Blijven of Verrekken – De straat (deel 7)

Udon Thani, april 2034
Van de veertien huizen in de soi waren er dat voorjaar nog zes bewoond, en Theo kende de rekensom beter dan de bewoners.
Somchai: verkocht, vertrokken naar zijn dochter in Khon Kaen, twee keer de prijs, de gelukkige van de eerste ronde. De familie Boonmee: verkocht, anderhalf keer de prijs. Mevrouw Daeng: verkocht, één keer de prijs, want haar man was ziek en het ziekenhuis wilde eerst de borg zien. Het jonge stel op nummer negen: verkocht, en niemand wist voor hoeveel, want ze groetten al maanden niet meer voordat ze gingen.
In februari was duidelijk geworden waar iedereen al die jaren naast had gewoond. De gemeente wijzigde de bestemming van het gebied: logistiek knooppunt, ten behoeve van het geplande overslagterrein aan de nieuwe spoorlijn. Het stuk grond zonder bestemming, driehonderd meter verderop, bleek al vier jaar een bestemming te hebben, alleen niet op de openbare tekeningen. Rangeersporen, laadperrons, douaneloodsen. De soi lag straks tegen een goederenterminal aan, en niemand had bezwaar kunnen maken, want de termijn was verlopen voordat de bekendmaking iemand had bereikt.
Met de nieuwe bestemming was elk woonhuis op papier een sta-in-de-weg geworden. Wie nu verkocht, verkocht een obstakel, en obstakels brengen geen marktprijs op maar een obstakelprijs, en die zakte per maand. De mannen die de biedingen brachten, wezen daar behulpzaam op.
Ze kwamen in een grijze Fortuner zonder kentekenhouder, twee mannen, altijd beleefd, altijd Thais sprekend, altijd met een map. Ze kwamen bij Pim in maart en in april, en het bod van april was lager dan dat van maart, en de jongste van de twee legde met een rekenmachine uit waarom, alsof hij hielp.
Bij het bezoek van april stelde de oudste voor het eerst een vraag rechtstreeks aan Theo, in het Engels, over Pims hoofd heen.
“You have children in Holland, yes?”
“Een zoon,” zei Theo, voordat hij kon bedenken of hij dat wilde zeggen.
“Family is important.” De man knikte alsof ze het samen ergens over eens waren geworden. “Distance is difficult. Especially at your age.”
Meer niet. De map ging open, de rekenmachine kwam, het bod van april werd toegelicht. Maar Theo hoorde de zin die avond terug, en de avond erna, en hij begreep dat het geen beleefdheid was geweest. De man had hardop voorgelezen wat er over Theo in een map stond, om Theo te laten weten dat er een map was.
*
De stad was intussen een andere stad aan het worden, in het tempo waarin steden dat doen: te langzaam om het nieuws te halen, te snel om eraan te wennen.
Op de markt liepen tegen sluitingstijd mensen langs de kramen die niets kochten en alles bekeken wat werd weggegooid. De bedelaars bij de tempel waren geen bedelaars meer van beroep maar gewone mensen die het niet meer redden, families, en dat zag je aan hoe slecht ze erin waren. En op een dinsdag, bij de apotheek, versperde een man van een jaar of dertig Theo de weg, niet dronken, niet gek, gewoon een man met een uitgestreken gezicht die in het Engels zei: “Go home. Nobody wants you here.” Er stonden acht mensen omheen. Niemand zei iets. Niemand deed iets. De man liep door, en Theo haalde zijn medicijnen, en de apotheker gaf hem het doosje met twee handen en een kleine buiging, wat een verontschuldiging was, of een afscheid, dat was tegenwoordig moeilijk uit elkaar te houden.
*
Prasit woonde twee huizen verderop en was vijftien jaar lang de enige in de soi geweest met wie Theo een heel gesprek kon voeren.
Vierendertig jaar onderwijzer, Engels en aardrijkskunde, gepensioneerd met een boekenkast en een dambord waarop hij Theo elke donderdagavond vernederde. Zijn vrouw was zeven jaar dood. Zijn dochter werkte in Bangkok bij iets met geld, meer wist Theo niet, want Prasit sprak over zijn dochter zoals gelovigen over heilige zaken spreken, kort en met ontzag.
Prasit had niet verkocht. Prasit ging niet verkopen.
“Ik heb die bomen geplant toen mijn vrouw zwanger was,” zei hij op een donderdag, met zijn ogen op het dambord. “De mannen met de map zeggen dat het perceel meer waard is zonder opstallen. Ze bedoelen mijn huis. Ik ben de opstal, Theo.”
“Dan zijn we samen opstallen.”
“Jij bent geen opstal.” Prasit sloeg twee stenen in één beweging. “Jij bent een complicatie. Dat is erger. Opstallen worden gesloopt. Complicaties worden opgelost.”
*
De schuur van Prasit brandde in de nacht van zaterdag op zondag.
Theo werd wakker van het licht, niet van het geluid, oranje licht dat door de gordijnen bewoog, en hij stond bij het raam voordat hij goed en wel wakker was. De brandweer kwam uit Udon, twintig minuten, en die twintig minuten stonden Theo en Prasit naast elkaar op de weg te kijken, en Prasit zei niets, en dat was het luidste dat Theo hem ooit had horen zeggen.
Er raakte niemand gewond. Er ging niets van waarde verloren, een schuur, gereedschap, zakken cement. De politie kwam maandag, één agent, jong, beleefd. Hij liep om de resten heen, maakte vier foto’s en zei dat het vermoedelijk kortsluiting was geweest, en dat oude schuren nu eenmaal weleens branden.
“De schuur was twee jaar oud,” zei Prasit.
De agent schreef het op. Hij schreef het echt op, Theo zag het hem doen, en hij zag ook hoe weinig het opschrijven woog, hoe een pen over papier kan gaan zonder iets achter te laten.
Oude schuren branden weleens. Niemand in de soi verbeterde hem.
*
De dochter kwam dinsdag.
Theo zag haar uit een grijze huurauto stappen, een vrouw van tegen de veertig in kleren die niet in Udon waren gekocht, en hij wist meteen wie ze was, want ze bekeek de soi zoals haar vader een dambord bekeek. Niet kijken. Lezen.
Ze stond lang bij de verbrande schuur. Daarna stond ze op de weg en las ze het bord bij het huis van de familie Boonmee, de projectnaam, de bedrijfsnaam eronder, en Theo, die toevallig bij zijn hek stond op de manier waarop je twee dagen achtereen toevallig bij je hek staat, zag iets dat hij niet kon plaatsen en nooit meer vergat.
Ze schrok niet van het bord. Ze herkende het.
Zoals je een naam herkent die je zelf ooit hebt opgeschreven.
“U bent de buurman,” zei ze in het Engels, over het hek. “Mijn vader zegt dat u niet kunt dammen.”
“Uw vader is een genadeloze man.”
“Ja,” zei ze, en heel even was er een begin van een glimlach, het soort dat meteen wordt teruggenomen. “Meneer Vermeer. Als er nog eens iets gebeurt in deze soi, ’s nachts, wat dan ook: wilt u mij dan bellen? Niet de politie. Mij.”
Ze gaf hem een nummer zonder naam erbij.
Theo keek naar de tien cijfers en begreep drie dingen tegelijk. Dat de dochter van Prasit wist wat hier gebeurde. Dat de politie bellen geen zin had en dat zij dat zeker wist, niet vermoedde. En dat een vrouw die zulke dingen zeker weet en toch haar nummer aan een buurman geeft, een vrouw is die aan het verliezen is en het weet.
*
Die avond zat Nan bij haar vader op de veranda, en tussen hen in stond het eten dat ze samen hadden gekookt en waarvan geen van beiden veel at.
“Je hoeft niet te blijven vannacht,” zei Prasit.
“Ik blijf vannacht.”
“Er gebeurt niets meer. Ze hebben hun bericht bezorgd. Berichten bezorg je één keer.”
Nan keek naar haar vader, die de logica van dreiging ontleedde met de rust waarmee hij vroeger proefwerken nakeek, en ze vroeg zich af waar hij dat had geleerd. Nergens. Het land had het hem geleerd, zoals het haar de sporen had geleerd en Wichai de omwegen.
“Verkoop het, papa. Kom naar Bangkok.”
“Naar Bangkok.” Hij zei het zoals je een zet naspreekt die je niet gaat doen. “En jij? Wie zegt mij dat Bangkok voor jou veiliger is dan deze soi voor mij?”
Daar had ze geen antwoord op, en hij wist dat ze er geen had, en hij was te veel onderwijzer om het niet te benoemen.
“Precies,” zei hij, en hij schepte haar bord nog eens vol.
Er gebeurde die nacht niets. Haar vader had gelijk: berichten bezorg je één keer.
* * *
Eerder in deze serie is verschenen:
- Blijven of Verrekken – De Cijfers Kloppen Niet (deel 1)
- Blijven of Verrekken – De Nieuwe Buren (deel 2)
- Blijven of Verrekken – Het Feest Gaat Door (deel 3)
- Blijven of Verrekken – De Schuld (deel 4)
- Blijven of Verrekken – De Wet (deel 5)
- Blijven of Vertrekken – Nans Kopie (deel 6)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur17 augustus 2026Blijven of Verrekken – De straat (deel 7)
Cultuur11 augustus 2026Blijven of Verrekken – Nans Kopie (deel 6)
Cultuur1 augustus 2026Blijven of Verrekken – De wet (deel 5)
Cultuur29 juli 2026Blijven of Verrekken – De Schuld (deel 4)

Wat een mooi verhaal. Het leven kan daar zo ontzettend onrechtvaardig en hard zijn. Dit soort zaken gebeuren in dat soort landen en je kan maar beter een semi professionele stoïcijn zijn om het mentaal te kunnen overleven.
Hartelijk dank voor het opschrijven en delen.