De eerste week leerde Mook drie dingen.

Het eerste was hoe je iemand laat geloven dat je Jessica heet. Dat was makkelijker dan ze had gedacht. Mensen wilden geloven. Mannen aan de andere kant van de lijn, in slecht verlichte keukens in Pennsylvania of Florida of Arizona, wilden geloven dat een vrouw hen belde. Niet eens een mooie vrouw. Een vriendelijke vrouw. Een vrouw die naar hen luisterde. Het script werkte niet door de woorden maar door de pauzes. Dat had Pim haar uitgelegd op de tweede dag, zonder op te kijken van haar eigen scherm.

“De pauzes zijn waar het geld zit. Praat niet over het geld. Wacht tot zij over het geld beginnen. Dat duurt korter dan je denkt.”

Het tweede was dat targets bestonden in twee soorten. Wekelijkse targets, die haalbaar waren. Maandelijkse targets, die dat niet waren. Wie de wekelijkse haalde, kreeg een sticker op een bord in de hal en een halfuur extra recreatie. Wie de wekelijkse miste, kreeg de avondmaaltijd een dag later. Wie de maandelijkse miste, ging door een deur achterin de oost-vleugel waar Mook nog niemand had zien terugkomen. Niemand sprak over die deur. De deur was er. Dat was genoeg.

Het derde was dat het systeem oplette wie aardig werd gevonden door wie. Khun Anan liep langs de bureaus en keek niet naar de schermen, maar naar de gezichten. Hij wist welke nieuwkomers naast wie aten. Welke meisjes in dezelfde groep recreatie hadden. Wie naar wie keek tijdens het wachten in de gang. Hij hield het bij in zijn hoofd, of in een notitieboek dat niemand ooit zag. Vriendschap was hier ook een grondstof, en hij beheerde de voorraad.

Op dag zes haalde Mook haar eerste wekelijkse target.

Pim haalde de hare niet. Ze miste hem met één call. Mook zag het op het bord, een lege plek waar Pims sticker had moeten zitten, en die avond was Pims dienblad leger dan andere dienbladen, geen vis, geen ei, alleen rijst en de bruine soep waar niemand naar keek.

Mook ging naast haar zitten. Ze schoof haar eigen ei op Pims dienblad.

“Doe niet.”

“Ik lust geen ei.”

“Je liegt.”

“Ik lieg professioneel nu. Het is een vaardigheid.”

Pim keek haar aan voor het eerst die avond. Haar ogen waren droog maar de huid eronder was rood, alsof ze recent was gestopt met huilen, of recent was begonnen.

“Ze zien dit,” zei Pim zachtjes. “Niet doen.”

“Wie zien.”

“Iedereen.”

Mook liet het ei liggen. Pim at het niet meteen. Ze at het pas tien minuten later, toen ze dacht dat niemand keek. Iemand keek altijd. Maar misschien deze keer iemand die het niet erg vond.

Boy zat die avond weer op dezelfde bank.

Mook had er in de afgelopen drie dagen een gewoonte van gemaakt om dezelfde plek te kiezen, op afstand maar binnen zicht. Niet naast hem. Dat zou opgemerkt worden. Twee meter naar rechts, op de andere arm van de bank, de televisie tussen hen in als excuus. Hij zat er ook elke avond. Of hij wachtte op haar of zij op hem, dat was niet duidelijk en het hoefde ook niet duidelijk te zijn.

De televisie speelde een gameshow. Iemand won iets. Het publiek juichte geluidloos.

“Ze winnen een ijskast,” zei Mook tegen niemand.

“Hoe weet je dat.”

“Ik herken de jingle.”

“Er is geen geluid.”

“Ik herken hem zonder geluid. Dat is hoe goed die jingle is.”

Boy gaf één korte uitademing door zijn neus. Het was geen lach. Het was minder dan een lach. Maar het was meer dan zwijgen.

“Hoelang ben je hier,” vroeg ze.

Hij zweeg.

“Sorry. Vraag terugnemen.”

“Geeft niet.” Hij keek nog steeds naar de televisie. “Ik weet het niet meer.”

“Echt niet?”

“Ergens zeven, acht maanden. Ik tel niet meer.”

“Slimme keuze.”

“Tellen helpt niet.”

“Niet tellen helpt ook niet.”

“Klopt.”

Stilte. Op het scherm omhelsde een vrouw een man die niet haar man was, in een setting die Mook niet helemaal volgde. Misschien was het toch geen gameshow.

“Pim mist haar target,” zei Boy, na een tijdje. Heel zacht. Niet kijkend.

“Ik weet het.”

“Ze geven haar nog één week. Daarna verplaatsen ze haar.”

“Waarheen?”

Hij gaf geen antwoord.

Mook voelde iets in haar maag dat niet door het eten kwam.

“En ik?” vroeg ze. “Hoeveel weken heb ik?”

“Jij haalt je targets.”

“Voor nu.”

“Voor nu is wat we hebben.”

Hij stond op. Liep weg zonder haar aan te kijken. Zijn beker liet hij staan. Het was een teken, dacht Mook later. Een markering. Hij had hier gezeten. Zij had hier gezeten. Iemand die het zou willen weten zou alleen twee bekers zien en geen verband.

Khun Anan kwam de ruimte binnen. Hij keek niet naar Mook. Hij keek naar niemand specifiek. Hij liep langs en pakte beide bekers van de tafel en zette ze in de wasbak en liep door.

Mook bleef zitten tot recreatie afgelopen was.

Op dag acht gebeurde er iets met haar derde call van de avond.

Een man heette Donald. Hij was achtenzestig en woonde alleen sinds zijn vrouw drie jaar geleden was overleden. Mook had hem nu twee keer eerder gesproken, kort, voorbereidende calls, en vanavond was de call waarin het script overging naar wat Khun Anan de transitie noemde. Het moment waarop Jessica niet langer alleen klantenservice was maar ook een vriendin. Het moment waarop er werd gelachen over kleine dingen, gevraagd naar zijn kleinkinderen, geluisterd naar het verhaal van zijn vrouw die kanker had gehad. Het moment waarop hij vertrouwen kreeg in iemand die niet bestond.

Donald vertelde over zijn vrouw. Hij vertelde over de tuin die hij niet meer onderhield omdat zij degene was geweest die ervan hield. Hij vertelde dat hij blij was dat Jessica had teruggebeld. Dat hij niet zoveel mensen had om mee te praten. Dat hij sinds de pandemie eigenlijk niemand meer regelmatig sprak.

Mook zei wat het script wilde dat ze zei.

Mook hoorde haar eigen stem en hoorde Donald en hoorde de stilte tussen hen in en in die stilte hoorde ze haar eigen moeder, die ook alleen woonde, die ook een tuin had die niemand onderhield sinds Mooks vader was vertrokken. En Mook deed wat ze niet had moeten doen. Ze week één zin af van het script. Niet veel. Niet genoeg om in moeilijkheden te komen. Maar net genoeg.

“Donald, can I ask you something? Have you ever sent money to someone you only know online?”

Stilte aan de andere kant.

“Why are you asking me that, Jessica?”

“Just being careful, sir. There are a lot of bad people out there.”

Een langere stilte. Toen, zachtjes: “Are you one of them?”

Mook hield haar adem in.

“No, sir. I’m just doing my job.”

“Okay.”

Het gesprek liep nog vier minuten. Donald zei aan het einde dat hij nog zou nadenken. Mook hing op.

Ze keek niet meteen op. Ze wist dat als ze opkeek, Khun Anan vier bureaus verderop zou staan, en dat hij zou kijken, en dat hij het zou weten, ook al had hij geen Engels gehoord en had hij geen idee wat er gezegd was. Hij wist het altijd.

Toen ze opkeek, stond hij er niet. Hij zat aan zijn eigen bureau, met zijn rug naar de zaal, een kop thee in zijn hand.

Pim, naast haar, fluisterde zonder haar lippen te bewegen: “Doe dat nooit meer.”

“Wat heb ik gedaan.”

“Ik weet niet wat je hebt gedaan. Maar ik zag je gezicht. Doe dat nooit meer.”

Mook knikte.

Aan het eind van de gang, achter het glas, stond Boy. Hij keek naar haar. Hij hield iets vast in zijn linkerhand, een opgevouwen stukje papier, te klein om te zien wat erop stond. Toen hij merkte dat ze keek, deed hij iets vreemds.

Hij liet het papiertje vallen.

Niet weggooien. Vallen. Achteloos. Alsof het per ongeluk was. Hij liep door zonder te bukken.

Het lag op de vloer in de gang waar iedereen langs liep.

Mook keek naar Pim. Pim had niets gezien. Mook keek naar Khun Anan. Khun Anan had nog steeds zijn rug naar haar toe.

Ze stond op om naar de wc te gaan. De gang door, voorbij het papiertje. Ze stopte niet. Ze bukte niet. Ze raakte het niet aan.

Op de terugweg, drie minuten later, was het papiertje er nog. Niemand had het opgeraapt. Misschien had niemand het gezien.

Ze liet haar pen vallen.

Ze bukte.

Toen ze opstond, had ze twee dingen.

Haar pen.

En het papiertje, klein opgevouwen, onder haar duim.

In de wc, achter een gesloten deur, vouwde ze het open.

Drie woorden. Thaise letters, snel geschreven, vrijwel onleesbaar. Maar leesbaar genoeg.

* * *

Eerder in deze serie verschenen:

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter