()

Het begon op de vierde dag als een vaag ongemak dat Dale categoriseerde als waarschijnlijk niets en behandelde met de militaire methode van negeren tot het vanzelf overgaat of zo erg wordt dat negeren geen optie meer is.

Op de vijfde dag werd het de tweede categorie.

Hij meldde zich bij de medische post op Udorn RTAFB om zeven uur ’s ochtends, voor de meeste mensen wakker waren, want ook in geneeskundige vernedering had Dale een voorkeur voor discretie. De wachtkamer was niet leeg. Er zaten drie andere mannen, elk met de verenigde uitdrukking van iemand die een besluit heeft moeten nemen dat hij liever niet had moeten nemen en die nu wacht op de uitkomst van dat besluit.

Ze keken elkaar niet aan. Dat was de afspraak, onuitgesproken, gehouden door iedereen.

De verpleegster was Thais, heette Anchalee, en had het Engels en de professionaliteit van iemand die weet dat de mannen tegenover haar het moeilijkst hebben op precies het moment dat ze het gemakkelijkst zouden moeten nemen. Ze gaf geen oordeel. Ze nam zijn naam op, zijn rang, zijn klachten, in precies dezelfde toon als waarmee ze de formulieren zou invullen over een ingegroeide teennagel.

Dale respecteerde dit buitengewoon.

De arts was Sergeant Dr. Reynolds uit Lexington, Kentucky. 34 jaar. Een man wiens enthousiasme voor de geneeskunde ergens was gebleven in zijn eerste jaar Vietnam en die sindsdien zijn werk deed met de kalme professionaliteit van een monteur: diagnosticeer, repareer, stuur door.

“Symptomen?” vroeg Reynolds.

Dale beschreef ze.

“Gonorroe,” zei Reynolds. “Waarschijnlijk. We bevestigen met een kweek maar ik heb dit vaker gezien dan ik me kan herinneren en de kweek bevestigt altijd.” Hij schreef. “U bent niet de eerste vandaag.”

“Hoe laat is het?”

Reynolds keek op zijn horloge.

“Kwart voor zeven.”

Dale rekende dit even na.

“Hoeveel voor kwart voor zeven?”

“Twee.”

“Drukke ochtend.”

“Elke ochtend.” Reynolds legde zijn pen neer en keek Dale aan met de blik van een man die een verhaal kent maar niet vertelt omdat het niet zijn verhaal is. “Penicilline. Injectie. En daarna twee dagen rust, geen activiteiten die de situatie compliceren.”

“Dat gaat moeilijk worden.”

“Het is een bevel, sergeant.”

“Ja, sir.”

De injectie was snel en onaangenaam op een manier die paste bij de situatie, niet langer dan nodig, niet korter dan vereist, precies zo onprettig als het hoorde te zijn voor iets waar Dale zichzelf stilzwijgend verantwoordelijk voor hield.

Hij trok zijn mouw omlaag en bleef even zitten.

Hij dacht aan Linda. Dat deed hij niet op de manier van schuld, schuld was een gevoel dat hij had gereserveerd voor fouten die anderen schade berokkenden, en Linda wist niet wat ze niet wist, en het weten zou haar meer schaden dan het niet-weten, en dit was de redenering die mannen hebben gebruikt sinds de eerste oorlog en die niet beter werd van herhaling maar ook niet verdween.

Hij dacht aan Mae. Aan de ochtend drie dagen geleden toen ze naast hem had gelegen en niet sliep maar deed alsof, en hij ook niet sliep maar ook deed alsof, en ze samen heel stil lagen in een kamer boven The Strip terwijl Udon Thani zich buiten langzaam optilde uit de nacht.

Hij dacht daarna aan niets meer en liep naar buiten.

Tex zat op een muurtje bij de ingang van de medische post. Een Singha in de hand, zijn tweede taal inmiddels, zijn vaste metgezel, zijn anker in onzekere wateren.

“En?” vroeg Tex.

“Klap,” zei Dale.

Tex knikte. Hij zweeg even.

“Ik was hier maandag ook.”

Dale keek hem aan.

“Ik heb het niet gezegd omdat,” Tex haalde zijn schouders op, “je had toch al genoeg aan je hoofd.”

“Dank je,” zei Dale.

“Niets te danken.”

Ze zaten op het muurtje. De zon steeg. Ergens op de basis startte een Phantom zijn motoren op, die diepe brul die eerst in je borst zat voor je oren hem hoorden. Twee dagen nog. Dan terug.

“Tex,” zei Dale.

“Ja.”

“Schrijf het niet in een brief.”

Tex dacht hier even over na.

“Naar wie zou ik het moeten schrijven?”

“Precies.”

Ze zaten nog een minuut. Toen stond Dale op, veegde zijn broek af, en liep terug naar het Transit House om te slapen, de rust die een bevel was en toevallig ook noodzaak.

Eerder in deze serie verschenen:

Zeven Dagen Paradijs – Wheels Down in Udorn (deel 1)
Zeven Dagen Paradijs – The Strip (deel 2)
Zeven Dagen Paradijs – Bangkok by Night (deel 3)
Zeven Dagen Paradijs – Dear Linda (deel 4)
Zeven Dagen Paradijs – Tex Gets Rolled (deel 5)
Zeven Dagen Paradijs – Aan Tafel bij de Kolonel (deel 6)
Zeven Dagen Paradijs – Pattaya, 1968 (deel 7)

Hoe leuk of nuttig was deze posting?

Klik op een ster om deze te beoordelen!

Gemiddelde waardering / 5. Stemtelling:

Tot nu toe geen stemmen! Wees de eerste die dit bericht waardeert.

Omdat je dit bericht nuttig vond...

Volg ons op sociale media!

Het spijt ons dat dit bericht niet nuttig voor je was!

Laten we dit bericht verbeteren!

Vertel ons hoe we dit bericht kunnen verbeteren?

Over deze blogger

Hans
Hans
Zijn naam is Hans uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter