De kat verscheen op een dinsdagochtend onder de houten bank op onze veranda. Ze was klein, zandkleurig en zo mager dat haar ribben bij iedere ademhaling meetelden. Eén oor stond rechtop, het andere hing een beetje opzij. Ze keek mij aan met de rustige blik van iemand die het huis al had gekocht en alleen nog controleerde of de vorige bewoner vertrokken was.

“Van wie is die kat?” vroeg ik.

Mijn vrouw keek nauwelijks op van de groente die ze schoonmaakte.

“Van niemand.”

Dat stelde mij gerust. Een kat van niemand hoef je ook niet te verzorgen.

Ik klapte in mijn handen om haar weg te jagen. Ze bewoog niet. Daarna zei ik “ksst”, een woord waarvan ik altijd had aangenomen dat katten het internationaal begrepen. De kat kneep haar ogen dicht en begon haar voorpoot te wassen.

“Ze is niet bang voor jou,” zei mijn vrouw.

“Dat komt nog.”

Ik zette mijn koffie op tafel en ging zitten. De kat bleef onder de bank liggen. Na tien minuten kroop ze naar voren en ging ze precies bij mijn linkerslipper zitten. Dat vond ik brutaal, maar nog geen reden om maatregelen te nemen.

De volgende ochtend stond er een schaaltje water naast de veranda.

“Heb jij dat neergezet?”

“Het is warm.”

Dat was geen antwoord op mijn vraag, maar in ons huwelijk gebeurt dat vaker.

Een dag later lag er een stukje gebakken makreel naast het water. Mijn vrouw beweerde dat het over was. Dat kon kloppen, al vond ik het vreemd dat het mooiste stuk van de vis toevallig bij een zwerfkat terechtkwam, terwijl ik de avond ervoor genoegen had moeten nemen met de staart.

De kat at, waste haar gezicht en ging weer onder de bank liggen.

“Als je haar voert, blijft ze,” zei ik.

Mijn vrouw knikte.

Het gesprek was daarmee afgelopen.

Na een week sliep de kat niet langer onder de bank, maar erop. Mijn vrouw had een oude handdoek neergelegd, zogenaamd om de zitting tegen vuile poten te beschermen. Daarmee had de kat dus officieel beddengoed gekregen.

Ik bleef herhalen dat het geen huisdier was. Ze had geen naam, geen halsband en geen toestemming. Mijn vrouw noemde haar inmiddels Lek, omdat ze klein was. De buurvrouw noemde haar Suay, omdat ze mooi was. Een nichtje noemde haar Lisa, naar een zangeres. De kat luisterde naar geen van drieën, wat mijn standpunt bevestigde.

Toen begon het regenseizoen.

Tijdens een stevige bui zat Lek op de veranda en keek door de open deur naar binnen. Het water sloeg onder het dak door. Haar vacht werd donker en haar scheve oor zakte nog verder naar beneden.

“Ze kan toch niet buiten blijven,” zei mijn vrouw.

“Ze is een zwerfkat. Buiten is haar natuurlijke omgeving.”

Op dat moment klonk een harde donderslag. Lek schoot naar binnen, onder de eettafel en vervolgens achter de koelkast. Mijn vrouw sloot de deur.

“Alleen tot de regen stopt,” zei ik.

De regen stopte na twintig minuten. De kat vertrok pas de volgende ochtend.

Vanaf dat moment kwam ze dagelijks binnen. Eerst bleef ze bij de deur. Daarna wandelde ze door de keuken alsof ze de voedselveiligheid kwam controleren. Ze rook aan de vuilnisbak, keek achter het gasstel en tikte een elastiekje onder de kast. Dat elastiekje ligt daar nog steeds. Ik weet niet waarom ik dit onthouden heb.

De bank volgde drie dagen later.

Ik trof haar languit op het middelste kussen, precies op de plek waar ik ’s avonds televisie keek. Ze lag op haar rug, met haar voorpoten tegen haar borst en haar achterpoten zo ver uit elkaar dat iedere vorm van bescheidenheid zoek was.

Ik wees naar de deur.

“Eruit.”

Lek opende één oog.

Mijn vrouw zat aan de andere kant van de kamer en keek naar haar telefoon.

“Ze slaapt.”

“Dat zie ik.”

“Dan moet je haar niet wakker maken.”

Ik ging op het uiteinde van de bank zitten. De kat rekte zich uit en nam nog meer ruimte in. Bij het journaal lag haar staart tegen mijn been. Tegen de tijd dat het weerbericht begon, aaide ik haar zonder erbij na te denken.

Mijn vrouw zag het.

“Je houdt van haar.”

“Ze lag in de weg.”

Dat was blijkbaar een geldige reden om een kat twintig minuten over haar buik te krabben.

Mijn favoriete stoel stond bij het raam. Het was een brede houten stoel met een dik blauw kussen, precies hoog genoeg om mijn benen goed neer te zetten. Ik had hem jaren geleden laten maken door een timmerman uit een naburig dorp. De man beloofde dat hij twee weken nodig had en leverde hem vier maanden later af. Voor Thaise begrippen was dat bijna op tijd.

Lek ontdekte de stoel op een vrijdagmiddag.

Ze draaide drie rondjes over het kussen, duwde haar neus tegen de armleuning en ging liggen. Toen ik haar optilde, maakte ze zich slap. Een kat die weg wil, gebruikt nagels. Een kat die vindt dat jij ongelijk hebt, verandert in een zak rijst.

Ik zette haar op de vloer en ging zitten.

Lek sprong meteen op mijn schoot.

Dat had ik niet voorzien. Ik wilde haar weer wegzetten, maar ze begon te spinnen. Het geluid was verrassend luid voor zo’n klein dier. Mijn vrouw liep langs, zag ons zitten en glimlachte op een manier die mij irriteerde.

“Zeg niets,” zei ik.

“Ik zeg niets.”

Ze zei het met zoveel plezier dat woorden overbodig waren.

Sindsdien was de stoel van Lek. Overdag lag ze op het kussen. ’s Avonds wachtte ze tot ik zat en sprong dan op mijn schoot. Soms beet ze zacht in mijn hand als ik ophield met aaien. Een ondankbaar dier, maar op vaste tijden.

Op een ochtend kwam ik terug van de markt met kattenvoer. Mijn vrouw pakte de zak uit mijn hand.

“Waarom heb je dat gekocht?”

“De makreel is duurder.”

Ze knikte, alsof ze mijn financiële argument volledig geloofde.

Die middag kocht ik online een tweede blauw stoelkussen. Het oude zat vol haren en ik wilde ten minste één nette zitplaats in huis houden. Het pakket arriveerde twee dagen later.

Lek rook eraan, liep er één keer overheen en kroop daarna in de kartonnen doos waarin het was bezorgd.

Mijn stoel kreeg ik niet terug. Het nieuwe kussen ligt nog steeds ongebruikt op de kast. De doos staat bij het raam en mag van mijn vrouw niet weg, omdat Lek erin slaapt.

Officieel hebben wij nog altijd geen kat.

Wel koop ik iedere dinsdag kattenvoer…

Over deze blogger

Farang Kee Nok
Farang Kee Nok
Mijn leeftijd valt officieel onder de categorie ‘bejaard’. Ik woon al 28 jaar in Thailand, probeer dat maar eens na te doen. Nederland was ooit het paradijs, maar het raakte in verval. Dus ging ik op zoek naar een nieuw paradijs en vond Siam. Of was het andersom en vond Siam mij? Hoe dan ook, we waren elkaar goed gezind.

De ICT zorgde voor een regelmatig inkomen, iets wat jullie ‘werk’ noemen, maar voor mij was het vooral een tijdverdrijf. Schrijven, dat is de echte hobby. Voor Thailandblog pak ik die oude liefde weer op, want na 15 jaar zwoegen verdienen jullie wel wat leesvoer.

Ik begon op Phuket, verhuisde naar Ubon Ratchathani, en na een tussenstop in Pattaya woon ik nu ergens in het noorden, midden in de natuur. Rust roest niet, zeg ik altijd, en dat blijkt te kloppen. Hier, omgeven door het groen, lijkt de tijd stil te staan, maar dat doet het leven gelukkig niet.
Eten, vooral lekker, dat is mijn passie. En wat maakt een avond compleet? Een goed glas whisky en een sigaar. Dan heb je het wel zo’n beetje, vind ik. Proost!

1 reactie op “‘De kat die bij ons kwam wonen zonder zich voor te stellen’”

  1. Tino Kuis zegt op

    Wat een leuk verhaal! Noem de kat maar Poesje.

    0

Laat een reactie achter