Lachen of Verdwijnen – De achtertrap (deel 6)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
Tags: , ,
15 juni 2026

De tweede verdieping had een routine die niet op een routine leek.

Beneden was alles ritme. Hier was alles afspraken. Mook stond op wanneer ze wakker werd, niet wanneer er een lamp aanging. Ze ontbeet wanneer ze trek had, niet wanneer er een bel ging. Het werk begon om elf uur, eindigde om negen, en was niet bellen maar luisteren. Ze sprak met mannen via video. Eerst alleen Engels, later ook eenvoudig Mandarijn met een script ernaast. Ze leerde hun vrouwen te beklagen hoewel ze die niet kenden. Ze leerde geïnteresseerd te kijken naar foto’s van auto’s. Ze leerde dat een man die over zijn boot praat, een man is die op het punt staat geld over te maken naar een crypto-wallet die hem werd aangeraden door een aardige Aziatische dame die hij onlangs had ontmoet.

Het werk was schoner. Dat maakte het erger.

Beneden werd je gedwongen om te liegen. Hier werd je beloond als je het goed kon.

Ze haalde haar eerste week makkelijk.

Niet omdat ze er goed in was. Omdat ze zichzelf geleerd had dat als ze het niet probeerde, ze ergens anders heen zou worden gestuurd, en ergens anders was altijd erger. Khun Anan kwam niet meer langs haar bureau, want haar bureau was op niveau twee en daar werkte hij niet. In zijn plaats kwam Khun Sirin, de vrouw in de beige jurk, die nu lichtgrijs droeg, of donkerblauw, maar altijd hetzelfde model, alsof haar garderobe een uniform was zonder logo.

Khun Sirin gaf compliment in zinnen die altijd hetzelfde structureerden. Goed gedaan vandaag. Je leert snel. We zijn tevreden. Wij. Het was nooit ik. Wij. Mook stelde zich Wij voor als een kamer ergens met mannen aan een tafel die haar nooit zouden ontmoeten en die over haar zouden beslissen. Ze had gelijk, vermoedelijk. Ze wist het niet.

Ze had één voordeel hier dat beneden niet bestond.

Ze mocht zelf koffie halen.

In een keukentje aan het einde van de gang. Een echte espressomachine, een koelkast met yoghurt erin, een fruitschaal die elke ochtend werd aangevuld. Ze ging er drie keer per dag heen, omdat het de enige plek was waar ze even alleen was. Ze maakte koffie, dronk hem niet, gooide hem weg, maakte een nieuwe.

Op de derde dag in het keukentje zag ze de deur.

Achter de koelkast. Een gewone deur, lichtgrijs, geen bordje. Dichte deur. Ze had hem niet eerder opgemerkt omdat de koelkast er gedeeltelijk voor stond, alsof iemand had besloten dat als je de deur niet zag, hij er niet was.

Ze raakte hem niet aan. Ze keek er drie tellen naar en liep weg.

Maar ze onthield hem.

Lin bracht het ontbijt op de vierde ochtend.

“Goedemorgen.”

“Goedemorgen, Mook.”

“Kun je me iets vertellen over de keuken?”

Lin keek niet op van het dienblad. Haar handen bewogen rustig, zonder haperen.

“Welke keuken?”

“Het keukentje. Aan het einde van de gang.”

“Daar is niets te vertellen.”

“Er is een deur achter de koelkast.”

Lin zette het kopje neer. Heel rustig. Ze keek naar Mook. Haar ogen zeiden niets en alles.

“Daar is niets te vertellen,” zei ze opnieuw.

“Sorry.”

“Eet je yoghurt.”

Lin liep naar de deur. Bij de deur draaide ze zich om, half, niet helemaal.

“Personeelstrap,” zei ze, zo zacht dat Mook het bijna miste. “Schoonmakers. Ochtend tussen vijf en zes. Verder niet.”

De deur ging dicht.

Mook at haar yoghurt.

Ze bedacht het de hele dag.

Personeelstrap. Schoonmakers. Vijf tot zes. Tussen vijf en zes was niemand wakker op niveau twee, want niveau twee sliep tot acht of negen. Tussen vijf en zes was het op niveau één, beneden, ontbijttijd voor de eerste ploeg. Tussen vijf en zes was Boy in de eetzaal beneden, of in de gang die naar de eetzaal leidde, en de personeelstrap kwam vermoedelijk uit op een gang die in de buurt van die gang lag, want zo werd een gebouw gebouwd, vanuit logica, niet vanuit toeval.

Ze wilde Boy niet zomaar zien. Ze wilde iets aan hem geven. Het was een idiote gedachte en ze wist dat het idioot was en ze wist ook dat als ze hem niet zou uitvoeren, ze gek zou worden in haar comfortabele kamer met haar raam met smeedijzer.

Ze had niets om te geven. Geen pen, geen papier dat ze niet hoefde in te leveren, geen voorwerp dat van haar was behalve het houten amuletje van haar oma, en dat ging ze niet weggeven. Maar ze had iets anders. Ze had een herinnering aan een grap van vier dagen geleden, beneden, op de bank, voordat ze hier was. Met geluid is het ook beter zonder geluid. Hij had het gezegd. Ze had het gehoord. Het was de eerste keer geweest dat iemand hier haar had laten lachen.

Ze pakte een papieren servet uit het keukentje, dunnetjes, en stopte het in haar mouw.

Op haar kamer scheurde ze een hoekje af, ongeveer drie bij drie centimeter. Ze schreef er met haar nagel op, want pennen had ze niet, en pen-indrukken bestonden uit het verleggen van vezels, je had geen inkt nodig als de boodschap kort genoeg was. Ze schreef twee Thaise tekens. Ja. Niet meer. Ja waarop, dat zou hij moeten gokken. Ja op de televisie zonder geluid. Ja op haar bestaan nog. Ja op het feit dat zij ook had geweten dat hij die avond op haar wachtte, ook al hadden ze allebei gedaan alsof de bank toevallig was.

Ze stopte het stukje servet in haar mouw, achter de elastieken band van haar polshorloge dat geen polshorloge meer was sinds ze het op dag twee had ingeleverd en daarvoor in de plaats een goedkoop ding had teruggekregen dat klokte op een andere tijd dan de muurklok.

Om vijf voor vijf werd ze wakker.

Ze had zichzelf vier keer voorgenomen om wakker te worden. Het was gelukt zonder wekker, wat haar niet verbaasde, want de laatste elf dagen had ze geleerd dat haar lichaam geen wekkers meer nodig had, het wist gewoon wanneer er iets te wantrouwen viel.

Ze trok de pyjama uit. Ze trok de witte blouse aan en een zwarte broek. Ze deed haar haar in een staartje, zoals Lin dat deed, omdat Lin er hier hoorde en zij niet, en als ze er een beetje uitzag als Lin had ze drie tellen extra voordat iemand zou twijfelen.

In het keukentje was niemand.

Ze schoof de koelkast. Niet veel. Net genoeg dat ze achter hem langs kon. De deur ging open zonder geluid, want hij was geolied, en geolied betekent gebruikt, en gebruikt door iemand die niet wilde dat hij geluid maakte, en dat was alle informatie die ze nodig had.

De trap was steil en grijs. Beton. Een tl-buis halverwege flikkerde. Ze liep naar beneden zonder de leuning aan te raken, want leuningen onthouden vingers en vingers waren bewijs.

Op de eerste verdieping was een deur. Ze deed hem op een kier.

De gang die ze zag was de gang naar de eetzaal. Aan het einde, links, waren de open deuren van de zaal. Ze hoorde het geluid van bestek, van mensen, het ritme van veertig mensen die ontbeten zonder veel te zeggen. Ze kon de zaal niet in. Ze kon de gang niet op. Maar ze kon, vanuit de kier, kijken.

Boy zou langslopen. Hij liep altijd om kwart over vijf naar de wc voor het ontbijt, dat had Pim haar verteld op dag zeven, in een willekeurige opmerking die ze nu pas begreep was geen willekeurige opmerking geweest.

Ze wachtte.

Hij kwam.

Even na kwart over vijf. Hij liep alleen. Hij keek naar de grond, zoals hij altijd deed. Zijn t-shirt was hetzelfde t-shirt als altijd, of een ander t-shirt dat er hetzelfde uitzag, het systeem zorgde voor identieke t-shirts.

Mook deed de deur drie centimeter verder open.

Hij zag de beweging eerst. Niet haar gezicht. De beweging.

Hij stopte niet. Hij vertraagde niet. Hij draaide zijn hoofd geen millimeter. Maar zijn rechterhand, die langs zijn zij hing, opende zich.

Mook gooide het stukje servet.

Het viel kort. Het landde op de tegelvloer een halve meter voor zijn voeten.

Hij liep door. Hij bukte niet. Hij raapte niets op.

Mook hield haar adem in.

Een stukje verder liet hij zijn schoen losgaan. Niet alle veters, alleen één. Hij hurkte, op één knie, maakte de schoen vast, stond op, liep door.

Het servet was weg.

Op de terugweg naar boven gleed Mook bijna uit op de vierde tree. Niet door het beton. Door iets dat van haarzelf kwam, een lichte trilling, ongepaste opluchting, het soort blijdschap dat ze in elf dagen niet had gehad en waar haar lichaam niet meer op was berekend.

Ze haalde de tweede verdieping om vijf over half zes. De koelkast schoof ze terug op zijn plek. Ze dronk een glas water. Ze deed haar pyjama weer aan. Ze ging in bed liggen. Ze keek naar het plafond.

Om kwart voor zeven was ze nog wakker.

“Stommerd,” fluisterde ze, tegen niemand. “Wat doe je nou.”

Maar ze glimlachte. Klein. In het donker. Voor het eerst in elf dagen iets dat geen strategische glimlach was. Iets dat alleen voor haarzelf was. Iets dat niemand zag, ook de camera niet, want camera’s filmen geen glimlachen, ze filmen alleen monden, en monden alleen verraden niet wat erachter zit.

Diezelfde dag, om elf uur, sprak ze via video met een man uit Singapore die net was gescheiden en op zoek was naar advies over zijn portefeuille.

Ze deed haar werk goed. Khun Sirin liep langs en knikte. Mook glimlachte naar de camera, naar de man, naar het script.

Maar ergens in haar mouw, voelde ze nog de plek waar het servet had gezeten.

En twee verdiepingen lager, in een kamer die ze niet kon zien, lag een opgevouwen stukje papier in een schoen onder een bed dat geen slot had op de la, en op dat papiertje stonden twee Thaise tekens, en de jongen die ze daar gestopt had, lag wakker en keek naar het plafond, en bij hem, in het donker, deed zijn gezicht iets dat het al maanden niet meer had gedaan.

Hij glimlachte ook.

Niemand zag het.

* * *

Eerder in deze serie verschenen:

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

3 reacties op “Lachen of Verdwijnen – De achtertrap (deel 6)”

  1. JosNT zegt op

    Prachtig Hans, ik hou van je schrijfstijl en wacht met ongeduld op deel 7.

    3
  2. Hans zegt op

    Je hoeft niet lang te wachten want deel 7 is al ingestuurd.

    1
  3. theiw zegt op

    Kan deel 5 niet openen, want dan krijg ik deel 6 steeds.
    Is er een foute link?

    0

Laat een reactie achter