De Buitenstaander wordt door het dorp beoordeeld

Om zes minuten voor negen koopt de derde onbekende man van die ochtend één sigaret.
Geen pakje. Eén sigaret, los uit de glazen bokaal op de toonbank van Mali’s moeder. Hij steekt het ding achter zijn oor en neemt plaats op een plastic stoel, alsof hij voor de rest van de dag een kamer heeft geboekt.
De twee andere mannen zitten er al. De eerste is klein en pezig, draagt een groene voetbaltrui en heeft nog drie tanden die zelfstandig lijken te functioneren. De tweede is breder, met een donkerblauwe pet en een gouden ketting. Geen van beiden heeft zich voorgesteld. Ze drinken water, zeggen weinig en kijken veel.
De Buitenstaander zit onder het afdak met zijn gewonde voet op een bierkrat. De pleister die Mali na het avontuur met de buffel heeft aangebracht, laat aan één kant los. Naast zijn stoel staan de blauwe slippers. De ene is proper. De andere heeft nog altijd de kleur van de afwateringsgreppel.
Voor hem staat een tas lauwe oploskoffie. Uit de keuken komen geuren van knoflook, houtskoolrook en gefermenteerde vis. Een haan stapt onder de tafel door en kijkt naar zijn verbonden voet.
‘Neen,’ zegt De Buitenstaander.
De haan blijft staan.
‘Ge hebt uw kans gehad.’
De man met de gouden ketting vraagt iets aan Mali. Mijn lief hangt zakjes chips aan een touw en antwoordt zonder op te kijken. De drie mannen knikken. Daarna kijken ze gezamenlijk naar De Buitenstaander.
‘Wat vroeg hij?’
‘Niets.’
‘Hij wees naar mijn horloge.’
‘Hij vraagt hoe laat.’
Boven zijn hoofd hangt een klok die stilstaat op twintig over drie. Voor hem ligt een telefoon waarop zojuist nog het filmpje van de buffel speelde. De schoolmeid heeft haar opname blijkbaar verspreid. Heel even ziet De Buitenstaander zijn eigen achterwerk boven de modderige greppel uitsteken.
Niet filmen, hoort hij zichzelf roepen.
De mannen lachen alsof ze het voor de eerste keer zien.
‘Hij vroeg hoeveel je horloge kost,’ zegt Mali.
‘Dat dacht ik.’
‘Ik zeg niet duur.’
‘Dank u.’
‘Is ook niet duur.’
De Buitenstaander neemt een slok koffie. Sinds het verhaal van de buffel door het dorp gaat, is het opvallend druk in de winkel van zijn schoonmoeder. Mensen die gisteren nog vanaf de overkant bleven kijken, komen nu suiker, vissaus, ijsblokjes of één sigaret kopen. Niemand vertrekt meteen. Ze nemen plaats en bestuderen zijn horloge, telefoon, gereedschapskoffer en tanden.
Vooral zijn tanden.
Een oude vrouw had hem die ochtend gevraagd zijn mond open te doen. Mali beweerde dat ze wilde weten of hij kiespijn had. De Buitenstaander vermoedt dat ze zijn gebit keurde zoals men een tweedehands bromfiets bekijkt.
De man in de groene voetbaltrui stelt een nieuwe vraag.
‘Wat nu?’
‘Hoeveel pensioen.’
‘Dat gaat hem niets aan.’
Mali vertaalt iets wat veel korter klinkt. De man lacht en slaat zichzelf op de knie.
‘Wat zei je?’
‘Dat je genoeg hebt.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Niet antwoorden betekent veel.’
‘Dat is een interessante boekhouding.’
Een meisje van een jaar of negen verschijnt bij de toonbank. Haar kleine broer staat achter haar, zonder broek en met één gele slipper aan. Het meisje koopt een rood ijsje. Haar broer kijkt naar de vrieskist, daarna naar De Buitenstaander. Zijn onderlip komt naar voren.
Het hele erf wordt stil.
‘Geef hem ook maar een ijsje,’ zegt De Buitenstaander.
Het jongetje kiest het grootste chocolade-ijsje dat hij kan vinden. De Buitenstaander betaalt. De mannen knikken goedkeurend.
Vriendelijk, denkt hij.
Of naïef.
Vijf minuten later staat het kind opnieuw voor hem. Het ijs is verdwenen. Zijn mond zit onder de chocolade. Hij wijst naar de vrieskist.
‘Neen.’
De onderlip verschijnt opnieuw.
‘Eén is genoeg.’
Het jongetje kijkt naar Mali.
‘Hij zegt jij gierig,’ vertaalt ze.
‘Dat zegt hij niet.’
‘Niet met woorden.’
De mannen lachen.
De Buitenstaander zet zijn koffie neer. In minder dan een kwartier is hij rijk, gierig, vriendelijk en naïef bevonden.
Allemaal tegelijk.
Dat is tenminste efficiënt.
Wanneer de mannen eindelijk vertrekken, vraagt hij wie ze waren.
‘Mensen,’ zegt Mali.
‘Dat zag ik.’
‘Van dorp.’
‘Familie?’
‘Beetje.’
Mijn lief zet een bord rijst met een gebakken ei voor hem neer.
‘Ze beoordelen mij,’ zegt hij.
‘Ja.’
Hij kijkt op. Hij had op zijn minst een ontkenning verwacht.
‘Wat willen ze weten?’
Mali breekt de dooier open. ‘Of jij geld hebt. Of jij helpt. Of jij veel drinkt. Of jij snel boos wordt. Of jij blijft.’
Het laatste woord zegt ze zachter.
‘En wat zeg jij?’
‘Niets.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Ik zeg: kijk zelf.’
Onder de tafel raakt haar blote voet zijn enkel. Haar tenen blijven daar even rusten.
‘Niet druk maken,’ zegt ze. ‘Dorp kijkt altijd. Nieuwe hond, nieuwe bromfiets, nieuwe man. Alles.’
‘Ik ben dus ongeveer een bromfiets.’
‘Duurder.’
‘Dat stelt mij gerust.’
Na het eten verschijnt de pu yai baan, het dorpshoofd. Hij is een brede man met zorgvuldig gekamd haar, een wit overhemd en een balpen in zijn borstzak. Naast hem staat een metalen geldkistje. Tante Noi neemt plaats aan dezelfde tafel, alhoewel niemand haar heeft gevraagd.
De pu yai praat lang.
Mali luistert en kijkt daarna naar De Buitenstaander.
‘Luidspreker kapot.’
‘Vanmorgen werkte hij nog.’
‘Nu niet.’
De pu yai kijkt naar de gereedschapskoffer.
‘Ik ben geen elektricien.’
Mali vertaalt.
De pu yai knikt tevreden.
‘Wat zei je?’
‘Dat jij kijkt.’
Daar staat hij dan.
Bij de tempel wacht inmiddels een klein gezelschap. De drie mannen van de ochtend, het schoolmeisje met haar telefoon en het jongetje van de ijsjes lopen mee. Niemand geeft toe dat hij speciaal voor De Buitenstaander komt kijken.
De versterker staat in een klein vertrek naast de open sala. Binnen ruikt het naar stof, wierook en warme elektronica. Kabels verdwijnen door gaten in de muur en lopen naar luidsprekers op palen langs de weg.
De Buitenstaander zet zijn gereedschapskoffer neer.
Iedereen schuift dichterbij.
‘Ik kan niet werken als iedereen op mijn vingers kijkt.’
Mali vertaalt.
Niemand beweegt.
‘Dat heeft geholpen.’
Hij controleert de stekker, het stopcontact en de zekering. Achter de versterker hangt een losse kabel. De aansluiting is groen uitgeslagen en zit vol rode mieren.
‘Daar is uw probleem.’
De pu yai knikt alsof hij dat al wist.
De Buitenstaander trekt de stekker er uit, knipt het beschadigde stuk kabel weg en maakt de aansluiting proper. Drie mieren bijten tegelijk in de huid tussen zijn vingers.
‘Amai!’
De tang valt op de vloer. Het jongetje raapt haar op.
‘Ant,’ zegt hij.
‘Dat weet ik nu.’
Het publiek lacht.
De Buitenstaander maakt de kabel vast en zet de versterker aan. Een rood lampje begint te branden.
Buiten klinkt een dreun.
Daarna rolt een zware brom over het dorp. De honden bij de trap springen overeind en rennen weg. De pu yai straalt. Tante Noi klapt in haar handen.
‘Microfoon testen,’ zegt Mali.
De Buitenstaander pakt de microfoon op. Hij tikt ertegen. Geen geluid.
De pu yai loopt naar buiten om bij de luidspreker te luisteren. De anderen volgen. Alleen Mali blijft achter.
Mijn lief neemt zijn gebeten hand en bekijkt de rode plekjes.
‘Pijn?’
‘Beetje.’
‘Nu jij zegt beetje.’
‘Ik pas mij aan.’
Ze wrijft met haar duim over zijn huid.
‘Jij goed gedaan.’
‘Wacht maar. Misschien vliegt het ding straks in brand.’
Hij kijkt naar de open deur. Buiten staan de dorpelingen met hun gezichten naar de luidsprekerpaal.
‘Ze keuren mij echt, nietwaar?’
‘Ja.’
‘Rijk?’
‘Misschien.’
‘Gierig?’
‘Jij vraagt prijs van alles.’
‘Dat heet verstandig.’
‘Hier heet het khii niaw.’
‘Vriendelijk?’
‘Jij koopt ijs.’
‘Eén keer.’
‘Naïef?’
Mali wijst naar zijn verbonden voet.
‘Buffel.’
‘Dat was helpen.’
‘Ook naïef.’
‘Dus ik ben alles tegelijk.’
Mijn lief denkt even na.
‘Ja.’
‘En wat denk jij?’
Ze kijkt hem aan. Haar hand houdt de zijne nog altijd vast.
‘Jij bent mijn man.’
‘Dat is geen eigenschap.’
‘Voor mij wel.’
De Buitenstaander trekt haar dichterbij.
‘Ze willen weten of ik blijf.’
Mali kijkt naar de vloer. ‘Mensen komen. Bouwen huis. Geven geld. Veel foto’s. Dan weg.’
Door het raam ziet hij een onafgewerkt huis aan de andere kant van de rijstvelden. Betonnen palen steken uit het dak. Hij had gedacht dat de eigenaar geen geld meer had.
Misschien was alleen de eigenaar verdwenen.
‘Ik blijf,’ zegt hij.
Mali haalt één schouder op.
‘Iedereen zegt.’
‘Geloof jij mij?’
‘Meestal.’
‘Meestal?’
‘Als jij niet boos.’
‘Ik ben bijna nooit boos.’
Mijn lief trekt haar wenkbrauwen op.
‘Goed. Soms.’
Ze legt een hand tegen zijn wang.
‘Ik luister beetje.’
Hij kust haar voorhoofd. Daarna haar mond. Zacht. Mali slaat haar armen om zijn middel en blijft tegen hem staan.
‘Ik blijf,’ zegt hij opnieuw.
‘Goed.’
‘Een kus is ook goed.’
Ze kust hem opnieuw. Langer ditmaal.
Buiten begint iemand te roepen.
Daarna horen ze uit de luidspreker boven het dorp een stem:
‘Rijk?’
Gelach volgt. Eerst vlak buiten de kamer, daarna verderop langs de weg. Een hond begint te blaffen.
De Buitenstaander kijkt naar de microfoon in zijn hand.
Een klein groen lampje brandt.
‘Neen.’
Mali slaat een hand voor haar mond.
‘Hoeveel hebben ze gehoord?’
Ze antwoordt niet.
‘Mali.’
‘Vanaf rijk.’
‘Dus ook gierig?’
Ze knikt.
‘Vriendelijk?’
Opnieuw een knik.
‘Naïef?’
Vanuit de deuropening roept Tante Noi:
‘Buffel!’
Iedereen lacht. Zelfs de monnik heeft zijn bezem neergezet en houdt zijn buik vast.
‘En het laatste stuk?’ vraagt De Buitenstaander.
‘Welk?’
‘Dat ik blijf.’
Mijn lief knikt.
Het gelach wordt zachter. De oudere mannen kijken nu anders. Minder alsof ze naar een voorstelling komen kijken.
De man met de ene sigaret zegt iets.
‘Wat zegt hij?’
‘Goed.’
‘De reparatie?’
‘Jij.’
Tante Noi stapt naar voren en vat het oordeel samen. Mali vertaalt.
‘Rijk, want jij komt uit Europa. Gierig, want jij gaf maar tweehonderd baht. Vriendelijk, want jij maakt gratis. Naïef, want microfoon.’
‘Dus alles.’
‘Ja.’
‘Mooi.’
Mali legt haar hoofd kort tegen zijn schouder.
‘Nu officieel.’
Wanneer ze terugkomen bij de winkel, staat op zijn stoel een plastic zak met mango’s. Daarnaast liggen bananen, twee komkommers en een oud paar rubberlaarzen. Niemand weet wie ze heeft gebracht.
‘Voor jou,’ zegt Mali.
‘Omdat ik gezegd heb dat ik blijf?’
‘Omdat zachte voeten.’
‘Dat is minder romantisch.’
Aan het einde van de middag zitten ze samen onder het afdak. Mali snijdt mango in lange repen. De mooiste stukken legt ze op zijn bord. De Buitenstaander schuift er twee terug.
‘Samen,’ zegt hij.
Mijn lief neemt een stuk en houdt het voor zijn mond. Het sap loopt langs zijn lip. Ze veegt het met haar duim weg.
‘Ben ik nu goedgekeurd?’
‘Voor vandaag.’
‘En morgen?’
‘Morgen opnieuw kijken.’
‘Hoe lang duurt dat?’
‘Jaren.’
Boven de weg kraakt de gerepareerde luidspreker. De stem van de pu yai klinkt door het dorp. Mali schuift haar stoel dichter tegen de zijne.
‘Iedereen hoorde dat ik blijf,’ zegt De Buitenstaander.
‘Ja.’
‘Vind je dat niet ambetant?’
‘Neen.’
‘Waarom niet?’
Mijn lief leunt tegen zijn schouder.
‘Nu geen vrouw proberen.’
De Buitenstaander kijkt naar haar.
‘Daarom liet je die microfoon aanstaan.’
Mali legt een stuk mango op zijn bord.
‘Eet.’
‘Mali.’
‘Mango wordt warm.’
Rond haar mond verschijnt dat kleine trekje dat hij inmiddels kent.
Rijk, gierig, vriendelijk en naïef.
Vooral dat laatste.
Denkt hij.
Wordt vervolgd.
Over deze blogger
- De Buitenstaander, geboren in 1961 in Kortrijk (BE), schrijft over zijn observaties en het leven in een dorpje op het Thaise platteland, waar hij woont met zijn lief Mali.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur2 augustus 2026De Buitenstaander wordt door het dorp beoordeeld
Cultuur28 juli 2026De Buitenstaander en de eerste ochtend op blote voeten
Cultuur21 juli 2026De Buitenstaander in een huis zonder privacy
Cultuur16 juli 2026De eerste nacht van de Buitenstaander
