‘Van Queestes en Thaise Doolhoven’

Vrouw Oy, in januari van dit jaar samen met mij op langdurig winterreces in het onvolprezen Isaanse gehucht van schoonmoeder, besloot eenmaal daar aangekomen tot een sinds lang verbeid bezoek aan de Thaise tandarts.
Dit nadat ze zich een half jaar daarvoor op Nederlandschen bodem een kunst-kakement had laten aanmeten dat van geen kanten voldeed.
Iets wat haar, eenmaal neergestreken op schoonma’s rommelige erf ( waar een zekere Jan Steen en Pieter Bruegel de Oude zich, na het verrukt aflikken van eigen schildersezel, beslist op hun gemak hadden gevoeld ), deed besluiten zich tot een kliniek in het nabijgelegen Korat te wenden, en aldaar een nieuw en passend plastiek te bekomen.
Uiteraard tegen geheel aangepast tarief, ( zijnde wat de gek oftewel echtgenoot er voor geeft ), zolang de nieuwe tandjes maar mooi waren en pijnloos pasten.
Alras kwam mij ter ore dat er daarvoor ettelijke bezoekjes aan Korat en de mega-grote Terminal 21 Mall op de planning stonden.
Waarbij het veelvuldig heen en weer moeten karren naar deze drukbevolkte betonbunker als terloops in mijn argeloze farang-schoot werd geworpen.
Wat volgens vrouw Oy geen enkel probleem kon zijn, tenslotte hadden we hier ter dorpe de beschikking over de vriendelijk aan ons uitgeleende, licht fossiele, doch nog steeds voortreffelijk fuctionerende Toyota van nicht Taen.
Dat deze verdwaalde Isaan-toerist nog liever een langdurige wortelkanaal-behandeling zou ondergaan bij een gesjeesde tandtechnieker met slechts een set roestige handboren tot zijner beschikking, dan het tijdens spitsuur moeten chaufferen door een met vierwielig blik bezaaid Korat, was ook vrouwlief niet geheel onbekend.
Desondanks zag ik mij twee dagen later toch richting deze aankomende metropool rijden in al genoemde voiture.
Tenslotte is het dreigen met onmiddellijke rantsoenering van drank, tabak, en vingerlikkende voedselverstrekking een probaat middel bij onwillige lanterfanters die denken dat vakantie houden bij schoonma slechts om hén draait.
Na het onderweg bij een welwillende Shell-jongeman volgooien van de tank met dure V-power ( nicht Taen, geheel onbekend met dit prijzige fenomeen, viel bijna in katzwijm toen ze dacht dat ik in plaats van benzine dampende diesel in haar autootje had gemikt ) reden we al snel door de buitenwijken van Korat.
De route naar de Mall, vooraf uiteraard terdege bekeken en opgeslagen in mijn tijdens dit soort ritjes overuren makende hersenpan, bleek ( hoogst ongebruikelijk zoals u allen weet ) vervolgens op veertien plaatsen tegelijk opgebroken, afgezet en omgeleid, en om dit alles te vieren ook nog eens om de anderhalve meter voorzien van oranje hesjes met stuiterende drilboren.
Na de bijna oneindige queeste om hierna de juiste route vinden, waarbij ik hoogst ongewenst en tot vrouw Oy’s grote schrik, enkele malen kans zag ons weer vlotjes naar de uitgang van Korat te begeven, belandden we toch in de parkeergarage onder al genoemde flat, vol ijsjeslikkende koopjesjagers en mobieltjes beloerende hedonisten.
Na een langdurig doch bovenal bemoedigend bezoek aan de behandelend dentist, schoven wij wat later weer richting Toyota, om ons andermaal en onversaagd in het voortrazende verkeer te kunnen storten.
Maar na een viertal kloeke doch vruchteloze lift-pogingen ons stalen ros terug te vinden, waarbij we ook te voet en per strekkende brandtrap nog vele malen de verdiepingen boven en onder ons betraden, de auto was en bleef spoorloos.
Bijna simpel wordend van het iedere keer aanschouwen van een betonvloer met kalkstrepen die exact leek op alle andere, waarop trouwens in de verste verte geen witte Toyota te bekennen viel, drong het eindelijk tot ons door dat er in de lift ook nog een aantal knoppen waren voor ’terzijde’-verdiepingen.
Na het indrukken van genoemde knoppen belandden we tenslotte alsnog bij de vierwielige verloren zoon.
Maar niet nadat ik al huiveringwekkende visioenen had van gejatte auto’s, melding bij de uiterst on-geïnteresseerde Hermandad hier ter stede, en vooral van het aan nichtje Taen moeten ophoesten dat we al bij de eerste keer buitengaats op een criminele zandbank waren gelopen.
Na een weinig begeesterende rit huiswaarts, waarbij ik ook nog kans zag de mini-rotonde nabij Chakkarat te missen en dus al dapper onderweg was naar het verre Khon Kaen, gaf vrouw Oy te kennen nog even te willen shoppen in genoemd stadje.
Dit shoppen geschiedde, zoals zo vaak hiervoor, bij de van koopwaar uitpuilende ‘Chinese’ winkel, gelegen in een smalle zijstraat, en daardoor terdege uit het zicht van kooplustig publiek.
Deez’ uitdragerij, door mij zo genoemd omdat er bijna pal tegenover een piepklein en veelkleurig Chinees tempeltje is gelegen, blinkt uit door de schier onmogelijke opgave om er binnen het half uur iets van je gading te vinden.
Niet door het gebrek aan keuze echter, maar door de waanzinnige overvloed eraan.
Het pand is zo tot de nok volgestapeld met dozen, kratten, pakjes en flessen, dat je er goed aan doet bij de kassa aan de ingang een overjarig pak crackers mee te graaien, en al afdalend in de krochten van dit labyrint een kruimelspoor achter te laten, wil je ooit genoemde kassa weer terug kunnen vinden.
Het verbaast me nog steeds daar nooit eens een uitgemergelde Thai tegen het lijf te zijn gelopen, te kennen gevend al sinds voorjaar 84′ wanhopig op zoek te zijn naar de uitgang, sinds hij als kleine jongen zijn moeder kwijtraakte bij de Sunlight-zeep.
Zelfs het betreden van de winkel is al een hele opgave, aangezien je eerst om ‘opa’ heen moet.
Deze krasse bejaarde, grootvader van de familie welke de winkel runt en wiens nazaten in groten getale de winkelvloer bezet houden, zit al sinds mensenheugenis pontificaal voor de deur op een wrakke rotan stoel.
Van tijd tot tijd wat spijsverterende geluiden producerend, een heerlijk langgerekte fluim in een gedeukt Ovaltine-blik mikkend, of flinterdunne sigaretjes rokend, gerold van het plaatselijke kanthooi, daarbij meer vonken om zich heen strooiend dan een pyromaan op weekendverlof.
Dat hij dat blik tijdens het afwateren ook regelmatig mist, is te zien aan het complete speekselmeer er pal naast, dat door medewerking van de Thaise zon echter gelukkig nooit buiten zijn oevers kan treden.
Na gedane zaken aldaar, en de Toyota kreunend onder de last van vele flessen vissaus en andere huishoudelijke zaken, wenden wij tenslotte toch de steven richting dorp, alwaar een welverdiende Thaise schuimkraag mij wacht.
Eenmaal aangeland bij schoonmoeder, hartelijk verwelkomd door ‘kiew ngun’, de lieve doch compleet hersenloze erfhond van zwager Oeth, ( vrolijk tegen me opspringend terwijl ik, wankelend onder twee tassen groenvoer en opborrelende schuttingtaal, probeer schoonma’s onbeschoft grote en roestige hangslot van de buitendeur te verwijderen ) wacht mij nog een ander doolhof.
Onze slaapkamer.
Alwaar vrouwlief Oy vanmorgen snel onze twee reiskoffers heeft uitgepakt, doch de inhoud daarna niet netjes opgeborgen, maar als een textiel-bom over bed en vloer verspreid.
Mijn arme rechtlijnige gestel, drijvend op de welbekende kurk van rust, reinheid en regelmaat, krijgt een volgende vakantie-dreun, terwijl ik het volgende kwartier probeer enige orde te scheppen in deze chaos.
Maar na ernstig overleg met mijzelf, gevolgd door wat geestelijk figuurzagen en kleien aan de basis ( daarbij vrolijk uitgelachen door stapels ongemanierd katoen ), besluit ik eerst maar een verfrissende douche te nemen, alvorens de koelkast te plunderen en mij met condensdruipende buit terug te trekken op de veranda.
Wat maar weer eens aantoont dat simpele plannen nog steeds de beste zijn.
Alreeds geheel in adamskostuum, en de deur half openende teneinde mijzelf toegang te verschaffen tot de badkamer, gebeuren er echter twee dingen tegelijk.
Vrouw Oy betreedt het slaapverblijf en slaakt een kreet, meteen gevolgd door een andere kreet, komend vanuit de badkamer.
Dan en daar had ik bijna mijzelf geheel naakt aan den volke ( zeg maar schoonmoeder ) getoond, die al net zo in Eva’s kostuum en door mij niet opgemerkt aan het badderen was geslagen.
Vrouw Oy, van de schrik bekomen, zag er de humor wel van in, en lachte de kalk van de muren.
Deze onthutste farang niet.
Want schoonma’s ingeroeste gewoonte, door het jarenlang alleenwonen het haakje niet op de deur te doen, had mij daar en dan bijna in een poel van schaamte en blaartrekkende gêne gestort.
Met, bijna wel zeker, voor altijd beklijvende beelden bij beiden.
Een geestelijk doolhof.
Waarvan zelfs een duurbetaalde zieleknijper me na vele sessies zou zeggen dat hij de uitgang niet kon vinden.
Over deze blogger

-
Lieven Kattestaart (1963) woont samen met vrouw Oy op het mooie Goeree-Overflakkee.
Is werkzaam als havenmeester en bezoekt sinds 1993 het verre Thailand, waar hij in 98' Oy leerde kennen en haar overhaalde de zon vaarwel te zeggen en zich in dit kille moeras achter de dijken te vestigen.
Tegenwoordig de vakantieweken meestal doorbrengend in het Isaanse optrekje van schoonmoeder, afgewisseld met wat strandhangen in Pattaya, of klem zitten in bus of trein om andere en onbekende Thaise streken te bezoeken.
Zich voornemend na pensionering samen met Oy in Thailand te gaan wonen, en beiden kunnen nauwelijks wachten tot het zover is.
Hobby's: zodra er zich een inspiratie-vonkje aandient, doch meestal gekweld door schrijversblok, het toetsenbord beroeren teneinde het mooie Thailandblog van een nieuw stukje te voorzien, het beoefenen van lichamelijke bezigheid door middel van joggen (uiteraard met mate) online schaken, en het af en toe drinken van een prima Single Malt en daarbij wegdampen van een sigaar van Cubaanse origine.
Lees hier de laatste artikelen
Leven in Thailand23 maart 2026De Baliekluiver van Don Mueang
Leven in Thailand19 maart 2026‘Songkran en burengerucht’
Leven in Thailand14 maart 2026‘De magneet die Thailand heet’
Cultuur11 maart 2026‘Van Thaise schade en schande’.

Lieven, ik zou haast medelijden met je krijgen..
Volgende keer naar de mall ook een pak crackers meenemen voor een Hans en Grietje spoor in de parkeergarage?
Maar al met al heb je weer een glimlach op mijn gezicht getoverd
Fantastisch verhaal, maar zie het helemaal voor me.
Beste Lieven,
Weer een prachtige bijdrage. Hoe herkenbaar!
Ik woon in een dorpje op een kleine 40 km van Korat en kom regelmatig in de stad. Meestal naar het Maharat ziekenhuis waar mijn echtgenote en haar oudere broer vaste klanten zijn. En ook nogal eens in een van de drie grootwarenhuizen. Mijn voorkeur gaat uit naar het door jou genoemde Terminal 21 omdat daar altijd voldoende parkeergelegenheid is en omwille van de brede parkeerplaatsen. In The Mall is dat wel anders en heb ik soms nauwelijks voldoende ruimte om het portier van de pick-up te openen.
Maar de eerste maal dat ik in Terminal 21 kwam had ik hetzelfde probleem als jij. Vergeten dat ik op een tussenverdieping stond. Sindsdien maak ik altijd een fotootje van het parkeerplaatsnummer. Dat maakt het zoeken eenvoudiger.
Omdat ik totaal geen richtinggevoel heb was de aankoop van een GPS aangewezen. Ik rij al 7 jaar met mijn Garmin, zodat de door jou genoemde omleidingen mij niet meer deren. En voor iemand als jij die regelmatig in Thailand is en er nogal eens ‘rondkart’, kan een smartphone met Google Maps handig zijn en je veel ergernis besparen.
Blijf verder stukjes schrijven Lieven want ze zijn zo herkenbaar. Ik geniet er van.