Het bamboemandje voor de kleefrijst stond nog op het aanrecht, precies waar zij het had achtergelaten. Frans keek ernaar zoals je kijkt naar iets wat je niet durft aan te raken. De rijst die ze de laatste avond had laten weken was er natuurlijk allang niet meer, drie maanden weggegooid, weggespoeld. Toch schoof hij het mandje elke ochtend een stukje op, naar links, naar rechts, alsof hij het warm hield voor iemand die zo de keuken in zou lopen.

Buiten kwam het dorp op gang. Een haan achter de bananenbomen, dan een tweede, dan een brommer die optrok over het zandpad. De luidspreker van de Wat kraakte en begon aan de ochtendzang, ver weg en blikkerig. Negen jaar geleden had hij van dat geluid niet kunnen slapen. Nu hoorde het bij hem als zijn eigen adem.

Op de drempel stonden haar slippers. Roze, de hak scheef aan de buitenkant, zoals ze altijd liep. Hij had ze niet weg kunnen doen. Zijn dochter in Enschede vond dat ongezond, dat zei ze door de telefoon, met die zachte stem die ze voor hem bewaarde sinds het gebeurd was. Marjon bedoelde het goed. Ze begreep alleen niet dat een paar slippers het laatste bewijs waren dat Da hier had geleefd, dat ze hier de hele tijd was geweest, dat het geen droom was geweest die hij zelf had verzonnen om niet alleen te zijn.

Het was een ochtend in mei begonnen. Da had geklaagd over haar hoofd, een pijn achter haar ogen die niet wegging, en ze had gelachen toen hij zei dat ze naar de dokter moest. Lachen deed ze om alles wat haar bang maakte. Tegen de middag kon ze niet meer goed uit haar woorden komen. De pick-up van haar broer over de provinciale weg naar Udon, het ziekenhuis, de gang met de plastic stoelen. ’s Avonds was ze weg. Geen afscheid dat de naam verdiende, geen laatste zin om de rest van zijn leven aan op te hangen. Tweeënvijftig jaar oud. Een bloeding in haar hoofd, zeiden ze, iets wat er al jaren had gezeten zonder dat iemand het wist.

Bij de wat hadden de monniken drie avonden gezongen. Het hele dorp was gekomen; mensen die hij nauwelijks kende drukten hem witte enveloppen in de hand om de begrafenis te helpen betalen, en hij had geknikt en gewai-d en niet geweten waar hij kijken moest. Haar foto stond voorin, met een zwart lint eroverheen, omringd door goudgele bloemen die zoet roken in de hitte. Toen de kist het crematorium in ging had haar moeder een geluid gemaakt dat hij nooit meer zou vergeten, laag en dierlijk, en hij had zijn arm om de kleine vrouw heen geslagen zonder na te denken. De volgende ochtend hadden ze samen tussen de as gezocht naar de stukjes bot, die nu in de chedi achter de tempel lagen, achter een glasplaatje, met opnieuw haar foto ervoor.

Daarna was het stil geworden. De stilte van na een sterfgeval is een andere stilte dan gewone stilte. Het huis tikte en kraakte in de hitte, de koelkast sloeg aan en uit, de gekko riep ’s avonds zijn naam vanaf het plafond. Allemaal geluiden die er altijd waren geweest, en die hij nu pas hoorde omdat haar stem er niet meer overheen lag.

Haar moeder kwam bijna elke dag. Lamai, een vrouw van over de zeventig met handen als boomwortels, die geen woord Engels sprak en geen woord Nederlands, en met wie hij in al die jaren een eigen taal had opgebouwd uit losse Thaise woorden, gebaren en gelach. Ze veegde het erf, ze zette het glaasje rode Fanta bij het geestenhuisje recht, ze vulde de waterbak voor de honden. Soms ging ze gewoon bij hem op het bankje in de schaduw zitten en zei ze niets. Hij merkte dat hij die stiltes nodig had, meer dan welk gesprek ook.

Want de gesprekken kwamen wel. Uit Nederland, elke zondagavond, als het daar nog ochtend was. Marjon en haar man die voorzichtig begonnen over terugkomen. Over hoe hij hier nu helemaal alleen zat, ver van alles, ver van de kleinkinderen die hij van een scherm kende. Over zijn knie, die het koude seizoen straks weer zou voelen, en over wie er voor hem zou zorgen als er iets gebeurde. Ze hadden gelijk, op de manier waarop mensen gelijk hebben die de feiten kennen, maar niet weten hoe het is.

Het huis was niet van hem. Dat had het nooit kunnen zijn; de grond stond op naam van haar familie, zo ging dat hier, dat had hij allang geweten toen ze het samen lieten bouwen. Hij had het betaald, steen voor steen, de keuken waar ze van droomde, het tegelwerk waar ze maanden over deed om de juiste kleur te kiezen. Nu was hij er een gast in. Niemand zei dat. Niemand hoefde dat te zeggen. Het stond gewoon ergens in de lucht, beleefd en onuitgesproken, samen met de vraag die niemand stelde: wat ga je doen, Frans?

Bij immigratie in Udon had de vrouw achter de balie vriendelijk naar zijn papieren gekeken. Zijn verblijf hing aan het huwelijk, en het huwelijk hing aan een vrouw die er niet meer was. Ze legde uit wat hij moest regelen: een ander soort verblijf, een ander formulier, geld dat op een rekening moest staan. Hij knikte bij alles. Buiten, op de stoep, met de papieren in zijn hand en de hitte die van het asfalt sloeg, had hij ineens hard moeten huilen, midden tussen de mensen, om een formulier.

In de slaapkamer stond zijn koffer al weken half open tegen de muur. Hij stopte er iets in, een trui, de map met verzekeringspapieren, en de volgende dag haalde hij het er weer uit. Dan legde hij haar vest bovenop, dat nog naar haar rook, naar die crème met jasmijn die ze altijd kocht op de markt, en dan kon hij de koffer weer niet dichtdoen. Zo stond het ding daar, halfvol, een vraag in stof en ritssluiting, dag na dag.

De honderd dagen vielen op een ochtend in de regentijd. Het had die nacht gegoten, de weg was een spiegel van bruin water, en boven de rijstvelden hing de lucht laag en grijs. In de wat waren de monniken al bezig toen hij aankwam; hun gezang vulde de hal als een diepe, trage stroom. De familie zat op de vloer, de vrouwen vooraan, en iemand schoof opzij om plaats voor hem te maken, vlak naast Lamai. Hij zat onwennig op zijn knieën, zoals altijd te groot voor de ruimte, en gaf voedsel aan de monniken door zoals de anderen, kommetje voor kommetje.

Halverwege pakte Lamai zijn hand. Ze keek hem niet aan, ze keek recht voor zich uit naar de monniken, maar ze hield zijn hand vast met die harde vingers en ze zei één woord, zacht, een woord dat hij kende. Het Thaise woord voor kind. Luuk. Mijn kind. Daarna liet ze los en boog ze weer naar het gezang, alsof er niets gebeurd was. Hij staarde naar zijn eigen hand op zijn knie en hij kreeg een paar minuten lang geen lucht.

Die avond stond de koffer er nog steeds, halfvol, tegen de muur. Hij had niet besloten. Hij wist niet of de daling in zijn borst, dat zware ja, opluchting was of overgave, of dat het hetzelfde was. Hij wist niet of hij over een maand de kracht had om het hier vol te houden, met de regen en de stiltes en het lege bed, of dat de winter in Nederland hem alsnog naar Marjon zou trekken. Hij wist het echt niet.

De volgende ochtend werd hij wakker voor het licht. De haan, de tweede haan, de luidspreker van de wat. Hij stond op, schepte de kleefrijst uit de koelkast in het bamboemandje, het mandje dat al die maanden op het aanrecht had gestaan, en hij liep in zijn korte broek het natte erf op naar de rand van het zandpad. Daar stond hij te wachten, zoals zij elke ochtend had gewacht, met de rijst tegen zijn borst.

Uit de mist kwam de monnik aanlopen, op blote voeten, zijn schaal voor zich uit. Frans wist niet precies hoe het moest; hij had het haar honderden keren zien doen en het nooit zelf gedaan. Hij zakte door zijn knieën in de modder. Zijn handen wisten het beter dan hij; ze schepten de rijst, ze brachten hem naar de schaal. De monnik boog zijn hoofd en begon zacht te zingen, een zegen in een taal die Frans niet verstond en toch helemaal begreep.

Hij bleef geknield zitten toen de monnik allang verder was gelopen, het pad af, de mist in. De koffer stond binnen nog open tegen de muur. Hij dacht er niet aan.

Over deze blogger

Thailandblogger

1 reactie op “Uit het Thaise leven gegrepen: de honderd dagen”

  1. Ronny Phang-Khen zegt op

    Amai, dit heeft me geraakt, recht uit het leven en o zo pijnlijk zo hard.
    Dank je wel voor dit mooi stukje, dit laat me weten dat we moeten genieten van elk moment dat we hebben.

    0

Laat een reactie achter