De Buitenstaander en wie beheert het huishoudgeld?

Om zeven minuten over negen ontdekt De Buitenstaander dat er volgens zijn spreadsheet zesduizend achthonderdveertig baht verdwenen is. Niet uitgegeven. Verdwenen.
Hij zit aan de houten tafel onder het afdak met zijn laptop open, een tas koffie naast zich en drie verkreukelde bonnetjes die hij gisteren uit een plastic zak heeft gevist. Op het scherm staan keurige kolommen: datum, bedrag, omschrijving en categorie. Eerst had hij er zelfs de wisselkoers naar euro bij gezet, maar die heeft hij vanochtend verwijderd, omdat hij zelf ook inzag dat een mens kan overdrijven. Mali zit tegenover hem mango te schillen. Mijn lief heeft geen laptop, geen schrift en geen bonnetjes. Ze heeft alleen haar hoofd, en dat vindt De Buitenstaander voor een huishoudadministratie een wat te kwetsbaar opslagmedium.
‘Elektriciteit?’
‘Duizend driehonderd.’
Hij typt.
‘Water?’
‘Honderdtachtig.’
‘Benzine?’
Mali kijkt op.
‘Welke?’
Daar begint het al. Benzine voor haar bromfiets, die van haar moeder of de oude bromfiets waarop De Buitenstaander sinds kort zelf rondrijdt? Daarna volgen rijst, gas, koffie, markt, telefoon, medicijnen en een nieuwe binnenband. Mali noemt de bedragen zonder moeite. Sommige tot op de baht nauwkeurig, andere met een achteloos ‘ongeveer’ dat hem lichamelijk ongemakkelijk maakt. Wanneer ze zegt dat de kousenband zestig of misschien zeventig baht kostte, houdt hij op met typen.
‘Was het zestig of zeventig?’
‘Weet niet meer.’
‘Dat is tien baht verschil.’
Mijn lief snijdt verder aan de mango.
‘We zijn niet arm door tien baht.’
‘Daar gaat het niet om.’
Dat is waar. En zoals meestal wanneer iemand zegt dat het daar niet om gaat, gaat het er toch een beetje om.
Sinds ze in het dorp wonen, geeft De Buitenstaander iedere maand een vast bedrag voor eten, elektriciteit, water en andere dagelijkse kosten. Mali regelt de rest. Dat heeft maanden uitstekend gewerkt, zolang hij niet precies wilde weten waarom. Nu wil hij overzicht. Geen controle. Overzicht. Dat woord klinkt aanzienlijk vriendelijker en daarom gebruikt hij het graag.
Volgens zijn overzicht ontbreekt er zesduizend achthonderdveertig baht.
‘Waar is de rest gebleven?’
Mali legt een plak mango op zijn bord.
‘Welke rest?’
Hij draait de laptop naar haar toe.
‘Deze.’
Mijn lief kijkt naar het rode bedrag op het scherm. Haar belangstelling voor spreadsheets is ongeveer gelijk aan zijn belangstelling voor de precieze familierelatie tussen Tante Noi en drie vrouwen die allemaal tante worden genoemd.
‘Niets weg.’
‘Volgens dit wel.’
‘Dan dit fout.’
Ze wijst naar zijn laptop.
De Buitenstaander draait hem terug. Een computer is niet fout, wil hij zeggen. Mensen voeren hoogstens verkeerde gegevens in. Hij besluit die technische waarheid voor zichzelf te houden.
Mali begint op haar vingers te tellen. Ze gaf geld aan haar moeder voor medicijnen, betaalde iemand die de waterpomp herstelde, kocht twee nieuwe emmers, droeg bij aan een crematie, gaf geld voor schoolspullen van een nichtje en betaalde een vrouw die eten had gebracht toen iedereen naar het ziekenhuis moest. Kleine bedragen, grotere bedragen, dingen die in haar wereld duidelijk bij een huishouden horen, maar waarvoor in zijn spreadsheet nog geen categorie bestaat.
De Buitenstaander maakt er één: familie en dorp.
Mali kijkt mee.
‘Waarom?’
‘Dan weten we hoeveel daaraan opgaat.’
Het mes stopt.
‘Waarom moet jij dat weten?’
‘Omdat het van het huishoudgeld komt.’
‘Ja.’
‘Dus?’
Mijn lief legt het mes neer.
‘Dus betaald.’
De Buitenstaander voelt de eerste irritatie. Niet groot. Een kiezelsteentje in de slipper.
‘Ik zeg toch niet dat het niet betaald mag worden? Ik wil alleen weten hoeveel.’
Mali pakt de mango weer op.
‘Dan vraag.’
‘Dat doe ik nu.’
‘Nee. Jij schrijft.’
Daar had hij niet van terug.
Hij probeert uit te leggen dat een kasboek volkomen normaal is. Dat bedrijven het doen, gezinnen het doen en zelfs de winkel van haar moeder beter zou weten wat er verdiend werd wanneer iemand daar ooit iets opschreef. Dat laatste had hij beter niet kunnen toevoegen. Mali kijkt hem aan alsof hij zojuist heeft voorgesteld haar moeder te laten auditen door een accountantskantoor.
‘Wij bedrijf?’
‘Neen.’
‘Dan klaar.’
Ze staat op en loopt naar binnen. Niet kwaad, denkt hij. Hooguit geïrriteerd.
Dat is zijn eerste fout van de ochtend.
Even later komt ze terug met een ronde metalen koekjestrommel. Ooit hebben er Deense boterkoekjes in gezeten. Nu zitten er bankbiljetten in. Honderden, vijfhonderden en briefjes van duizend, netjes dubbelgevouwen. Mali zet de trommel voor hem neer.
‘Tel.’
De Buitenstaander telt.
Elfduizend vierhonderd baht.
Hij telt opnieuw, omdat geld dat een spreadsheet tegenspreekt blijkbaar een tweede telling vereist.
Nog altijd elfduizend vierhonderd.
‘Waar komt dit vandaan?’
‘Over.’
‘Van het huishoudgeld?’
‘Ja.’
‘Dus je hebt gespaard?’
‘Ja.’
De Buitenstaander kijkt van de koekjestrommel naar zijn rode tekort op het scherm. Hij heeft een verdwenen bedrag gezocht bij een vrouw die ondertussen meer geld opzij heeft gelegd dan zijn administratie überhaupt kan verklaren.
‘Waarom wist ik dit niet?’
Mali haalt haar schouders op.
‘Niet gevraagd.’
Dat voelt flauw.
‘Ik vraag al de hele ochtend waar het geld blijft.’
‘Nu weet.’
‘Dat bedoel ik niet. Waarom heb je nooit gezegd dat je geld opzijzet?’
Mijn lief kijkt hem strak aan.
‘Moet ik vragen of ik mag sparen?’
Daar gaat iets mis. De Buitenstaander hoort het terwijl hij zelf nog spreekt. Hij probeert uit te leggen dat het om gezamenlijk huishoudgeld gaat en dat gezamenlijk volgens hem betekent dat beiden weten wat ermee gebeurt. Mali hoort iets anders: dat geld dat hij haar geeft nog altijd van hem blijft, en dat zij rekenschap moet afleggen zolang er één baht van over is.
‘Ik geef geen rekenschap aan jou alsof ik kind ben.’
‘Dat vraag ik niet.’
Ze wijst naar de laptop.
‘Wat is dit dan?’
Het scherm staat nog steeds open. Rode cijfers. Kolommen. Een cel met onverklaard verschil.
Dat ziet er plots minder neutraal uit dan een halfuur geleden.
De Buitenstaander klapt de laptop dicht. Te laat.
Mali schuift de koekjestrommel naar hem toe.
‘Neem.’
‘Dat wil ik helemaal niet.’
‘Jij wil weten waar. Nu weet.’
‘Mali, doe niet zo.’
Mijn lief staat op.
‘Ik doe niets.’
Dat is erger.
Ze loopt naar de keuken en begint groenten schoon te maken. Geen deur slaat dicht. Geen stem wordt verheven. Alleen het geluid van een mes op een houten plank. Tik. Tik. Tik. De Buitenstaander blijft onder het afdak zitten met elfduizend vierhonderd baht voor zich en heeft voor het eerst die ochtend het vermoeden dat zijn spreadsheet misschien niet het grootste probleem is.
Hij laat haar tien minuten met rust. Daarna vijftien. Hij drinkt zijn koffie koud en opent de laptop niet opnieuw. Ginds over de weg duwt een oude man een bromfiets voort waarvan de achterband plat staat. Twee kippen vechten om iets wat vermoedelijk niet eetbaar is. Het gewone dorp gaat door zonder belangstelling voor de financiële structuur van zijn huwelijk.
Wanneer hij uiteindelijk naar binnen gaat, heeft Mali de groenten al gesneden. Ze spoelt rijst onder de kraan.
‘Ik vertrouw je wel.’
Mijn lief kijkt niet op.
‘Goed.’
‘Maar daar gaat het niet om.’
‘Altijd gaat het daar om.’
Scherp.
De Buitenstaander leunt tegen het aanrecht.
‘Als jij iedere maand duizenden baht opzijlegt zonder iets te zeggen, mag ik toch vragen waarvoor?’
Mali sluit de kraan.
‘Mag.’
‘Waarvoor dan?’
Ze droogt haar handen. Langzaam.
‘Voor later.’
‘Dat is nogal ruim.’
Geen antwoord.
‘Voor wat later?’
Mijn lief kijkt naar de kast boven de koelkast. Dan naar hem.
‘Laat.’
‘Neen. Nu wil ik het weten.’
Dat klinkt harder dan hij bedoelt.
Mali loopt naar de slaapkamer. De Buitenstaander blijft staan. Na een minuut komt ze terug met een witte envelop. Geen bankbrief, geen rekening. Gewoon een oude envelop met zijn naam erop, geschreven in haar hoekige handschrift.
Ze legt hem naast de koekjestrommel.
‘Open.’
Binnen zitten nog meer bankbiljetten.
En een geprint vel papier.
De Buitenstaander vouwt het open.
Een vlucht Bangkok-Amsterdam.
Geen boeking. Alleen een uitdraai met vluchtgegevens en een prijs.
Hij kijkt naar Mali.
‘Wat is dit?’
‘Geld voor ticket.’
‘Welk ticket?’
‘Jouw ticket.’
De Buitenstaander voelt zijn maag aanspannen.
‘Waarom spaar jij voor een ticket voor mij?’
Mijn lief antwoordt eerst niet. Ze gaat zitten en strijkt met haar vingers een plooi uit de envelop.
‘Als jij ooit naar huis wil.’
Daar is de tweede stilte.
Deze is anders.
‘Naar huis?’
‘Europa.’
‘Mijn huis is hier.’
Mali knikt.
‘Nu.’
Dat ene woord doet meer dan hij prettig vindt.
‘Denk jij dat ik weg wil?’
‘Nee.’
‘Waarom doe je dit dan?’
Ze kijkt hem eindelijk aan.
‘Omdat ik niet wil dat jij blijft omdat jij geen geld hebt om weg te gaan.’
De Buitenstaander zegt niets.
Buiten slaat een hond aan. Verderop start een bromfiets. Vanuit het winkeltje van Mali’s moeder klinkt gerinkel van flessen.
‘Ik heb zelf geld voor een vliegticket.’
‘Nu wel.’
‘Mali.’
‘Dingen veranderen.’
Hij wil haar zeggen dat dit onzin is. Dat hij niet financieel gevangen zit, dat hij bankrekeningen heeft, kaarten, geld in Europa. Dan beseft hij dat zij dat natuurlijk weet.
‘Dus waarvoor spaar je dan werkelijk?’
Mali kijkt naar de envelop.
‘Voor mezelf.’
Dat verwachtte hij niet.
‘Hoe bedoel je?’
‘Als jij ooit zegt: ik wil weg, dan wil ik niet vragen: blijf omdat geld. Ik wil kunnen zeggen: goed. Ticket hier.’
Daar had hij niet van terug.
Het klinkt hard. Liefdevol is niet het eerste woord dat bij hem opkomt. Toch ligt er iets onder dat harder is dan romantiek en misschien juist daarom betrouwbaarder. Mijn lief wil dat hij blijft, omdat hij haar kiest. Niet omdat vertrekken lastig, duur of ingewikkeld wordt.
‘Hoe lang doe je dit al?’
‘Lang.’
‘Hoeveel zit erin?’
Ze noemt een bedrag.
Meer dan genoeg voor een degelijk ticket naar Europa.
De Buitenstaander denkt aan zijn spreadsheet met de keurige kolommen en zijn zesduizend achthonderdveertig vermiste baht. Hij dacht dat hij wilde weten waar zijn geld bleef. Mali hield geld apart om ervoor te zorgen dat hij altijd kon vertrekken.
Een accountant zou daar waarschijnlijk geen categorie voor hebben.
‘Ben jij dan zo bang dat ik wegga?’
Mali haalt één schouder op.
‘Soms.’
‘Waarom zeg je dat niet?’
‘Wat helpt zeggen?’
‘Misschien dat ik je geruststel.’
‘Vandaag jij zegt. Morgen anders.’
Dat steekt.
‘Je vertrouwt míj dus niet.’
Nu zit de scherpte aan zijn kant.
Mali kijkt hem recht aan.
‘Zie je? Jij wil dat ik jou vertrouw zonder papier. Maar jij wil papier om mij te vertrouwen.’
Stilte.
De Buitenstaander kijkt naar de gesloten laptop.
Dat is vervelend raak.
Hij gaat tegenover haar zitten. Een deel van hem wil uitleggen dat die twee dingen totaal verschillend zijn. Geld is geld. Een huwelijk is een huwelijk. Administratie is geen wantrouwen. Maar de woorden voelen plots dun.
‘Je had het mij toch mogen vertellen.’
‘Dan jij zegt niet nodig.’
‘Dat zou ik inderdaad zeggen.’
‘Daarom.’
Hij kan er weinig tegenin brengen.
Mali schuift de envelop terug naar zich toe.
‘Ik blijf sparen.’
‘Daar ben ik nog niet uit.’
Mijn lief trekt een wenkbrauw op.
De Buitenstaander verbetert zichzelf.
‘Jij blijft sparen.’
‘Ja.’
‘Maar niet uit het huishoudgeld.’
Nu verandert haar blik.
‘Waarom niet?’
‘Omdat dat óns geld is.’
‘En jij ticket is niet ons?’
Daar staat hij weer.
Hij zucht.
‘Goed. Hoeveel doe je erin?’
‘Wat over.’
‘Dat is geen bedrag.’
Mali kijkt naar de laptop.
De Buitenstaander kijkt ook.
Dan beginnen ze allebei te lachen. Niet hard. Het conflict is daarvoor nog te dichtbij.
‘Geen spreadsheet?’ vraagt hij.
‘Geen spreadsheet.’
‘Een lijstje?’
‘Nee.’
‘Eén regel?’
Mijn lief denkt na.
‘Misschien.’
Dat is meer dan hij een halfuur geleden had.
Later die middag opent De Buitenstaander zijn spreadsheet opnieuw. Hij verwijdert drie categorieën, waaronder familie en dorp. De kolom onverklaard verschil noemt hij voortaan nog vragen. Dat vindt hij vriendelijker.
Helemaal onderaan voegt hij één regel toe.
Reserve.
Geen bedrag.
Hij kijkt er lang naar en verwijdert ook die regel weer.
Mali zit buiten aan tafel sperziebonen schoon te maken. Hij gaat naast haar zitten. De koekjestrommel staat weer achter de handdoeken. De envelop is verdwenen.
‘Waar heb je hem gelegd?’
Mijn lief kijkt niet op.
‘Wat?’
‘De envelop.’
‘Veilig.’
‘Waar?’
Ze breekt een boon doormidden.
‘Vertrouwen.’
De Buitenstaander kijkt naar haar.
‘Dat is chantage.’
Mali schuift de mooiste boon naar haar eigen stapeltje.
‘Geen bonnetje.’
Hij legt zijn hand op haar knie. Mijn lief laat hem daar liggen.
Na een tijdje vraagt ze of hij morgen geld wil halen bij de bankautomaat. Het huishoudgeld raakt bijna op.
‘Hoeveel?’
Ze noemt een bedrag.
De Buitenstaander voelt zijn hoofd al rekenen.
Hij stopt ermee.
‘Goed.’
Mali kijkt op, zichtbaar verrast.
‘Geen vragen?’
‘Eén.’
Ze wacht.
‘Is er nog geld voor bier?’
Mijn lief denkt na.
‘Volgens mijn hoofd wel.’
Dat zal dan wel.
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur19 september 2026De Buitenstaander en wie beheert het huishoudgeld?
Cultuur7 september 2026De Buitenstaander: de eerste keer alleen thuis
Cultuur27 augustus 2026De Buitenstaander en een huwelijk met twee talen
Cultuur15 augustus 2026De Buitenstaander en de eerste slang in de badkamer


Weer ontroerend – want herkenbaar – mooi, Buitenstaander!