uit was de weg.
* * *
- Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
- Lachen of Verdwijnen – De Baan van haar Leven (deel 1)
- Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)
- Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
- Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
Lachen of Verdwijnen – De Verhuizing (deel 5)
Lachen of Verdwijnen – De Achtertrap (deel 6)
Lachen of Verdwijnen – Geruchten (deel 7)
Lachen of Verdwijnen – De Avond zonder Stroom (deel 8)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.




