Blijven of Verrekken – Het Bord (deel 10 en slot)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
Tags:
8 september 2026

Kuala Lumpur en Isan, december 2035

Het appartement in Kuala Lumpur had een balkon met uitzicht op een ander appartement, en Nan woonde er zeven maanden toen het onderzoek de kranten haalde.

Niet de Thaise kranten. Een internationaal persbureau eerst, toen de zakenpers, toen de rest. Regionaal witwasnetwerk. Vastgoed langs infrastructuurcorridors in drie landen. Vragen aan twee ministeries. Een adviesbureau dat zijn website offline haalde, wat het digitale equivalent is van wegrennen in een rechte lijn. Er kwam een parlementaire vraag in Bangkok, en een antwoord dat langer was dan de vraag en minder zei, en er werd een commissie ingesteld, en de commissie kreeg een termijn, en de termijn werd verlengd.

Het adviesbureau zelf dook drie maanden later weer op, in Singapore, onder een nieuwe naam, met dezelfde klantenlijst minus de twee ministeries en plus drie fondsen die niemand kon herleiden. Nan las het persbericht op haar balkon en herkende in de eerste alinea de woordvolgorde van iemand die per uur wordt betaald.

Ze las alles, elke ochtend, met thee die ze tegenwoordig opdronk terwijl hij warm was, want koude thee was een voorheen de gewoonte van haar werkzame leven.

Ze had geen werkzaam leven meer. Ze had een status. Haar terugkeer werd in behandeling gehouden, haar naam stond op een lijst die officieel niet bestond en die ze jaren geleden zelf mede had helpen ontwerpen, toen lijsten nog een instrument waren en geen adres. Ze wist precies wat het betekende om erop te staan. Dat was het verschil tussen haar en de meeste mensen op lijsten, en het was geen troost. Het was alleen kennis, en kennis was het enige dat ze altijd had gehad.

De Française mailde twee keer per jaar, formeel, via een adres dat nergens aan vastzat. De laatste mail bevatte één zin over een technische werkgroep die was uitgebreid met twee jurisdicties, en Nan las de zin drie keer en begreep wat eronder stond: het liep nog. Langzaam, ondergronds, op de snelheid van voetnoten, maar het liep, en het was niet meer terug te stoppen in één vrouw in één appartement, want het was nu verdeeld over instituten, en instituten vergeten trager dan mensen sterven.

Misschien was dat het enige wat ze had gewonnen. Ze had het geheugen verplaatst.

Haar vader belde elke zondag, vanuit Sakon Nakhon, waar hij bij een neef woonde en twee ochtenden per week lesgaf aan een dorpsschool die hem niet kon betalen. De ouders betaalden in eieren, in rijst, in een keer een kip, en hij vertelde het alsof het een grap was en het was geen grap, het was de economie. Zijn stem was lichter dan in jaren, en Nan werd er niet vrolijk van, want ze hoorde wat die lichtheid betekende: hij had zich aangepast aan een land waar onderwijs met eieren werd betaald, en aanpassen was wat overlevenden deden.

Over de soi spraken ze niet meer. Er viel niets meer te bespreken dat geen adres was.

*

In het dorp werd Theo wakker met de hanen, en de hanen begonnen om kwart voor vijf, en er was geen deur dik genoeg in heel Isan.

Hij had een routine, want een man zonder routine in een vreemd dorp lost op. Om zes uur de plastic stoel voor de kamer, het erf, de kippen. Om zeven uur bracht Pim koffie, oploskoffie met te veel suiker, zoals haar familie hem dronk, en Theo dronk hem zwijgend op, elke dag opnieuw, en dat zwijgen was zijn grootste prestatie in veertig jaar koffiedrinken.

De stroom kwam om zes uur ’s avonds en ging om negen uur weer uit, drie uur per dag, dat was het schema voor de dorpen sinds de zomer, en het dorp had zich eromheen gevouwen zoals het zich om alles heen vouwde. Er werd gekookt voor donker, gewassen bij daglicht, en de koelkast van Pims broer diende als kast.

De medicijnen waren het echte schema. Theo’s bloeddrukpillen kwamen per halve doos, als ze kwamen, en de apotheek in het districtsstadje schreef zijn naam in een schrift voor de volgende levering. Hij was in stilte begonnen de pillen te halveren, om de voorraad te rekken, en hij zei het niet tegen Pim, en hoewel Pim dat wist zei ze het niet tegen hem, en zo zorgden ze voor elkaar: door elkaar de leugen te laten houden.

Het dorp was niet onvriendelijk. Het dorp was Isan, er werd gelachen en gewuifd, en de kinderen riepen farang zonder venijn, als vaststelling, zoals je boom roept of hond. Maar het dorp sprak Lao onder elkaar, en Theo zat in de gesprekken zoals meubilair in een kamer staat: er werd rekening mee gehouden, eromheen bewogen, soms iets op afgelegd. Eén keer per week ging hij mee naar de tempel, niet uit geloof maar uit strategie, want de tempel was de enige plek waar aanwezigheid volstond en niemand een gesprek verwachtte. De oude monnik knikte hem elke week toe met een blik waar Theo niets in kon lezen en die hem toch elke week iets rustiger maakte.

Op een dinsdag probeerde hij bij de waterpomp het Lao-woord voor warm dat Pims broer hem had geleerd, tegen twee vrouwen met wasgoed, en de vrouwen lachten, hard en hartelijk en eindeloos, en riepen er anderen bij, en Theo moest het woord die middag elf keer zeggen, en het was elf keer raak. Hij begreep pas thuis waarom het hem niet had gekwetst. Ze lachten niet om hem. Ze lachten omdat het meubilair iets had gezegd.

Zijn zoon belde op zondagen. De vierhonderd per maand ging er nog steeds heen, van de huisverkoop, waarvan het grootste deel vaststond op de Thaise rekening voor het visum, onaangeroerd, twaalf maanden, zoals de wet het wilde.

Op een ochtend in december, de hanen waren klaar, de koffie kwam, zei Theo tegen Pim wat hij al weken aan het bouwen was.

“Weet je wat ik heb uitgerekend? Nederlandse koffie was vijftien jaar lang het enige dat ik miste. Nu mis ik alles. Dus eigenlijk is het eerlijker geworden.”

Het was zijn beste grap in maanden. Hij had eraan geschaafd zoals hij vroeger aan offertes schaafde, het ritme goed, de pauze goed, alles goed.

Pim keek naar hem. Ze legde haar hand op zijn schouder, even, twee tellen, en pakte de lege beker en liep naar de wasplaats, en Theo bleef zitten op de plastic stoel met zijn gezicht naar het erf, en de kippen kwamen kijken of hij iets had laten vallen.

Hij had iets laten vallen. Het was alleen niets voor kippen.

*

De soi in Udon Thani bestond nog, op de kaart.

Veertien huizen, twaalf leeg, met ramen waar de gordijnen nog hingen omdat gordijnen niets waard zijn. Het huis van Somchai was al weg, het terrein bouwrijp. Het huis van Prasit stond er nog, met de zwarte plek waar de schuur had gestaan. En het huis van Theo en Pim stond er nog, met op het terras een rotanstoel die niemand had willen meenemen en niemand was komen halen, en die langzaam de vorm verloor die vijftien jaar lang die van één man was geweest.

Verderop, waar de grond zonder bestemming had gelegen, werd nu wel gebouwd, dag en nacht, en op heldere avonden was de gloed van de bouwlampen tot in het districtsstadje te zien. De eerste rails lagen er al, zeiden ze op de markt. Niemand van de markt was gaan kijken.

Bij de ingang van de soi stond sinds kort een bord. Groot, blauw, professioneel, met een impressie van loodsen die er nog niet stonden, laag en langgerekt, en daaronder tekst in twee talen. De onderste regel was Thais en noemde een projectnaam en een telefoonnummer.

De bovenste regel was groter, en in het Mandarijn.

Er woonde niemand meer in de soi die had kunnen proberen hem te lezen. Mevrouw Daeng had het vroeger aan iemand gevraagd, in het winkeltje, aan de theeman of aan de dochter van Prasit of desnoods aan de farang, want vragen kostte niets. Maar het winkeltje was dicht, en de theeman was weg, en de dochter stond op een lijst, en de farang zat veertig kilometer oostwaarts op een plastic stoel.

Het bord was niet voor hen bedoeld.

Er was geen hen meer.

* * * Slot * * *

Eerder in deze serie is verschenen:

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

1 reactie op “Blijven of Verrekken – Het Bord (deel 10 en slot)”

  1. Werner2 zegt op

    Spannend en rauw geschreven. Hopelijk wordt deze fictie geen werkelijkheid.

    1

Laat een reactie achter