Lachen of Verdwijnen – De verhuizing (deel 5)

Op dag elf werd Mook geroepen.
Niet door de luidspreker, want luidsprekers waren voor groepen. Door een vrouw die ze nog niet eerder had gezien, ouder, in een beige jurk die te netjes was voor de gang waarin ze stond. De vrouw zei haar naam, correct uitgesproken, en zei dat ze haar spullen kon meenemen. Welke spullen, vroeg Mook niet. Ze had geen spullen. Haar tas was op dag twee weggehaald, precies zoals Pim had voorspeld. Wat ze nog had paste in haar broekzak en in haar bh.
“Mooi,” zei Mook. “Ik was net aan het inpakken.”
De vrouw glimlachte niet.
Pim keek niet op van haar scherm, maar haar schouders verstrakten op een manier die alleen Mook kon zien. Ze schreef iets op haar notitieblok, niets bijzonders, het cijfer drie omcirkeld, en schoof het blad een centimeter naar links. Mook keek ernaar terwijl ze opstond. Drie. Drie wat. Drie meisjes hiervoor. Drie weken voordat. Drie iets. Mook wist het niet en Pim ging het haar niet vertellen, niet hier, niet nu.
“Tot later,” zei Mook.
Pim antwoordde niet.
De gang waar de vrouw haar mee naartoe nam, was een gang waar Mook nog niet was geweest. Aan het einde, achter een deur die eerst op slot zat en daarna niet meer, lag een trap omhoog. Twee verdiepingen. De eerste rook nog naar het beneden, schoonmaakmiddel en oude koffie. De tweede rook anders. Naar parfum. Naar iets met sandelhout. Naar een idee van comfort dat met geld te koop was.
De deur op de tweede verdieping was van glas. Erachter een gang met tapijt. Echt tapijt. Mook had in elf dagen geen tapijt gezien.
“Welkom op niveau twee,” zei de vrouw, in beter Engels dan ze tot nu toe had gesproken. “Hier krijg je een eigen kamer. Je krijgt nieuwe kleren. Je krijgt betere maaltijden. De targets zijn anders.”
“Anders hoger of anders lager?”
De vrouw keek haar even aan. Ze leek te overwegen of ze de vraag grappig moest vinden.
“Anders,” zei ze.
“Helder,” zei Mook. “Dat is ook een van de drie soorten antwoorden.”
De vrouw glimlachte heel kort. Het was niet de glimlach van iemand die ontroerd was. Het was de glimlach van iemand die noteerde dat dit nieuwe meisje toch weer iets zei. Ze zou het later doorgeven. Iemand zou het lezen. Iemand zou een conclusie trekken. De conclusie zou niet in Mooks voordeel zijn, of misschien juist wel, en dat was het probleem: ze wist het niet.
De kamer had een raam.
Het was hoog en smal en het traliewerk was van smeedijzer in plaats van staal, wat een esthetische beslissing was, niet een veiligheidstechnische. Het uitzicht was op een binnenplaats met een vijver waarin geen vissen zwommen. Maar het was een raam. Mook stond er een minuut voor en dacht: als ik hier wegga, herinner ik me dit raam. En dan dacht ze: als ik niet wegga, herinner ik me dit raam ook. En dan dacht ze: dit moet ik aan iemand vertellen anders wordt ik gek. En dan dacht ze: er is hier niemand om het aan te vertellen. En toen voelde ze het, voor het eerst sinds de bus, een beweging in haar borst die niet droge humor was maar iets onder de droge humor, iets dat ze niet kon laten zien want hier zat een camera, ze had hem nog niet gevonden maar hij was er, dat wist ze.
Ze ademde in. Ze ademde uit.
“Mooi raam,” zei ze, zachtjes, tegen de kamer. “Tien sterren.”
De camera, waar hij ook zat, registreerde niets bijzonders.
De kleren lagen op het bed.
Drie outfits. Een witte blouse met een licht topje eronder. Een donkere jurk, knielengte, simpel maar duur. Een set pyjama in zachte stof die niet uit Cambodja kwam. Schoenen met een kleine hak. Een tasje voor iets, ze wist niet wat, want ze had niets om erin te doen.
Op het bureau lag een make-uptasje.
Mook keek ernaar zonder het aan te raken. In elf dagen had haar gezicht zichzelf hersteld tot wat het was zonder hulp. Ze wist niet meer precies hoe ze eruitzag. Er was geen spiegel in haar oude kamer geweest, alleen een raampje in de wc-deur waar ze zichzelf vaag had gezien als ze er recht voor stond. Ze had zichzelf in elf dagen niet echt aangekeken.
Hier was wel een spiegel. Een hele grote kastspiegel.
Ze keek erin.
De Mook in de spiegel was iets dunner. De wangen waren niet weg maar ze waren minder vol. De ogen stonden ietsje verder weg, niet letterlijk, maar in de blik. Haar haar was lang en glanzend nog, maar de glans was van slecht slapen, niet van shampoo. Haar lippen waren droog. Een kleine schilfer onderaan, links.
“Hoi,” zei ze tegen zichzelf.
De Mook in de spiegel zei niets terug.
“Geen antwoord,” zei Mook. “Ook goed.”
Het diner werd op haar kamer gebracht.
Door een meisje, ongeveer haar leeftijd, in dezelfde witte blouse als die op Mooks bed lag. Het meisje zette het dienblad neer en wilde weglopen.
“Hoe heet je?”
Het meisje aarzelde. Keek even naar het plafond, in de hoek, waar de camera zou kunnen zitten.
“Lin.”
“Mook.”
“Ik weet het.”
Lin liep weg. De deur ging dicht. Niet op slot, viel Mook op. Op slot was iets van beneden. Hier vertrouwden ze andere dingen.
Het eten was beter. Echte vis. Een groente die niet gekookt was tot de smaak op had gegeven. Een glas water dat eruitzag als water in plaats van als water dat ergens doorheen was gegaan. Mook at langzaam. Ze had zichzelf voorgenomen om alles wat hier kwam te wantrouwen, maar haar maag had die memo niet ontvangen.
Na het eten kwam de vrouw in de beige jurk terug.
“Je werk hier is anders,” zei ze. “Je belt niet meer Amerikanen. Je spreekt mannen die hier komen. Of via video. Beter Engels. Soms Mandarijn, kun je dat?”
“Een beetje. Genoeg om eten te bestellen.”
“Dat is genoeg. Veel is hetzelfde als bestellen.”
Mook keek haar aan.
“Wat moet ik bestellen?”
“Vertrouwen.”
Stilte.
“En verkopen,” voegde de vrouw toe. “Maar dat komt later.”
Ze legde een dossier op het bureau en liep weg. Mook deed het pas open toen de deur dicht was. Foto’s van mannen. Westers, Aziatisch, gemengd. Onder elke foto een kort profiel. Naam, vermogen, voorkeur, zwakke plek. Het was geen verkoopcatalogus van producten. Het was een verkoopcatalogus van slachtoffers. En Mook stond aan de verkeerde kant van de tafel.
Ze sloot het dossier.
Ze legde haar hand erop alsof het haar tegen zou kunnen houden om weer open te gaan.
Voor het slapen ging stond ze nog een keer voor de spiegel.
Ze had niets aangetrokken van de nieuwe kleren. Ze droeg nog haar grijze t-shirt. Ze haalde de kleine houten amulet uit haar bh en hield hem in haar hand. Hij was warm van haar lichaam.
“Oma,” zei ze tegen het stukje hout. “Ik weet niet of je dit fijn zou vinden.”
Het hout zei niets terug. Het hout had nooit veel gezegd. Dat was het punt van het hout.
Ze stopte het terug.
Beneden, twee verdiepingen lager, was Boy nu in zijn eigen kamer. Hij wist nog niet dat ze weg was. Hij zou het morgenochtend ontdekken bij het ontbijt, als ze niet kwam. Hij zou niets laten zien. Hij zou doorlopen. Hij zou langs Pim lopen en Pim zou kort knikken en hij zou begrijpen wat dat knikje betekende. En dan zou hij gaan zitten en eten en niemand zou zien dat er iets was veranderd. Maar er was iets veranderd. Voor hem ook. Misschien voor hem het meest.
Mook wist dat allemaal niet. Mook stond voor een raam met smeedijzer en keek naar een vijver zonder vissen.
“Dit is dus opklimmen,” zei ze, tegen het raam.
Het raam zei niets terug. Maar het raam, in tegenstelling tot het hout, had glas. En glas weerkaatste. En in de weerkaatsing zag ze haar eigen gezicht, vaag, dubbelop, één keer Mook en één keer een spookversie van Mook achter de eerste, twee Mooken die elkaar aankeken en alletwee niet wisten welke van de twee de echte was.
Ze koos.
“Jij bent de echte,” zei ze tegen de eerste. “Sorry.”
* * *
Eerder in deze serie verschenen:
- Lachen of Verdwijnen – Een Nieuw Verhaal van Hans in 10 delen
- Lachen of Verdwijnen – De Baan van haar Leven (deel 1)
- Lachen of Verdwijnen – De Eerste Regel (deel 2)
- Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
- Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Lezersinzending3 juni 2026Op mijn 69ste nog tientallen kilo’s kwijtraken? Mijn ervaring met Mounjaro in Thailand
Cultuur2 juni 2026Lachen of Verdwijnen – De verhuizing (deel 5)
Cultuur27 mei 2026Lachen of Verdwijnen – Targets en Tussen de Regels (deel 4)
Cultuur21 mei 2026Lachen of Verdwijnen – Jessica uit Ohio (deel 3)
