De Buitenstaander: de eerste keer alleen thuis

Door De buitenstaander
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen, Leven in Thailand
Tags:
7 september 2026

Om tien voor acht vertrekt Mali naar de markt en laat De Buitenstaander voor het eerst alleen achter in de woonst. Niet alleen in de slaapkamer. Niet alleen terwijl zij even bij de buurvrouw is. Echt alleen. Mijn lief zet twee lege manden achterop de bromfiets, controleert of haar geld in haar kleine schoudertas zit en vertelt hem driemaal dat ze rond de middag terug is. De Buitenstaander knikt iedere keer iets nadrukkelijker. Hij is volwassen, heeft tientallen jaren zelfstandig gewoond en is er redelijk zeker van dat hij drie uur zonder toezicht kan overleven. Mali blijft desondanks bij de poort staan.

‘Deur niet dicht.’

‘Waarom niet?’

‘Warm.’

‘Ik kan zelf een deur openen.’

Ze kijkt hem aan alsof dat nog moet blijken.

‘En eten in frigo.’

‘Ik vind de frigo.’

‘Niet alles eten.’

‘Ga nu maar.’

Mali start de bromfiets. Voor ze wegrijdt, kijkt ze nog eenmaal naar hem.

‘Als iets is, bellen.’

‘Wat zou er moeten zijn?’

Mijn lief haalt haar schouders op.

‘Dingen.’

Daarmee rijdt ze weg. De Buitenstaander blijft op het erf staan tot het geknetter van de bromfiets achter de huizen verdwijnt. Daarna gebeurt er iets zeldzaams. Niemand zegt iets tegen hem. Geen Mali. Geen moeder. Geen Tante Noi. Geen kind dat om ijs vraagt. Geen verre neef met een lege accu. Alleen een haan scharrelt langs de waterton en zelfs die lijkt voorlopig geen verwachtingen te hebben. De Buitenstaander loopt naar binnen, zet koffie en neemt zijn telefoon mee naar het terras. Hij heeft zich voorgenomen eindelijk een uur rustig te lezen. Misschien muziek erbij. Geen Isaanse luidspreker, maar muziek die hij zelf kiest. Hij gaat zitten, neemt een slok koffie en opent zijn boek.

Na zeven minuten verschijnt Tante Noi.

Ze komt niet via de poort maar langs het zijpad, met een plastic zak mango’s in haar hand en een strooien hoed op. Zonder te vragen neemt ze plaats op de stoel tegenover hem.

‘Mali?’

‘Markt.’

Tante Noi knikt. Dat weet ze blijkbaar.

‘You alone.’

‘Dat was het idee.’

Ze legt de mango’s op tafel en maakt geen enkele beweging om weer te vertrekken. De Buitenstaander wacht. Tante Noi wacht eveneens. Ze kijkt naar de weg, naar de kippen en vervolgens naar zijn koffie. Hij schenkt haar water in. Daarmee heeft hij, zonder het te beseffen, de bijeenkomst officieel geopend.

Tien minuten later komt oom Prasert. Althans, iedereen noemt hem oom, alhoewel De Buitenstaander nog altijd niet weet of de man werkelijk familie is. Prasert is een kleine, magere zeventiger met een pet van een kunstmestmerk en armen die eruitzien alsof hij zijn hele leven dingen heeft gedragen die zwaarder waren dan hijzelf. Hij komt op een bromfiets die na het uitzetten nog enkele seconden zelfstandig blijft hoesten.

‘Mali no home?’ vraagt hij.

‘Markt.’

Prasert knikt. Ook hij wist het dus al. Hij zet zijn pet af, veegt zijn voorhoofd ermee af en gaat op een derde stoel zitten. Tante Noi zegt iets. Prasert lacht. De Buitenstaander verstaat alleen farang.

Zijn boek ligt nog altijd open op pagina vierentwintig.

‘Willen jullie koffie?’

Tante Noi schudt haar hoofd. Prasert wil wel. Sterk, zonder suiker. De Buitenstaander loopt naar de keuken en merkt dat hij zich in zijn eigen tijdelijke alleen-zijn inmiddels als gastheer gedraagt. Wanneer hij terugkomt, zit er een derde persoon aan tafel. Een jonge vrouw van ergens in de dertig, met een baby op haar arm en een plastic tas met luiers aan haar pols. Ze heet Lek en is volgens Mali een nicht. Welke soort nicht is nog onbekend.

‘Mali?’

De Buitenstaander zet de koffie voor Prasert neer.

‘Markt.’

Lek knikt alsof ook zij uitsluitend ter bevestiging gekomen is.

Binnen negenendertig minuten zitten drie familieleden bij hem.

De Buitenstaander kijkt naar Tante Noi.

‘Heeft Mali jullie gestuurd?’

Tante Noi glimlacht.

‘No.’

‘Heeft ze gezegd dat ik alleen ben?’

‘Yes.’

‘Waarom?’

Tante Noi denkt na over het Engelse woord.

‘Alone.’

‘Dat deel begrijp ik.’

Niemand biedt verdere uitleg. Lek legt de baby op een dun doek op tafel. Het kind kijkt De Buitenstaander ernstig aan, steekt daarna een vuist in zijn mond en begint op zijn vingers te kauwen. Prasert drinkt koffie. Tante Noi pakt haar eigen mango’s uit en vraagt met een gebaar om een mes. De Buitenstaander haalt er een uit de keuken.

Zijn rustige ochtend verdwijnt zonder enig officieel besluit.

Tegen half negen snijdt Tante Noi mango. Lek geeft haar baby melk. Prasert heeft de gereedschapskoffer ontdekt. Dat was onvermijdelijk. De Buitenstaander ziet hem hurken naast het ding en de sluiting bekijken.

‘Niet kapot,’ zegt De Buitenstaander.

Prasert opent de koffer toch. Hij bekijkt de tangen, schroevendraaiers, multimeter en een doosje met bitjes alsof hij een juwelierszaak bezoekt. Vervolgens haalt hij een kleine roestige scharnier uit zijn broekzak.

Daarom is hij hier.

‘Aha.’

Prasert legt het scharnier op tafel en wijst naar een van de schroevendraaiers.

De Buitenstaander schudt zijn hoofd.

‘Nee. Zelf.’

Prasert begrijpt dat uitstekend. Hij kiest een schroevendraaier, een tang en een klein flesje olie en begint aan het scharnier te werken. Tante Noi kijkt niet eens op. Dit gebeurt blijkbaar precies zoals verwacht.

Lek komt iets later met haar eigen bijdrage. Ze houdt haar telefoon omhoog. Het scherm is gebarsten en reageert alleen wanneer ze hard op de rechterbovenhoek drukt.

‘Can fix?’

‘Neen.’

Ze probeert opnieuw.

‘You good machine.’

‘Dat ging over de luidspreker.’

Lek glimlacht hoopvol.

De Buitenstaander bekijkt de telefoon toch. Hij kan er niets mee. Het scherm is kapot. Hij legt haar via gebaren uit dat ze naar een winkel moet.

‘How much?’

‘Geen idee.’

Ze kijkt teleurgesteld. Daarna zet ze de telefoon weg en blijft gewoon zitten.

Dat verbaast hem.

Ze is dus niet alleen voor reparatie gekomen.

Om negen uur beseft De Buitenstaander dat hij zijn boek kan vergeten. Tante Noi heeft inmiddels de mango’s verdeeld, Prasert repareert een tweede scharnier dat plots ook uit zijn bromfietstas tevoorschijn komt en Lek is met de baby naar de keuken gelopen om water te halen. Niemand praat veel met hem. Dat maakt het nog vreemder. Ze hoeven blijkbaar niets. Ze zitten er gewoon.

Gezelschap.

Ongevraagd, maar overtuigend.

De Buitenstaander begint zich eraan te ergeren. Niet hevig. Een kleine, langzaam groeiende irritatie. Hij had zich op die paar uur alleen verheugd. Even geen mensen die naar zijn spullen kijken, eten aanbieden, gereedschap lenen of weten wanneer hij naar de badkamer gaat. Hij houdt van het dorp. Meestal. Maar een mens hoeft toch niet voortdurend door andere mensen omringd te worden om te bewijzen dat hij nog leeft.

Hij pakt zijn boek en gaat binnen zitten.

Na drie minuten verschijnt Tante Noi in de deuropening.

‘Hot?’

‘Neen.’

Ze kijkt naar de ventilator.

‘Outside better.’

‘Ik wil lezen.’

Tante Noi kijkt naar het boek. Daarna naar hem.

‘Sleep?’

‘Lezen.’

Ze knikt alsof dat ongeveer hetzelfde is en verdwijnt.

De Buitenstaander leest één alinea. Buiten praat Tante Noi tegen Prasert. Er wordt gelachen. De baby begint te huilen. Prasert laat iets van metaal vallen. Een haan kraait.

Hij leest dezelfde alinea opnieuw.

Dan staat Lek in de deuropening.

‘Baby hot.’

‘Ja.’

Ze wijst naar de ventilator.

Daar staat hij dan.

Vijf minuten later zit de baby voor zijn ventilator en leest De Buitenstaander buiten onder het afdak zonder ventilator. Het boek blijft dicht.

Wanneer hij zijn telefoon pakt, ziet hij een bericht van Mali.

Everything okay?

Hij typt onmiddellijk: Very quiet.

Hij kijkt naar Tante Noi, Prasert, Lek en de baby.

Daarna voegt hij toe: Almost.

Mali stuurt een lachend gezicht.

Dat irriteert hem nog meer.

Hij belt haar.

‘Heb jij die mensen gestuurd?’

‘Welke mensen?’

‘Tante Noi. Prasert. Lek.’

Het blijft even stil aan de andere kant.

‘Zij daar?’

‘Dat weet je toch.’

‘Nee.’

‘Je hebt gezegd dat ik alleen thuis ben.’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Omdat waar.’

‘Mali.’

Mijn lief zegt niets.

‘Denk je dat ik niet alleen kan zijn?’

‘Kan.’

‘Waarom vertel je dan het halve dorp dat ik alleen ben?’

‘Niet halve dorp.’

‘Drie mensen in veertig minuten.’

‘Beetje dorp.’

Hij hoort marktgeluiden achter haar. Stemmen, metaal, een verkoper die iets roept.

‘Ik had gewoon zin in een paar uur rust.’

‘Zeg dan.’

‘Tegen wie?’

‘Mensen.’

‘Ik moet jouw familie wegsturen?’

‘Als jij wil alleen.’

‘Dat kan ik toch niet maken.’

Mali antwoordt eenvoudig:

‘Dan niet alleen.’

De verbinding is een seconde stil. De Buitenstaander weet niet of hij daar een cultureel inzicht, een belediging of gewone logica in moet horen.

‘Wanneer kom je thuis?’

‘Later.’

‘Je zei rond twaalf.’

‘Nu misschien één.’

‘Waarom?’

‘Veel markt.’

‘Dat klinkt verdacht.’

‘Niets aan de hand.’

Daar gaan we weer.

Ze hangt op voor hij kan antwoorden.

Om kwart voor tien vertrekt Prasert. De Buitenstaander denkt even dat zijn vrijheid dichterbij komt, maar de oude man neemt de twee gerepareerde scharnieren en laat zijn bromfiets staan. Hij loopt weg met de schroevendraaier nog in zijn hand.

‘Prasert!’

De man kijkt om.

De Buitenstaander wijst naar het gereedschap.

Prasert kijkt naar de schroevendraaier alsof die zich daar zelfstandig heeft gevestigd. Hij brengt hem terug, glimlacht en loopt alsnog weg.

Een half uur later vertrekt Lek. De baby slaapt. Ze bedankt hem voor de ventilator, hoewel die technisch gezien gewoon in zijn slaapkamer stond. Tante Noi blijft.

Natuurlijk.

Ze zit met haar voeten op een tweede stoel en haalt ergens uit haar tas een klein zakje kleefrijst. De Buitenstaander gaat tegenover haar zitten.

‘Jij gaat niet weg?’

Tante Noi kauwt.

‘No.’

‘Waarom niet?’

Ze wijst naar hem.

‘You.’

‘Wat is er met mij?’

Tante Noi zoekt naar woorden. Ze wijst naar de lege weg, daarna naar de woonst en weer naar hem.

‘Farang alone. Not good.’

‘Waarom niet goed?’

Ze denkt lang na.

‘Lonely.’

De Buitenstaander wil lachen. Dan ziet hij dat ze ernstig is.

‘Ik ben niet eenzaam.’

Tante Noi knikt alsof dat prettig nieuws is, maar geen reden om te vertrekken.

‘In Europe people alone,’ zegt hij.

‘Why?’

Daar heeft hij niet onmiddellijk een antwoord op.

Hij begint over privacy, rust, tijd voor jezelf. Tante Noi begrijpt waarschijnlijk de helft. Bij privacy trekt ze haar wenkbrauwen op. Bij alone knikt ze bezorgd. Uiteindelijk geeft De Buitenstaander het op. Hij zegt dat mensen in Europa soms graag alleen zijn.

Tante Noi denkt daar even over na.

‘Sad.’

‘Neen. Niet sad.’

Ze klopt zacht met haar hand op zijn onderarm.

‘Mai pen rai.’

Maak je niet druk.

De Buitenstaander lacht ondanks zichzelf. Hij probeert haar uit te leggen dat zij nu medelijden heeft met iets waar hij naar uitkeek. Dat wordt te ingewikkeld. Tante Noi geeft hem kleefrijst.

Hij neemt een stukje.

Tegen elf uur arriveert onverwacht een vierde bezoeker. Een oude man die De Buitenstaander alleen kent als de eigenaar van twee koeien en een radio die iedere ochtend om vijf uur aanstaat. De man komt niet zitten. Hij brengt een plastic zak met drie komkommers, legt die op tafel en vertrekt weer.

‘Waarom?’

Tante Noi haalt haar schouders op.

‘For you.’

‘Waarom voor mij?’

‘Alone.’

De Buitenstaander kijkt naar de komkommers.

Blijkbaar veroorzaakt alleen-zijn hier niet alleen gezelschap, maar ook groente.

De verrassende wending komt vlak voor de middag. De Buitenstaander loopt naar de keuken en ziet dat de achterdeur openstaat. Op zichzelf niet vreemd. De deur staat bijna altijd open. Daarachter ligt een smal pad naar de opslagruimte en de achterkant van het erf. Naast de deur staat een plastic krat dat er eerder niet stond.

Hij kijkt erin.

Twee grote flessen bier.

Een fles lao khao.

Een pak speelkaarten.

En een zak pinda’s.

De Buitenstaander roept Tante Noi.

Ze komt kijken en begint meteen te lachen.

‘Van wie is dit?’

Tante Noi zegt een naam die hij niet kent.

‘Waarom staat dat hier?’

Ze maakt opnieuw het gebaar van kaarten uitdelen.

De Buitenstaander kijkt naar de speelkaarten. Dan naar de lao khao. Dan naar Tante Noi.

‘Gokken?’

Ze knikt.

‘Hier?’

Nog een knik.

‘Vandaag?’

Tante Noi lacht harder.

Nu begrijpt hij waarom Mali later komt.

Niet omdat de markt druk is.

De Buitenstaander pakt zijn telefoon en belt haar opnieuw. Ze neemt na vier keer over.

‘Mali.’

‘Ja.’

‘Er staat hier bier, lao khao en een pak kaarten.’

Stilte.

‘Mali?’

‘Niets aan de hand.’

‘Dat antwoord kennen we inmiddels.’

Mijn lief zucht.

‘Mensen komen straks beetje.’

‘Hoeveel is beetje?’

‘Misschien zes.’

‘Zes?’

‘Of acht.’

‘Je hebt mij alleen thuis gelaten zodat jouw familie hier kan kaarten?’

‘Niet familie allemaal.’

‘Dat helpt niet.’

Mali probeert uit te leggen dat haar moeder niet wil dat er bij de winkel wordt gekaart. De pu yai houdt evenmin van lawaai. Hun achtererf ligt uit het zicht van de weg en Mali had gisteren gezegd dat het misschien kon wanneer zij boodschappen deed.

‘Je wist dus dat hier mensen zouden komen.’

‘Later.’

‘En Tante Noi?’

‘Zij vroeg zelf.’

‘Prasert?’

‘Zelf.’

‘Lek?’

‘Zelf.’

Dat maakt het merkwaardig genoeg erger.

‘Dus niemand kwam om op mij te passen.’

Mali denkt even na.

‘Misschien beetje.’

‘En jij hebt mij niets verteld over dat kaarten.’

‘Jij zei gisteren ik moet meer zeggen.’

‘Precies.’

‘Ik wilde zeggen.’

‘Wanneer?’

‘Na markt.’

De Buitenstaander kijkt naar de krat.

‘Dat is achteraf.’

‘Ook zeggen.’

Hij sluit zijn ogen.

Een huwelijk met twee talen blijkt onvoldoende bescherming tegen informatie die in geen enkele taal wordt verstrekt.

‘Geen gokken om geld,’ zegt hij.

Mali antwoordt niet onmiddellijk.

‘Mali.’

‘Beetje.’

‘Neen.’

Dat woord komt harder dan hij verwacht.

Tante Noi kijkt op.

De Buitenstaander herhaalt het. Rustiger.

‘Geen gokken om geld hier.’

Aan de andere kant blijft het stil.

‘Dit is ook mijn woonst,’ zegt hij.

Dat is nieuw.

Niet voor hem. Wel hardop.

Mali antwoordt zachter.

‘Ja.’

‘Dan wil ik dat niet.’

‘Goed.’

Geen discussie. Geen verwijt. Alleen goed.

Dat verrast hem bijna meer dan de krat.

‘Echt?’

‘Jij zegt duidelijk.’

Daar had hij niet van terug.

Wanneer Mali rond half één thuiskomt, zitten uiteindelijk vijf mensen onder het afdak. Geen kaarten. Geen lao khao. De flessen bier staan in de frigo en de pinda’s zijn wel geopend. Iemand heeft som tam meegebracht, een ander gegrilde kip. Tante Noi heeft de komkommers gesneden. De Buitenstaander zit ertussen met een bord kleefrijst op zijn knie.

Mijn lief rijdt het erf op, zet de bromfiets uit en kijkt naar het gezelschap.

‘Alleen?’ vraagt ze.

De Buitenstaander kijkt om zich heen.

‘Heerlijk rustig.’

Mali glimlacht. Ze haalt twee volle boodschappentassen van de bromfiets en zet ze bij zijn stoel. Hij neemt ze van haar over.

‘Heb je alles?’

‘Ja.’

‘Ook gewone melk?’

Mijn lief kijkt hem aan.

‘Neen.’

‘Goed zo.’

Ze gaat naast hem zitten. Zonder iets te zeggen neemt ze een stukje kip van zijn bord. De Buitenstaander schuift de rest iets dichter naar haar toe.

Tante Noi begint over het kaarten. Mali antwoordt kort. Tante Noi kijkt naar De Buitenstaander en knikt.

‘Wat zegt ze?’

‘Jij baas vandaag.’

‘Alleen vandaag?’

Mijn lief pakt nog een stuk kip.

‘Niet overdrijven.’

De Buitenstaander leunt achterover. Er zitten vijf mensen op zijn erf, iemand eet zijn pinda’s, Praserts bromfiets staat nog steeds bij de poort en uit de frigo komen twee flessen bier die niet van hem zijn.

Zijn eerste ochtend alleen thuis zit erop.

Het was druk.

Wordt vervolgd.

Over deze blogger

De buitenstaander
De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.

2 reacties op “De Buitenstaander: de eerste keer alleen thuis”

  1. Bassie zegt op

    T.I.T
    Heerlijk verhaal.
    Thx.

    0
  2. Sjean zegt op

    In één woord: geweldig!

    0

Laat een reactie achter