Lachen of Verdwijnen – Geruchten (deel 7)

Op dag zeventien hoorde Mook de eerste explosie.
Niet hard. Niet dichtbij. Een doffe klap, ergens, ver. Het soort geluid dat je niet zou opmerken als je in een stad woonde, maar in een compound waar het erg stil was tussen drie en vijf ’s middags, drukte iedereen even op pauze. Mook zat in haar stoel met de headset half op. Op het scherm wachtte een man uit Hong Kong op haar antwoord. Ze antwoordde drie tellen later dan haar gewoon was. De man merkte het niet. Khun Sirin, twee bureaus verderop, hield haar hoofd schuin als een hond die een geluid had gehoord dat het niet vertrouwde, en daarna ging haar hoofd weer recht en deed ze alsof er niets was geweest.
Maar er was iets geweest.
Aan het einde van de middag, in het keukentje, hoorde Mook Lin met een andere bediende fluisteren in het Khmer. Ze verstond het niet, maar ze herkende de toon. De toon was ze hebben het over de televisie en wat ze niet mochten zeggen. De toon was ze weten iets en ze willen het niet weten. De toon was overal hetzelfde in elk land in elke taal als mensen iets bespraken wat boven hun loonschaal lag.
“Lin, alles goed?”
Lin draaide zich om. De andere bediende verdween via de andere deur, snel en zonder geluid.
“Alles goed, Mook.”
“Ik vroeg het niet om beleefd te zijn.”
Lin keek naar haar. Haar gezicht trok kort, een kleine beweging in de mond, en daarna stond het weer op de gewone stand. Maar ze kwam dichterbij dan ze ooit was gekomen. Ze deed alsof ze de afwasmachine controleerde. Vanachter de open deur van de afwasmachine, zonder Mook aan te kijken, zei ze:
“Twee bewakers zijn vandaag niet gekomen.”
“Welke?”
“De jonge. Die met het litteken op zijn hand. En de oudere die altijd buiten rookt.”
“Ziek?”
“Nee.”
Lin sloot de afwasmachine. Ze bewoog naar de fruitschaal, alsof ze appels telde.
“Ik weet niet waar ze zijn. Niemand zegt iets. Khun Sirin heeft vanmorgen drie keer naar haar telefoon gekeken. Ze kijkt nooit naar haar telefoon.”
“Wat denk je dat het is?”
Lin pakte een appel op en legde hem terug.
“Ik denk niets, Mook. Denken is niet mijn werk.”
Ze liep weg. Bij de deur draaide ze zich half om.
“Maar als ik wel zou denken,” zei ze, zachtjes, “zou ik denken dat de grens geslotener is dan we dachten.”
In de avond stond de televisie in de gezamenlijke ruimte van niveau twee aan.
Mook had nog nooit gezien dat hij aanstond. Op niveau twee mocht je hem aanzetten, in tegenstelling tot beneden, maar niemand deed het. Mensen op niveau twee keken niet naar het Cambodjaanse nieuws. Mensen op niveau twee deden alsof ze Singaporees waren of Maleisisch of internationaal, het maakte niet uit zolang het niet hier was. Vanavond stond het nieuws aan. Niemand keek. Maar het stond aan.
Mook ging staan. Niet zitten. Staan was minder ingewikkeld om weer weg te lopen.
Op het scherm: Cambodjaanse soldaten. Een kaart. Een rode stippellijn rond een tempel met een naam die ze kende uit haar schoolgeschiedenis maar nooit echt had begrepen. Preah Vihear. Onderaan in beeld een tikkertje met getallen. De getallen telden vermoedelijk doden, maar er stond niet bij wat ze telden, en de presentatrice had een gezicht dat geen verdriet liet zien want verdriet was niet in haar contract opgenomen.
Khun Sirin kwam de ruimte in. Ze keek naar de televisie. Ze keek naar Mook. Ze pakte de afstandsbediening en zette het geluid uit.
“Niet alles is voor jullie,” zei ze. Niet onvriendelijk. Niet vriendelijk. Functioneel.
“Wat gebeurt er?” vroeg Mook.
“Niets dat ons hier raakt.”
“Iemand schoot vanmiddag.”
“Ver weg.”
“Hoe ver?”
Khun Sirin keek haar aan voor twee tellen langer dan gewoon was.
“Ver genoeg,” zei ze.
Ze zette de televisie uit. Ze nam de afstandsbediening mee.
Die nacht ging de stroom uit.
Niet lang. Misschien acht seconden. Genoeg dat de airco stopte. Genoeg dat het noodlampje in de gang oplichtte en weer doofde. Genoeg dat Mook, die wakker was, dat ze de laatste vier nachten niet veel sliep, het verschil voelde tussen een gebouw met stroom en een gebouw zonder. Een gebouw met stroom maakt geluid. Een gebouw zonder is angstaanjagend stil. En in die stilte hoorde ze, ergens in de verte, een geluid dat niets met de compound te maken had. Een ander soort dof, een lage trilling, ver, niet ver genoeg.
De stroom kwam terug.
Het geluid bleef.
Op dag achttien werd het ontbijt vijftien minuten later gebracht.
Op dag negentien werd het zonder yoghurt gebracht. Lin verontschuldigde zich. De levering is niet gekomen. Mook knikte alsof yoghurt iets was waar ze om gaf. Ze gaf niet om yoghurt. Ze gaf om wat de afwezigheid van yoghurt betekende.
Op dag negentien ook, om kwart over vijf ’s ochtends, ging Mook weer naar het keukentje, schoof de koelkast opzij, en ging de personeelstrap af.
Ze had geen plan. Ze had alleen het feit dat als de structuur begon te rafelen, de eerste plek waar het zichtbaar zou zijn, beneden was. Beneden waar Boy was. Beneden waar Pim was, als Pim er nog was, want over Pim had ze in negen dagen niets gehoord, en dat was de soort niet-informatie waar je niet om vroeg.
Bij de deur op de eerste verdieping deed ze hem op een kier.
In de gang stond Boy.
Hij stond er gewoon. Niet langslopend. Stilstaand, tegen de muur, alsof hij wachtte. Zijn ogen waren op de deur gericht voordat ze hem opende.
Mook bevroor.
Dat was niet het plan. Niet zíjn plan, niet háár plan. Dit was anders. Dit betekende dat hij wist dat ze kwam. Of dat hij het hoopte. Of dat het hier nu zo erg was dat de regels niet meer golden, en dat was de slechtste van de drie opties.
Hij kwam in beweging. Niet snel. Drie passen. Hij stopte voor de deur, aan de andere kant, en sprak door de kier.
“Twintig seconden.”
“Wat is er.”
“Pim is verplaatst. Vier dagen geleden. Niemand heeft haar meer gezien.”
Mook voelde iets in haar borst dat ze niet wilde voelen.
“Waarheen?”
“Weet ik niet.”
“Boy…”
“Twee dingen. Ze gaan jou misschien naar boven verplaatsen. Niveau drie. Heb je ervan gehoord?”
“Nee.”
“Goed. Niveau drie is niet werken. Niveau drie is verkocht zijn.”
Mook hield haar adem in.
“Twee,” zei hij. “Als ik morgen een rode lap aan het hek aan de westkant zie hangen, betekent dat de bewaking is uitgedund. Als ik morgen geen rode lap zie, blijft alles zoals het is. Houd je ogen open.”
“Wie hangt die lap op?”
“Niemand. Of iemand. Niet ons probleem. Ons probleem is hem wel of niet zien.”
Stilte.
“Boy.”
“Ja.”
“Hoe gaat het met je.”
Hij zweeg. Twee tellen. Drie.
“Slecht,” zei hij toen, heel zacht. “En jij?”
“Slecht.”
“Goed. Dan zijn we tenminste eerlijk.”
Hij liep weg. Snel nu. De deur ging dicht.
Mook stond in de personeelstrap met haar hand nog op de klink en hoorde haar eigen ademhaling. Ze hoorde ook iets anders. Heel ver. Laag. Een trilling die niet van het gebouw kwam.
Boven, in haar kamer, ging ze voor het raam staan.
De lucht was lichter dan gisteren rond deze tijd. Of donkerder. Ze wist het niet meer. Tijd was hier al elf dagen niet meer iets dat klokken konden vangen.
Ze keek naar het oosten, waar de zon vandaan zou moeten komen, en zag aan de horizon een lichte oranje gloed die niet bij zonsopgang hoorde. Het was niet vuur. Het was niet rook. Het was iets ertussenin, een soort warmte in de lucht, alsof ergens iets had gebrand en het brandblussen pas later was gebeurd.
Ze fluisterde tegen het raam: “Mooie ochtend.”
Het raam zei niets.
“Tien sterren,” zei ze. “Negen omdat je tralies hebt. Eentje eraf omdat ik het raam niet open kan doen.”
Ze ademde uit op het glas.
Op het glas verscheen een kleine condensvlek, in de vorm van haar adem.
Ze schreef er met haar vinger drie tekens in.
Niet bang.
Toen veegde ze het uit voordat de camera het kon zien.
Maar haar vinger had het geschreven. Haar vinger wist het. En haar vinger loog niet, want haar vinger was Mook, en Mook was nog Mook, en Mook was bang, ja, doodsbang, maar niet zo bang dat ze nog niet kon liegen tegen een raam.
Beneden, ergens, dacht een jongen aan een rode lap aan een hek dat hij niet kon zien.
En verder weg, voorbij het hek, voorbij de muur, voorbij de bewakers en het dorp en de weg en de grens, zat een man in een kantoor in Phnom Penh aan een bureau te ontbijten en las hij een persbericht over georganiseerde criminaliteit en knikte hij goedkeurend bij de formulering, en hij was niet bang voor wat er kwam, en hij was niet bang voor de explosies in het oosten, en hij was niet bang voor Mook of voor Boy of voor iemand zoals zij, en daar zat hij, en hij at zijn eieren, en niemand zou hem ooit aanraken.
* * *
Eerder in deze serie verschenen:
- Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
- Lachen of Verdwijnen – De Baan van haar Leven (deel 1)
- Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)
- Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
- Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur18 juni 2026Lachen of Verdwijnen – Geruchten (deel 7)
Cultuur15 juni 2026Lachen of Verdwijnen – De achtertrap (deel 6)
Cultuur14 juni 2026Lachen of Verdwijnen – De verhuizing (deel 5)
Lezersinzending3 juni 2026Op mijn 69ste nog tientallen kilo’s kwijtraken? Mijn ervaring met Mounjaro in Thailand
