Om zeven uur zat ik met alle lichten uit achter het gordijn van mijn woonkamer, omdat een man uit Rayong mij had uitgenodigd voor een gesprek in een restaurant waar ik niet meer mocht komen. Zodra ik het zo formuleerde, klonk mijn gedrag nogal overdreven. Toch deed ik het licht niet aan.

De zwarte pick-up van de avond ervoor had ik daarna niet meer gezien. Ik wist niet of Ploys man erin had gezeten, maar in mijn hoofd was dat inmiddels een vaststaand feit geworden. Angst heeft weinig bewijs nodig. Een donkere auto, een onbekend telefoonnummer en een lage mannenstem zijn meestal voldoende.

Die maandagochtend had Ploy slechts één bericht gestuurd.

‘Promise you not go restaurant.’

Ik had het beloofd en haar daarna gevraagd of haar man werkelijk in Pattaya was. Mijn bericht werd gelezen, maar ze gaf geen antwoord. Ook op mijn vraag of zij die dag moest werken, bleef het stil.

Rond het middaguur stuurde het naamloze profiel met de zwarte pick-up opnieuw.

‘Seven. You come.’

Ik antwoordde niet. Een kwartier later volgde: ‘Man talk man.’

Dat hielp niet. Zodra iemand benadrukt dat twee mannen alleen maar hoeven te praten, krijg ik het gevoel dat er tijdens zo’n gesprek opvallend weinig aandacht zal zijn voor grammatica en beleefdheidsvormen.

Mijn Vlaamse vriend belde om halfvijf. Ik had hem de berichten doorgestuurd en verwachtte een waarschuwing, maar hij vond juist dat ik de man moest ontmoeten.

‘Gisteren zei je dat ik niet moest gaan.’

‘Gisteren stond er een zwarte wagen voor uw deur. Vandaag zit ge binnen met de airco aan.’

‘Dat maakt hem niet minder gevaarlijk.’

‘Nee, maar u wel minder moedig.’

Ik vertelde hem dat moed op mijn leeftijd vooral betekende dat je niet onnodig van een trap viel. Hij lachte, maar werd daarna ernstiger.

‘Ga niet naar dat restaurant. Als ge toch wilt praten, doe het dan beneden bij de receptie. Daar zijn camera’s en volk. En zeg tegen de bewaking dat ge bezoek verwacht.’

Dat klonk redelijk, waardoor ik onmiddellijk redenen begon te zoeken om het niet te doen. Ik kende Ploy nauwelijks en was haar man geen uitleg verschuldigd. Bovendien had ik haar beloofd weg te blijven. Toch bleef er iets knagen. Misschien was dat mannelijke trots, maar het kon ook gewone nieuwsgierigheid zijn. Die twee worden vaker met elkaar verward.

Om kwart voor zeven liep ik naar beneden en vertelde ik Niran, de avondbewaker, dat er mogelijk een Thaise man naar mij zou vragen. Hij zat achter zijn kleine bureau naar een voetbalwedstrijd op zijn telefoon te kijken en keek nauwelijks op.

‘Friend?’

‘Not really.’

‘Problem?’

‘Maybe.’

Nu legde hij zijn telefoon wel neer. ‘Big problem?’

‘Hopefully small.’

Niran wees naar de camera boven de ingang. Daarna haalde hij uit een lade een houten stok die ik daar nooit eerder had gezien en zette hem tegen zijn stoel.

‘Now small,’ zei hij.

Ik ging op een bank bij de receptie zitten. Door de glazen deuren keek ik uit op de parkeerplaats, waar drie zwarte pick-ups stonden. Thailand bleek plotseling vol auto’s te zitten die mij mogelijk iets wilden aandoen.

Om twee minuten over zeven kwam het bericht: ‘I wait restaurant.’

Ik voelde opluchting, maar ook een lichte teleurstelling over mezelf. Blijkbaar had ik verwacht dat de man mij persoonlijk zou komen halen, terwijl hij gewoon zat te wachten op de plek die hij had genoemd.

‘Not coming,’ schreef ik.

Zijn antwoord verscheen vrijwel meteen.

‘Why?’

‘Ploy ask me not come.’

Een halve minuut bleef het stil. Daarna ontving ik een foto van de ingang van mijn appartementencomplex.

‘Okay. I come you.’

Niran zag mijn gezicht en pakte zijn houten stok. ‘Big problem now?’

‘Maybe medium.’

De pick-up draaide vijf minuten later de parkeerplaats op. Het was dezelfde wagen die de avond ervoor voor het gebouw had gestaan, al kon ik dat alleen herkennen aan een witte kras boven het achterwiel. De bestuurder parkeerde keurig tussen de lijnen, zette de motor uit en bleef even zitten.

Toen hij uitstapte, was mijn eerste gevoel vooral verwarring. Ik had een brede man met een leren jas verwacht, hoewel niemand bij ruim dertig graden vrijwillig een leren jas draagt. De man die naar de ingang liep, was kleiner dan ik en droeg een grijs poloshirt, een donkere broek en blauwe plastic slippers. Hij had een vermoeid gezicht en dun haar dat zorgvuldig naar één kant was gekamd.

Niran ging staan.

‘Nico?’ vroeg de man.

‘Yes.’

Hij keek naar Niran en daarna naar de houten stok. ‘Why security?’

‘He always sits there.’

Dat was waar, al zat hij gewoonlijk zonder slagwapen.

De man stak zijn hand uit. ‘My name Krit. Ploy husband.’

Zijn handdruk was slap, maar dat stelde me nauwelijks gerust. Een stevige handdruk zegt niet dat iemand betrouwbaar is en een slappe niet dat hij ongevaarlijk is. Toch baseren mannen er complete zakelijke relaties op.

We gingen in een hoek van de lobby zitten. Krit koos de stoel vanwaar hij zijn pick-up kon zien en legde zijn telefoon op tafel. Vervolgens keek hij me een tijdje aan zonder iets te zeggen.

‘You meet my wife,’ begon hij.

‘We had coffee.’

‘I see photo.’

‘Yes.’

‘You touch hand.’

‘She touched my hand.’

Zodra ik het zei, hoorde ik hoe kinderachtig het klonk. Alsof ik bij de schooldirecteur zat en wilde uitleggen wie er begonnen was.

Krit opende de foto en schoof zijn telefoon naar mij toe. Ploys hand lag inderdaad op de mijne. Van buitenaf zag het er intiemer uit dan ik me herinnerde, misschien omdat een stilstaand beeld alles wat ervoor en erna gebeurde weglaat.

‘She say no husband?’ vroeg hij.

‘She told me she is married, but you live separate almost two years.’

Krit trok zijn wenkbrauwen op. ‘Two year?’

‘Almost.’

Hij zocht in zijn telefoon en liet me een foto zien waarop hij naast Ploy en haar dochter stond. Achter hen hing een bord met gekleurde lampjes en op tafel stond een taart.

‘Three month ago,’ zei hij. ‘Birthday daughter.’

‘That does not mean you live together.’

‘She my family.’

‘But you have another woman.’

Krit keek me strak aan. ‘Who say?’

‘Ploy.’

Hij zuchtte, pakte zijn telefoon terug en begon door zijn foto’s te bladeren. Daarbij kwamen beelden voorbij van airconditioners, gereedschap, een hond met een rood halsbandje en opvallend veel maaltijden. Uiteindelijk vond hij een foto van een vrouw achter een verkoopkraam.

‘My cousin,’ zei hij.

Ik had geen idee of dat waar was. Ook in Nederland is een foto van een vrouw geen sluitend bewijs van haar plaats in een relatie, maar in Thailand leek ik met twee koppen koffie ineens tot huwelijksbemiddelaar te zijn benoemd.

Krit liet vervolgens overschrijvingen zien van drieduizend en soms vierduizend baht. Het geld was volgens hem bestemd voor zijn dochter. Ploy had gezegd dat hij weinig betaalde en soms niets, maar dat kon allebei waar zijn. Een vader die af en toe geld stuurt, kan zichzelf gul vinden terwijl de moeder vooral de maanden onthoudt waarin er niets komt.

‘Why you not divorce?’ vroeg ik.

Zijn gezicht veranderde. Niet veel, maar genoeg om te merken dat we bij het onderwerp waren aangekomen waarvoor hij werkelijk was gekomen.

‘Ploy take motorbike.’

‘Her motorbike?’

‘My name. I pay.’

Krit vertelde dat de Honda Click waarop Ploy reed officieel van hem was. Toen ze Rayong verliet, had ze de brommer meegenomen en beloofd de resterende termijnen te betalen. Volgens hem had zij daarna slechts drie keer geld overgemaakt. Er stond nog bijna zeventigduizend baht open.

‘She pay cash,’ zei een stem achter ons.

Ploy stond bij de ingang. Ze droeg haar zwarte werkshirt en hield haar helm tegen haar borst. Haar haar zat slordig vast, terwijl er donkere plekken onder haar ogen lagen. Ze keek eerst naar Krit en daarna naar mij.

‘You promise not come restaurant.’

‘I didn’t.’

Ik wees om me heen, maar mijn technische gehoorzaamheid maakte weinig indruk.

Ploy liep naar onze tafel en legde haar helm met een klap naast Krits telefoon. Niran kwam iets dichterbij, waarbij hij de houten stok langs zijn been hield. Twee bewoners die naar de lift liepen, vertraagden opvallend. Mensen zijn overal ter wereld tegen roddelen, maar zelden tegen luisteren.

Ploy begon snel in het Thais tegen Krit te praten. Hij antwoordde aanvankelijk rustig, maar verhief al snel zijn stem. Ik verstond alleen mijn eigen naam en het woord farang, dat zo vaak viel dat ik aannam dat mijn aanwezigheid niet werd gewaardeerd.

‘English please,’ zei ik.

Beiden negeerden me.

Na enkele minuten draaide Ploy zich naar mij om. ‘He wants money.’

‘For the motorbike?’

‘Motorbike almost finish. I give him cash every month.’

‘You have proof?’

Haar ogen werden smaller. ‘You think I lie?’

‘No, but he shows bank.’

‘Of course he shows. He never show cash.’

Dat was het probleem met bewijs dat iemand op zijn telefoon meeneemt. Het laat precies zien wat de eigenaar wil laten zien en zelden wat ernaast ligt.

Krit tikte met zijn vinger op tafel. ‘She pay motorbike, I divorce.’

‘How much?’ vroeg ik.

‘Sixty-eight thousand four hundred.’

Het bedrag was zo precies dat het betrouwbaar klonk. Oplichters weten dat waarschijnlijk ook.

‘And who must pay?’ vroeg Ploy. ‘Me or Nico?’

Krit haalde zijn schouders op. ‘You want new man. New man help.’

Ploy keek me aan. ‘See?’

Ik zag het inderdaad, maar begreep nog steeds niet alles. Krit leek niet woedend omdat zijn vrouw een andere man had ontmoet. Hij was vooral kwaad omdat zij misschien aan zijn controle ontsnapte voordat de rekening was vereffend.

‘Nico not pay you,’ zei Ploy.

‘Good,’ antwoordde Krit. ‘Then Nico stop.’

Hij schoof zijn telefoon in zijn broekzak en stond op. Ploy begon opnieuw tegen hem in het Thais, maar nu luisterde hij niet meer. Bij de deur draaide hij zich nog een keer naar mij om.

‘You know her one week.’

‘A little longer.’

‘One week,’ herhaalde hij.

Daarna liep hij naar buiten. Niran zette zijn houten stok terug tegen het bureau en pakte zijn telefoon. De voetbalwedstrijd bleek ondertussen te zijn afgelopen, wat hem zichtbaar meer hinderde dan het gesprek.

Ploy bleef bij de tafel staan. Haar vingers klemden zich om de rand van haar helm.

‘Why you talk him?’

‘He came here.’

‘You can stay room.’

‘He knew where I lived.’

‘Because Da follow you. Krit come yesterday night, but I think he come today.’

Daarmee was in ieder geval de zwarte pick-up verklaard. Krit had de avond ervoor niet alleen voor mijn appartementencomplex gestaan, maar was toen kennelijk van gedachten veranderd. Dat vond ik een geruststellend detail, hoewel er weinig geruststellends aan was.

‘Did he threaten you?’ vroeg ik.

‘No. He talk, talk, talk. He say I shame family.’

‘And Da?’

‘She tell me no more work.’

‘She fired you?’

Ploy knikte. ‘She say take holiday. Long holiday.’

‘Do you have money?’

De vraag kwam sneller dan verstandig was. Ploys mond werd hard.

‘You think same Krit.’

‘No, I only ask.’

‘You think I give number because I want money?’

‘That is not what I said.’

‘But you think.’

Ik wilde ontkennen, maar dan zou ik tegen haar liegen. De gedachte was kort door mijn hoofd gegaan, niet omdat Ploy iets had gevraagd, maar omdat ik in Thailand genoeg verhalen had gehoord waarin een nieuwe liefde opvallend snel een kapotte brommer, zieke buffel of dringende ziekenhuisrekening bleek te hebben. Ik had altijd gevonden dat die mannen beter hadden moeten opletten. Nu merkte ik hoe eenvoudig zo’n oordeel is wanneer je zelf niet aan tafel zit.

‘I don’t know what to think,’ zei ik.

Ploy pakte haar helm op. ‘Yes. Better.’

‘What is better?’

‘You think. I go.’

‘Ploy, wait.’

Ze liep naar de deur en stopte daar even, maar draaide zich niet om.

‘Don’t pay him,’ zei ze. ‘Not one baht.’

Daarna zette ze buiten haar helm op en reed weg. Ik bleef bij de glazen deur staan totdat haar achterlicht tussen het verkeer verdween. Niran schoof zijn telefoon in zijn borstzak.

‘Girlfriend?’ vroeg hij.

‘Not really.’

‘Problem?’

‘Yes.’

Hij knikte begrijpend. ‘Girlfriend.’

Boven zette ik alle lichten aan, wat ineens een daad van onafhankelijkheid leek. Krit stuurde een kwartier later een foto van het afbetalingsschema van de brommer. Onder aan de pagina stond 68.400 baht omcirkeld.

‘You help, finish problem,’ schreef hij.

Ik blokkeerde zijn profiel. Dat was de eerste duidelijke beslissing die ik die dag nam en waarschijnlijk ook de verstandigste.

Ploy reageerde niet op mijn excuses. Om halfelf zag ik dat ze mijn bericht had gelezen, maar er verschenen geen bewegende puntjes. Ik schreef nog dat ik Krit niets zou betalen en dat ik haar geloofde over haar bedoeling met het telefoonnummer. Daarna verwijderde ik die laatste zin weer, want geloven en hopen zijn niet hetzelfde.

Om kwart voor zes de volgende ochtend ging de bel van mijn appartement. Ik werd wakker op de bank, waar ik met mijn kleren aan in slaap was gevallen. Eerst dacht ik dat Krit voor de deur stond, maar door het kijkgaatje zag ik Ploy. Naast haar stond een blauwe plastic reismand.

Toen ik opendeed, liep ze zonder iets te zeggen naar binnen. Ze droeg een kleine rugzak en zette de mand op de vloer. Vanuit het rooster keken twee lichtblauwe ogen mij vijandig aan.

‘Snow,’ zei Ploy.

‘Yes, I recognize her.’

De witte kat zag er in werkelijkheid minder vriendelijk uit dan op Line. Dat was een prestatie.

Ploy zette een boodschappentas op het aanrecht. Daarin zaten zakjes kattenvoer, een roze bakje, een schepje en een hoeveelheid kattengrit waarmee ik vermoedelijk een klein strand kon aanleggen.

‘I go Buriram,’ zei ze. ‘My daughter call last night. Krit call my mother many time. I need talk family.’

‘How long?’

‘Maybe three day. Maybe more.’

‘And your apartment?’

‘I pay until end month. After, I don’t know.’

Ze vertelde dat Da haar die ochtend via Line had laten weten dat ze niet meer in het restaurant hoefde te verschijnen. Haar salaris over de afgelopen twee weken zou ze later krijgen. Wanneer later precies was, stond er niet bij.

‘Do you need money for the bus?’ vroeg ik.

Ploy keek me waarschuwend aan.

‘It is only a question.’

‘I have money.’

‘Good.’

‘Not rich. But have.’

‘Also good.’

Ze knielde bij de reismand en opende het deurtje. Snow kwam niet naar buiten. Ploy stak haar hand naar binnen en de kat begon te sissen.

‘She nervous,’ zei ze.

‘That is one explanation.’

Ondanks alles moest Ploy lachen. Daarna bleef ze geknield zitten en streek ze met een vinger over het rooster.

‘I’m sorry yesterday,’ zei ik.

‘You don’t know me.’

‘Krit said the same.’

‘Krit also don’t know me.’

Daar kon ik weinig tegenin brengen.

Ploy stond op en keek me aan. ‘I not ask you pay. Never pay him. If I divorce, I do myself.’

‘Do you want me to wait?’

Ze trok haar rugzak hoger op haar schouder. ‘You are good waiting.’

‘My friend says that too.’

‘Maybe because true.’

Bij de deur raakte ze kort mijn arm aan. Ze kuste me niet en beloofde evenmin wanneer ze zou terugkomen. Toch liet ze haar kat bij me achter, wat in sommige relaties waarschijnlijk meer vertrouwen vraagt dan een kus.

‘Snow no drink milk,’ zei ze. ‘And close balcony. She jump.’

‘Anything else?’

‘She like sleep under bed. Sometimes bite cable.’

Daarna vertrok ze. Vanaf het raam zag ik haar achterop een motortaxi stappen, met haar rugzak tussen haar en de bestuurder in. Ze keek niet omhoog.

In de woonkamer stond het deurtje van de reismand inmiddels open. Snow was verdwenen. Terwijl ik op mijn knieën onder de bank keek, ontving ik nog één bericht van Ploy.

‘If she quiet, check electric cable.’

Vanuit mijn slaapkamer klonk een zacht knappend geluid.

Wordt vervolgd.

Ingezonden door Nico


Laat een reactie achter