Mali zegt dat er niets aan de hand is tegen de Buitenstaander

Om kwart over zeven zegt Mali voor de vierde keer dat er niets aan de hand is. De Buitenstaander weet inmiddels voldoende van vrouwen om te begrijpen dat dit zelden goed nieuws is. Mijn lief staat bij de buitenkraan een pan af te spoelen. Het water spat over haar slippers en loopt in een dun stroompje naar het zand naast de woonst. Ze doet alles zoals anders. Te precies zelfs. De pan wordt proper gemaakt, alsof ze hem daarna in een operatiekamer moet afleveren. Geen woord te veel. Geen blik in zijn richting.
‘Ben je kwaad?’
‘Neen.’
‘Zeker?’
‘Ja.’
‘Heb ik iets gedaan?’
‘Neen.’
Ze zet de pan omgekeerd op het rek. De Buitenstaander drinkt van zijn koffie en kijkt naar haar rug. Er is dus iets. Gisteren, na zijn publieke optreden via de gerepareerde luidspreker, was alles nog goed geweest. Mali had tegen hem aangeleund, mango met hem gedeeld en hem bij het slapengaan nog uitgelachen, omdat het halve dorp nu wist dat hij rijk, gierig, vriendelijk en naïef was. Vooral naïef. Vanmorgen is dat anders. Niet dramatisch anders. Mali gooit niet met deuren, smijt geen borden en begint geen ruzie waarbij oude fouten uit een vorig leven plots opnieuw als bewijsmateriaal worden bovengehaald.
Ze doet iets veel efficiënters. Ze wordt stil. Het begon bij het ontbijt. Normaal schuift ze hem het minst scherpe kommetje chilisaus toe, waarschuwt ze wanneer er graten in de vis zitten en neemt ze zonder te vragen de koriander van zijn bord omdat ze weet dat hij vindt dat het naar zeep smaakt. Vanmorgen deed ze niets. Er stond rijst. Er stond vis. Hij kon zijn plan trekken. Toen hij vroeg of er iets was, zei ze dat er niets was. Daarna wist hij genoeg. Of juist helemaal niets.
Een bromfiets draait het erf op. De bestuurder is een magere jongeman van een jaar of vijfentwintig met een rood voetbalshirt, een pet achterstevoren op zijn hoofd en een glimlach die De Buitenstaander onmiddellijk herkent. Het is dezelfde glimlach waarmee gisteren het jongetje om een tweede ijsje vroeg. Alleen zitten bij deze man meer tanden achter.
‘Sawatdee khrap.’
Mali antwoordt kort. De jongeman heet Not. Hij is een zoon van een nicht van Mali’s moeder, of van een nicht van een tante; De Buitenstaander is bij de uitleg ergens ter hoogte van de derde familietak afgehaakt. In het dorp betekent familie zelden dat iemand precies kan aanwijzen hoe. Not komt recht op hem af.
‘Papa.’
De Buitenstaander kijkt achter zich.
‘Ik hoop van niet.’
Not lacht en trekt een plastic stoel bij. Mali niet. Daar begint iets te dagen. Gisterenmiddag was Not ook langsgekomen. Zijn bromfiets startte slecht. De Buitenstaander had gekeken, meer uit nieuwsgierigheid dan deskundigheid, en vastgesteld dat de accu zowat overleden was. Not vertelde in moeizaam Engels dat hij geen geld had voor een nieuwe.
‘How much?’
Twaalfhonderd baht. Niet de wereld. Not werkte in de bouw, zei hij. Soms. Nu even niet. Volgende maand zou hij terugbetalen. De Buitenstaander had hem vijftienhonderd gegeven. Driehonderd extra voor benzine. Mali was op dat moment in de keuken geweest. Nu staat ze bij de kraan en wringt een doek uit, alsof die haar persoonlijk heeft beledigd. Not praat vrolijk. De nieuwe accu zit erin. De bromfiets start weer. Hij wil het laten horen en drukt op de startknop. Het motortje slaat onmiddellijk aan en produceert een hoeveelheid lawaai die geen enkele technische verbetering rechtvaardigt.
‘Good!’
‘Mooi.’
‘Thank you, papa.’
‘Niet papa.’
Not lacht weer en zegt iets tegen Mali. Zij antwoordt met drie woorden. Zijn glimlach wordt kleiner. Daarna staat hij op.
‘See you.’
Hij rijdt weg. De Buitenstaander wacht tot het geluid van de bromfiets achter de huizen verdwijnt.
‘Nu ga je mij vertellen wat er is.’
Mali pakt de bezem.
‘Niets.’
‘Mali.’
Ze begint het erf te vegen. Het is een droge ochtend. Er liggen enkele mangobladeren, twee plastic rietjes en zand dat na iedere bezembeweging grotendeels terugwaait naar de plaats waar het vandaan kwam. Een zinloze bezigheid, vindt De Buitenstaander. Vandaag vermoedt hij dat de bezem een andere functie heeft.
‘Gaat dit over Not?’
Mali veegt.
‘Omdat ik hem geld heb geleend?’
De bezem stopt een fractie van een seconde. Gevonden.
‘Je bent dus kwaad omdat ik vijftienhonderd baht heb gegeven.’
‘Niet kwaad.’
‘Mali, als jij nog harder niet kwaad bent, blijft er geen verf meer op die bezemsteel.’
Mijn lief kijkt hem heel even aan en veegt verder. De Buitenstaander voelt irritatie opkomen. Niet om die vijftienhonderd baht. Om het spelletje. In zijn wereld, zo redeneert hij, zeg je wat er scheelt. Je legt het probleem op tafel. Argumenten erbij. Oplossing zoeken. Misschien koffie. Eventueel excuses. Klaar. Hier staat hij tegenover een vrouw die met één zwijgende bezem meer onrust veroorzaakt dan een advocaat met twaalf pagina’s klachten.
‘Als je vindt dat ik hem geen geld had moeten geven, zeg dat dan.’
‘Jouw geld.’
‘Dat is geen antwoord.’
‘Wel antwoord.’
‘Dus ik mag ermee doen wat ik wil?’
‘Ja.’
De Buitenstaander spreidt zijn armen.
‘Voilà.’
Mali zet de bezem tegen de muur en loopt naar binnen. Voilà blijkt niet het juiste woord.
Tegen tien uur heeft De Buitenstaander er schoon genoeg van. Hij besluit naar het winkeltje aan de hoofdweg te wandelen. Niet omdat hij iets nodig heeft, maar omdat een mens soms afstand moet nemen van een probleem dat beweert niet te bestaan. Bij de poort zit Tante Noi op een krukje een papaja te schillen. Dat is verdacht. Tante Noi woont honderd meter verderop en verschijnt vrijwel altijd wanneer er ergens informatie beschikbaar is die haar officieel niets aangaat.
‘Mali angry?’
De Buitenstaander blijft staan.
‘Aha. Dus jij weet ervan.’
Tante Noi grijnst.
‘Not.’
‘Precies.’
Tante Noi knikt langzaam.
‘Bad.’
‘Wat is er bad?’
Ze zoekt naar Engels, doet alsof ze speelkaarten uitdeelt en wrijft daarna duim en wijsvinger tegen elkaar.
‘Gokken?’
‘Yes. Cards. Football. Money.’
Dat laatste woord had ze niet hoeven vertalen. De Buitenstaander kijkt naar de weg waarlangs Not verdwenen is.
‘Maar die accu dan?’
Tante Noi haalt haar schouders op.
‘Battery good.’
Daar staat hij dan. Naïef. Het dorp had hem gisteren correct beoordeeld. Hij voelt zijn irritatie verdwijnen en plaatsmaken voor iets minder aangenaams. Schaamte. Niet omdat hij vijftienhonderd baht kwijt is. Dat overleeft hij wel. Het zit anders.
‘Mali wist dit?’
Tante Noi kijkt hem aan alsof hij vraagt of kippen eieren leggen.
‘Mali say no money.’
‘Hij had haar al gevraagd?’
‘Yesterday.’
‘Voor hij naar mij kwam?’
Tante Noi knikt tevreden. De Buitenstaander begrijpt het nu. Mali had nee gezegd. Not was daarna naar hem gegaan en hij had ja gezegd. Zonder het te weten had hij haar beslissing ongedaan gemaakt. Erger nog: Not had geleerd dat een weigering in deze familie niet noodzakelijk het einde van een gesprek betekende. Men moest alleen langs de farang.
‘Waarom heeft Mali mij dat niet verteld?’
Tante Noi steekt een stuk papaja in haar mond.
‘You ask.’
‘Dat heb ik ongeveer twintig keer gedaan.’
Ze kauwt.
‘Ask wrong.’
Daar had hij niet van terug.
De Buitenstaander loopt terug naar de woonst. Mali zit achter het huis op een laag houten bankje kousenband schoon te maken. Naast haar staat een mand. Ze breekt de uiteinden af en legt de bonen naast elkaar. Hij gaat naast haar zitten. De bank is eigenlijk te klein voor twee volwassenen. Hun heupen raken elkaar. Mali schuift niet op. Dat beschouwt hij als hoopvol.
‘Not had jou eerst om geld gevraagd.’
Ze breekt een boon.
‘Ja.’
‘En jij had nee gezegd.’
‘Ja.’
‘Omdat hij gokt.’
Nog een boon.
‘Soms.’
‘Volgens Tante Noi iets meer dan soms.’
Een heel kleine glimlach verschijnt.
‘Tante Noi praat veel.’
‘Voor één keer kwam dat goed uit.’
Mali legt de boon neer. De Buitenstaander kijkt naar haar handen. Kleine handen, met korte nagels en een dun litteken op haar wijsvinger. Hij heeft die handen inmiddels honderden dingen zien doen: rijst wassen, zijn voet verzorgen, geld tellen, een buffeltouw vasthouden, mango snijden, zijn gezicht aanraken. Vanmorgen hadden ze vooral niets met hem gedaan. Dat was erger.
‘Waarom zei je niet meteen dat je kwaad was?’
‘Niet kwaad.’
Hij zucht. Mali kijkt hem aan.
‘Beetje.’
‘Dank u. We boeken vooruitgang.’
Ze pakt opnieuw een boon.
‘Ik zeg Not nee. Hij gaat naar jou. Jij geeft. Dan mijn nee is niets.’
Daar is het. Geen lange ruzie. Geen verwijt over farangs die met geld strooien. Geen beschouwing over familie of gezag. Eén zin. De Buitenstaander voelt hem beter dan alle stilte ervoor.
‘Ik wist het niet.’
‘Ik weet.’
‘Waarom zei je het gisteren niet?’
Mali haalt haar schouders op.
‘Jij blij helpen.’
‘Dus je wilde mijn goede daad niet verpesten?’
‘Nee.’
‘Wat dan?’
Ze denkt even na.
‘Ik wilde zien wanneer jij zelf begrijpt.’
Dat is minder vriendelijk. Wel eerlijk.
‘Dat had lang kunnen duren.’
‘Ja.’
Mijn lief breekt de volgende boon doormidden. De Buitenstaander begint te lachen. Eerst zacht, daarna iets harder. Mali kijkt hem wantrouwig aan.
‘Wat?’
‘Het dorp vindt mij naïef. Mijn eigen vrouw voert nu praktijkproeven uit.’
Ze probeert ernstig te blijven. Het lukt haar niet.
‘Beetje.’
Hij legt zijn hand op haar knie.
‘Sorry.’
Mali blijft naar de bonen kijken.
‘Sorry waarvoor?’
‘Omdat ik jou voor schut heb gezet.’
Nu kijkt ze wel op.
‘Niet voor schut.’
‘Ik heb je nee veranderd in ja.’
Ze knikt.
‘Dat bedoel ik.’
‘Dan sorry daarvoor.’
Mijn lief legt haar hand op de zijne. Meer gebeurt er niet. Geen grote verzoening. Geen muziek uit de luidspreker. Alleen haar duim die één keer over zijn knokkels strijkt. Het is voldoende. Dan hoort hij een bromfiets het erf oprijden. Not. Hij stapt af en glimlacht minder breed dan vanmorgen. In zijn hand houdt hij vijf bankbiljetten van honderd baht. De Buitenstaander fronst. Not geeft het geld aan Mali. Niet aan hem. Mali telt het rustig na, zegt iets en Not knikt terwijl hij naar zijn voeten kijkt. Daarna stapt hij weer op zijn bromfiets en vertrekt.
‘Wat was dat?’
‘Eerste terug.’
‘Hij betaalt dus toch?’
‘Nu wel.’
‘Waarom vijfhonderd?’
Mali legt de biljetten op zijn knie.
‘Ik zeg elke week vijfhonderd.’
‘Dat is drieduizend.’
‘Ja.’
‘Hij heeft maar vijftienhonderd geleend.’
‘Rente.’
De Buitenstaander kijkt haar aan.
‘Honderd procent?’
‘Hij moet leren.’
Mijn lief pakt opnieuw de kousenband. De Buitenstaander staart naar de vijf biljetten op zijn knie.
‘Dat is woekerrente.’
‘Jouw geld.’
‘Mali.’
‘Jij mag doen wat jij wil.’
Daar is die glimlach weer.
Tegen de middag is alles werkelijk alsof er niets gebeurd is. Mali zet eten op tafel, schuift hem het minst pikante gerecht toe en haalt zonder te vragen de koriander van zijn bord. De Buitenstaander schenkt haar water in. Onder tafel raakt haar voet de zijne. Ditmaal trekt ze hem niet weg.
‘Dus als jij zegt dat er niets aan de hand is, is er meestal wel iets aan de hand.’
Mali eet rustig verder.
‘Soms.’
‘En dan moet ik zelf uitzoeken wat.’
‘Goed voor hoofd.’
‘En als ik het niet begrijp?’
Mijn lief neemt een stukje kip van zijn bord.
‘Dan stil langer.’
De Buitenstaander kijkt naar haar.
‘Dat is chantage.’
Mali stopt het stukje kip in haar mond.
‘Niets aan de hand.’
Hij wil antwoorden, doch ziet aan haar ogen dat hij beter kan zwijgen. Een mens leert.
Langzaam.
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.




