De eerste nacht van de Buitenstaander

Om zeventien minuten over tien kraakt de ventilator voor de eerste keer. De Buitenstaander ligt nog maar pas op het bed, doch hij weet onmiddellijk dat dit geen onschuldige kraak is. Het geluid keert terug telkens wanneer de kop van het toestel naar links draait: eerst een droge tik, daarna een schurend geknor en ten slotte een korte metalen zucht, alsof er ergens binnenin een vermoeid mannetje aan een wiel draait. Naar rechts gaat het beter. Dan bromt het toestel alleen maar.
De ventilator staat op de hoogste stand en blaast warme lucht over het bed, langs zijn blote benen en onder zijn hemd, dat opnieuw aan zijn rug begint te kleven. Van verkoeling is nauwelijks sprake. Het ding verplaatst de hitte vooral van de ene kant van de kamer naar de andere.
Naast hem slaapt Mali. Mijn lief ligt op haar zij, een hand onder haar wang en een knie licht opgetrokken. Haar ademhaling is rustig. Ze is nog geen vijf minuten geleden gaan liggen en lijkt nu al verder weg dan Bangkok. Het harde matras, de warmte, het kraken en de muggen deren haar blijkbaar niet. Zelfs de geur van de kaas, die vanuit de halfopen valies de kamer binnendringt, heeft geen vat op haar nachtrust.
De Buitenstaander sluit zijn ogen.
Krak.
Hij opent ze weer. Boven hem rust het golfplaten dak op een houten gebinte dat betere jaren heeft gekend. In het licht van het peertje bij de deur ziet hij spinnenwebben, oude spijkers en een elektriciteitsdraad die met stukjes wit plastic aan een balk is vastgemaakt. Het dak heeft overdag de zon verzameld en geeft die nu langzaam terug aan de kamer. Iedere golfplaat lijkt een eigen kleine kachel. Vooraleer hij ging liggen, heeft hij het laken opgetild om te controleren of er geen beesten onder zaten. Mali moest daar eens goed mee lachen.
‘Wat zoek je?’
‘Niets.’
‘Waarom kijk je dan?’
‘Gewoon.’
Hij heeft haar eigen antwoord tegen haar gebruikt. Veel indruk maakte het niet.
Buiten begint een hond te blaffen. Niet het korte aanslaan van een waakhond die iets hoort, maar een langdurig en overtuigd geblaf. Het dier klinkt alsof het een ernstige zaak behandelt. Een tweede hond antwoordt van ginds aan de kruising. Daarna mengt een derde zich in het gesprek, verder weg, met een hogere stem. Binnen een halve minuut blaft zowat het hele dorp. De Buitenstaander richt zich op zijn elleboog en luistert. Misschien loopt er iemand over het erf. Misschien een slang. Een dief. Een dronken buurman die zijn eigen woonst niet meer kan vinden. Hier heeft niemand een poort die behoorlijk sluit, laat staan een alarmsysteem.
‘Mali.’
Geen reactie.
‘Mali.’
Mijn lief beweegt even met haar voet.
‘De honden.’
‘Ja.’
Dat ene woord komt van ergens diep uit haar slaap.
‘Waarom blaffen ze?’
‘Honden blaffen.’
Daarna is ze weer weg.
De Buitenstaander blijft rechtop zitten. Dat honden blaffen, had hij zelf ook al vastgesteld. De vraag was waarom ze dat met zovelen tegelijk en op dit uur nodig vinden. Hij luistert naar voetstappen, stemmen of het geluid van een poort. Niets. Alleen het geblaf dat langzaam van erf naar erf trekt als een gerucht. Na enkele minuten valt het ene dier stil. Dan het volgende. De laatste hond houdt nog wat vol, waarschijnlijk uit principe, en geeft het uiteindelijk ook op.
De stilte die volgt, duurt elf seconden. Vanuit de velden barsten de kikkers los. Overdag had hij er nauwelijks aandacht aan besteed. Enkele groene koppen in de greppel, een plons in het water, meer niet. Nu blijken er duizenden te wonen. Grote kikkers met lage, holle stemmen. Kleine kikkers die ratelen alsof iemand met stokjes over een golfplaat strijkt. Andere produceren een scherpe, herhalende toon die op een defect alarm lijkt. Samen vormen ze geen koor. Daarvoor is enige samenwerking nodig. Dit is eerder een vergadering waarbij iedereen tegelijk spreekt en niemand van plan is te luisteren.
De Buitenstaander draait zich op zijn andere zij.
Krak.
De ventilator blaast nu recht in zijn gezicht. Zijn ogen worden droog, maar de rest van hem blijft nat. Hij schuift een stukje naar beneden, waarna de lucht over zijn borst gaat en zijn voeten buiten de luchtstroom vallen. Meteen voelt hij een mug landen op zijn enkel. Hij slaat. Mis. De mug zoemt weg, cirkelt rond zijn hoofd en verdwijnt vermoedelijk onder het bed om versterking te halen.
Hij staat op en zoekt in de grootste valies naar zijn toiletgerief. Het licht van zijn telefoon schijnt over opgerolde hemden, broeken, medicijnen, kabels en twee paar schoenen die hij in Europa nog volkomen noodzakelijk vond. De muggenspray zit onderaan. Natuurlijk. Vooraleer hij erbij kan, moet zowat zijn halve oude leven uit de valies.
‘Wat doe je?’ vraagt Mali.
‘Muggenspray zoeken.’
‘Morgen.’
‘De muggen wachten niet tot morgen.’
Mijn lief mompelt iets dat hij niet begrijpt. Misschien Isaan. Misschien slaaptaal. Ze trekt het laken over één schouder en ademt rustig verder. De Buitenstaander vindt de spray onder een toilettas en spuit zijn benen, armen en hals in. De geur vult onmiddellijk de kamer. Chemische citroen, met een ondertoon van garage. Hij legt de bus op het kastje, stapt over zijn gerief en gaat opnieuw liggen. Ditmaal trekt hij het dunne laken tot aan zijn kin, alhoewel het daarvoor veel te warm is. Alleen zijn gezicht blijft onbeschermd. Hij voelt zich als een man die een brand probeert te blussen met een servet.
Even na elf uur rijdt een bromfiets voorbij. Het ding heeft geen uitlaat, of toch geen die haar taak nog ernstig neemt. Het geluid zwelt aan op de aardeweg, passeert vlak voor het huis en verdwijnt langzaam richting tempel. Kort daarna volgt een tweede bromfiets. Dan een pick-up met muziek. De lage bast doet het raam trillen. Iemand roept iets. Verderop wordt gelachen.
De Buitenstaander kijkt naar Mali. Geen beweging. In Europa werd ze wakker van zijn wekker, zelfs wanneer die aan zijn kant van het bed stond. Hier kan een bromfiets zonder uitlaat door de slaapkamer rijden en zou mijn lief zich vermoedelijk alleen omdraaien omdat de koplampen haar storen. Hij vraagt zich af of slapen een aangeleerd talent is. Misschien groeit een mens hier op met honden, kikkers, hanen, bromfietsen en luidsprekers, tot het brein besluit dat verzet geen soelaas brengt. Hijzelf is opgegroeid met dubbel glas, gordijnen en buren die na tien uur hun televisie zachter zetten. Beschaving, noemde men dat ginds. Of schrik voor klachten.
Hij probeert opnieuw zijn ogen te sluiten. Hij ademt langzaam in en uit, zoals een vrouw op het internet had uitgelegd in een filmpje over slapeloosheid. Vier tellen in. Zeven tellen vasthouden. Acht tellen uit. Bij de derde ademhaling kraakt de ventilator. Bij de vierde blaft de hond opnieuw. Bij de vijfde kriebelt er iets over zijn scheenbeen.
Hij schiet overeind en slaat op het laken. Een klein beest springt weg. Geen mug. Te groot. Misschien een kever. Misschien iets met meer poten dan strikt noodzakelijk. Het verdwijnt langs de rand van het matras. De Buitenstaander doet het licht aan.
‘Mali.’
‘Hm.’
‘Er zit iets in het bed.’
Mijn lief opent één oog.
‘Waar?’
‘Daar.’
Hij wijst naar een plek waar niets meer te zien is. Mali kijkt drie seconden, sluit haar oog en trekt haar knie iets hoger op.
‘Weg.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik zie niet.’
‘Precies.’
‘Dan is het weg.’
Daar had hij niet van terug.
Hij laat het licht branden en gaat voorzichtig liggen, dicht bij Mali, maar niet zo dicht dat ze wakker wordt en hem beschuldigt van extra warmteproductie. Zijn voeten houdt hij onder het laken. Uit de badkamer klinkt het droge roepen van de gekko. Tok-kè. Even stilte. Tok-kè. Het geluid is veel luider dan hij had verwacht van een beest dat overdag zo rustig tegen de muur zat. Het roept opnieuw, zes keer achter elkaar. De Buitenstaander telt mee. Bij zeven zou het geluk brengen, had iemand hem ooit verteld. Of rijkdom. Mogelijk was het negen. In Thailand bestaan veel zekerheden waarvan de details voortdurend veranderen. Het dier stopt na zes. Uiteraard.
Om twaalf uur zet hij de ventilator zachter. Het gekraak vermindert, doch de warmte niet. Na drie minuten staat het zweet in zijn knieholten en tussen zijn schouderbladen. Hij zet hem weer harder. Het toestel reageert met een diepe brom en een korte trilling. De metalen voet schuift een halve centimeter over de tegelvloer.
Krak.
Hij overweegt om er een druppel olie in te doen. In zijn gereedschapskoffer zit geschikte smeerolie, samen met schroevendraaiers, tangen en al het gerief waarmee een man zichzelf kan wijsmaken dat hij voorbereid is. Doch de koffer staat in de woonkamer. Daar liggen waarschijnlijk familieleden te slapen, al weet hij niet wie er na het eten naar huis is gegaan en wie gewoon ergens is neergevallen. Bovendien kent hij de ventilator niet. Misschien valt het rooster eraf. Misschien vliegt de propeller door de kamer.
Daar komt gedoe van.
Neen. Hij blijft liggen.
Om kwart voor één begint het te regenen. Eerst enkele zware druppels die op het dak uiteenspatten. Daarna meer. Binnen een minuut slaat een ferme bui op de golfplaten neer. Het geluid vult de hele kamer, massief en zonder tussenruimte, alsof boven hen duizenden handen tegelijk op metaal trommelen. De honden zwijgen. De kikkers eveneens. Zelfs de ventilator is nauwelijks nog te horen.
De Buitenstaander legt zijn hand op Mali’s schouder.
‘Mali.’
Mijn lief schrikt wakker en komt half overeind.
‘Wat?’
‘De regen.’
Ze kijkt naar het plafond.
‘Ja.’
‘Is het dak goed?’
‘Meestal.’
Dat woord bevalt hem niet. Boven de kast glanst iets langs een houten balk. Een druppel vormt zich, wordt groter en valt op de tegelvloer. Daarna een tweede, precies tussen de kast en de roze gordijnen. Mali volgt zijn blik, stapt uit bed en schuift zonder enige haast een plastic emmer onder de lekkage. De emmer staat klaar naast de kast. Dat zegt genoeg.
‘Je wist dat het lekte.’
‘Alleen als het regent.’
‘Wanneer zou het anders lekken?’
Mijn lief kijkt hem aan. Niet boos. Eerder vermoeid door zijn behoefte aan nauwkeurigheid. Ze legt een oude handdoek rond de voet van de emmer en kruipt opnieuw in bed.
‘Morgen maken,’ zegt De Buitenstaander.
‘Niet morgen.’
‘Waarom niet?’
‘Dak nat.’
‘Dan overmorgen.’
‘Misschien.’
Hij hoort het meteen. Later heeft gezelschap gekregen.
De regen houdt twintig minuten aan. Het water tikt in de emmer met een onregelmatig ritme. Soms snel, dan enkele seconden niets, daarna een dikke druppel. De Buitenstaander probeert aan iets anders te denken, doch zijn hoofd wacht telkens op de volgende tik. Zodra die valt, begint het wachten opnieuw. Mali slaapt alweer. Haar vermogen om zich af te sluiten van de wereld begint hem licht te irriteren. Niet ernstig. Een beetje maar. Vooral omdat hij er zelf niet toe in staat is.
Wanneer de bui wegtrekt, komt het dorp weer tot leven. De kikkers zijn nu dubbel zo luid. Het water in de greppels heeft hen blijkbaar nieuwe goesting gegeven. Uit het donker klinkt het ploffen van druppels die van de mangoboom op het erf vallen. De lucht ruikt naar natte aarde, bladeren en modder. Door het open raam stroomt een zwaardere, koelere lucht de kamer in. Voor het eerst die avond voelt De Buitenstaander iets wat op soelaas lijkt.
Hij stapt uit bed en gaat op het terras zitten. De plastic stoel kraakt onder zijn gewicht. Het erf glanst in het schaarse licht van de tl-buis boven de winkel. Regenwater stroomt in dunne bruine geulen richting weg. Onder de mangoboom schudt een hond zijn vacht uit. Hetzelfde magere dier dat eerder op de weg stond, denkt De Buitenstaander. De hond kijkt naar hem, draait tweemaal rond en gaat onder de tafel liggen.
Aan de overkant brandt nog licht. Een oude man zit onder een afdak met een handdoek om zijn schouders en een sigaret tussen zijn vingers. De Buitenstaander herkent hem als de man die die middag een bromfietsband herstelde. Ze kijken naar elkaar. De oude man steekt kort zijn hand op. De Buitenstaander doet hetzelfde. Geen van beiden zegt iets. Dat is plezant. Eindelijk iemand die begrijpt dat de nacht geen geschikt moment is voor uitleg.
Verderop in het dorp hoest een kind. Een vrouw spreekt zacht. Een deur slaat dicht. De Buitenstaander hoort nu ook kleinere geluiden die overdag verloren gaan: water dat uit een regenpijp druppelt, bladeren die langs elkaar schuren en ergens een koe die zwaar ademhaalt. Het dorp slaapt niet werkelijk. Het ligt te rusten met één oog open.
Hij denkt aan zijn appartement in Europa, aan de verwarming die precies op temperatuur bleef en aan de ramen die alle geluid buitensloten. Daar lag hij soms eveneens wakker. Dan luisterde hij naar de frigo, de lift in de gang of een buurman die laat thuiskwam. Ook daar kon hij zich ergeren aan een geluid dat een ander niet eens hoorde. Alleen had hij er toen nooit bij stilgestaan dat stilte ook een vorm van luxe was. Iets wat ge pas opmerkt wanneer ge het niet meer hebt.
De oude man aan de overkant drukt zijn sigaret uit en verdwijnt naar binnen. De hond onder de tafel zucht. De Buitenstaander blijft nog even zitten, zijn voeten op de natte tegels. De lucht is koeler, doch zijn hemd plakt nog altijd aan zijn rug. In de verte weerlicht het boven de rijstvelden, zonder donder.
Dan kraait een haan.
De Buitenstaander kijkt op zijn telefoon. Twee uur zevenentwintig.
‘Dat meent ge niet.’
De haan kraait opnieuw. Een tweede antwoord van achter het huis. Daarna nog een, verder weg. Blijkbaar bestaat er geen afspraak over het begin van de ochtend. Iedere haan bepaalt dat voor zichzelf. Binnen enkele minuten ontstaat een wedstrijd die niemand kan winnen, maar waaraan toch iedereen deelneemt.
De Buitenstaander heeft er schoon genoeg van en gaat terug naar de slaapkamer. Mali ligt nu op haar rug. Hij schuift voorzichtig naast haar en trekt het kussen over zijn hoofd. Dat helpt tegen de hanen, doch niet tegen de warmte. Na een minuut haalt hij het weer weg. De ventilator draait onvermoeibaar verder.
Krak.
Om half vier wordt hij wakker van stemmen. Hij moet dus toch even geslapen hebben. Buiten schuiven slippers over de tegels. Een kastdeur gaat open. Metaal raakt metaal. De Buitenstaander luistert en hoort Mali’s moeder zacht iets roepen.
‘Mali.’
Mijn lief zit onmiddellijk rechtop. Geen traag ontwaken. Geen verwarde blik. Eén keer haar naam, nauwelijks luider dan de regen die nog uit de boom druppelt, en ze is klaarwakker. Mali stapt uit bed, bindt haar haar vast en loopt naar buiten. De Buitenstaander blijft liggen.
Daar had hij niet van terug.
Honden, hanen, kikkers, bromfietsen, regen en een ventilator die klinkt alsof hij ieder moment uit elkaar valt: niets. Haar moeder fluistert haar naam en ze reageert sneller dan een brandweerman.
Hij volgt haar naar de keuken. Mali’s moeder zit gehurkt bij de rijstkoker. De zwartgeblakerde stekker ligt op de vloer. Mali trekt hem uit het stopcontact, bekijkt het snoer en zegt iets korts. Haar moeder antwoordt. Samen schuiven ze de zware aluminium binnenpan opzij. Er zit kleefrijst in die voor de ochtendmarkt klaar moet zijn. Zonder rijstkoker geen rijst. Zonder rijst niets om mee te geven aan de broer die straks vertrekt.
‘Probleem?’ vraagt De Buitenstaander.
‘Stekker kapot,’ zegt Mali.
‘Ik heb gereedschap.’
‘Morgen.’
‘Het is nu kapot.’
‘Ja.’
‘Dan moet het nu gemaakt worden.’
Mijn lief kijkt naar hem. Er verschijnt een flauwe glimlach om haar mond.
‘Goed.’
Daar staat hij dan.
Hij haalt zijn gereedschapskoffer uit de woonkamer, stapt over twee slapende neven die op een rieten mat liggen en keert terug met een schroevendraaier en een kleine zaklamp. De stekker is ooit al drie keer hersteld. Rond het snoer zitten stukken tape in verschillende kleuren, als jaarringen rond een boom. Binnenin is een koperdraad losgeraakt en zwart geworden. Hij knipt het beschadigde stuk weg, schroeft alles opnieuw vast en wikkelt er verse isolatietape omheen. Mali houdt de zaklamp. Haar moeder kijkt zwijgend toe.
Wanneer hij klaar is, steekt hij de stekker in het stopcontact. De rijstkoker springt aan. Een rood lampje brandt. Meer gebeurt er niet, maar de twee vrouwen knikken content. Mali’s moeder schuift hem een plastic krukje toe en zet een glas water voor hem neer. Geen lof. Geen applaus. Alleen water. Het voelt beter dan de belangstelling voor zijn multitool van die middag.
‘Nu slapen,’ zegt Mali.
‘En de rijst?’
‘Die kookt.’
‘En als de stekker weer heet wordt?’
‘Dan ruiken wij dat.’
De Buitenstaander kijkt naar de verkoolde plek op de vloer.
‘Geruststellend.’
Mijn lief trekt hem mee naar de slaapkamer.
Om vijf uur kraaien de hanen opnieuw, maar nu met meer overtuiging. Een bromfiets start. Mali’s broer rijdt weg met zakken rijst achterop. De luidspreker bij de tempel kraakt tot leven. Eerst klinkt een toon, daarna de stem van een man die berichten voorleest, alsof de hele gemeenschap al rechtop zit te wachten. De Buitenstaander verstaat niets. Mogelijk gaat het over een bijeenkomst, een overlijden of een verdwaalde koe. De stem houdt tien minuten aan.
Mali slaapt.
De Buitenstaander kijkt naar haar gezicht. Nu begrijpt hij dat zij niet overal doorheen slaapt. Zij hoort alleen andere dingen. Het geblaf van een hond betekent niets. Regen op een dak evenmin. Een bromfiets, een haan, kikkers: achtergrond. Doch de stem van haar moeder, zacht vanuit een donkere keuken, bereikt haar onmiddellijk.
Mijn lief slaapt niet diep. Ze slaapt gericht.
Hijzelf hoort alles, maar weet bij geen enkel geluid of het belangrijk is. Dat is misschien het verschil.
Denkt hij.
Om half zes wordt de hemel boven de rijstvelden grijs. Licht sijpelt door de roze gordijnen. De ventilator draait nog steeds, koppig en vermoeid. De Buitenstaander voelt hoe zijn ogen eindelijk zwaar worden. De honden zwijgen. De kikkers verminderen hun lawaai. Zelfs de hanen nemen een korte pauze, content dat de zon na hun langdurig aandringen toch is verschenen.
Hij draait zich naar Mali en sluit zijn ogen. Op dat moment springt de haan van het erf op de vensterbank. Het dier steekt zijn kop langs het gordijn en kraait recht de slaapkamer in.
De Buitenstaander vliegt overeind. Mali opent een oog.
‘Is die van jullie?’
‘Van mama.’
‘Kan die niet ergens anders slapen?’
Mijn lief kijkt naar de haan, daarna naar hem.
‘Hij slaapt niet.’
Ze draait zich om en trekt het laken over haar schouder. Buiten begint iemand de winkel open te zetten. Kratten schuiven over de vloer, een kind roept om snoep en de rijstkoker klikt in de keuken tevreden op warmhouden. De Buitenstaander blijft rechtop zitten, met gezwollen muggenbeten op zijn enkels en de smaak van muggenspray achter in zijn keel.
De eerste nacht zit erop.
Voor Mali, toch?
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur16 juli 2026De eerste nacht van de Buitenstaander
Leven in Thailand11 juli 2026De Buitenstaander komt aan
