Zeven Dagen Paradijs – Aan tafel bij de Kolonel (deel 6)

Mae zag de kolonel nooit binnenkomen. Dat was zijn specialiteit.
Hij verscheen gewoon, aan de beste tafel in de Orchid Room van het Dusit Thani, zijn uniform verwisseld voor een linnen jasje van een wit dat in Thailand alleen wit bleef als iemand er fulltime voor zorgde, wat bij Hargrove het geval was. Een cognacglas al ingeschonken voor hij zat. Twee mannen in burgerkleding bij de deur die de ruimte observeerden met ogen die vriendelijkheid als dekmantel gebruikten maar er niet zo goed in waren.
Mae was die middag ingevlogen vanuit Udon Thani. Ze begreep niet hoe dat geregeld was, een telefoontje, kennelijk, naar een nummer dat iemand haar had gegeven, en daarna een auto, een vliegtuig, een andere auto, en de hal van een hotel dat groter was dan haar hele wijk thuis. Ze had een jurk aangetrokken die ze bewaarde voor gelegenheden die ze moeilijk kon omschrijven maar herkende wanneer ze kwamen.
Ze wist wat ze wist: de kolonel betaalde vijf keer wat de jongens op The Strip betaalden. Hij was beleefd op een manier die ruimte liet maar toch grenzen stelde, de hoffelijkheid van een man die geleerd heeft dat macht het hardst spreekt als ze fluistert. Hij vroeg niets wat haar in verlegenheid bracht. Hij stelde vragen over haar familie, haar dorp, haar moeder, vragen die hij stelde met oprechte aandacht en beantwoordde met dezelfde aandacht, alsof haar leven buiten dit hotel hem werkelijk interesseerde, wat Mae niet zeker wist maar ook niet uitsloot.
Hargrove vertelde die avond over zijn zoon in Richmond, die medicijnen studeerde en naar Vietnam wilde als legerarts.
“Gaat hij?” vroeg Mae.
“Nee,” zei Hargrove. “Niet als ik er iets over te zeggen heb.”
“U hebt er iets over te zeggen?”
Hargrove glimlachte, niet de glimlach die hij gebruikte in vergaderingen, maar een echte, korte, iets vermoeide glimlach.
“Misschien.”
Mae dronk haar drankje en dacht na over de ironie van een man die een oorlog leidde en zijn eigen zoon er buiten hield, maar ze zei er niets over want dat was niet haar terrein en ze was wijs genoeg om te weten welk terrein ze wel en niet betrad.
De mannen bij de deur dronken water. Ze wisselden nooit van houding. Mae vroeg zich af of ze aten, sliepen, droomden, of dat ze gewoon stonden, altijd stonden, twee gestalten in burgerkleding die deel uitmaakten van de inventaris van Hargroves leven.
Op datzelfde moment, zes verdiepingen lager en vijftien kilometer verderop in de stad, stond Tex Briggs voor de ingang van een bar op Patpong Soi 1 te beraadslagen met zichzelf.
Hij had nog veertig dollar. Na Soi 4 en het horloge van zijn vader had Dale hem vijftig dollar geleend met de onuitgesproken maar duidelijke verwachting dat Tex het niet zou terugbetalen, wat een cadeautje was dat als lening was verpakt omdat Tex zijn trots nog had ook al was die beschadigd.
De bar heette Mississippi Queen en maakte muziek die naar buiten sijpelde als warm water.
Tex ging naar binnen.
Hij dronk één Singha, langzaam, en keek naar de danseressen op het kleine podium met de verbazing van iemand die weet dat hij naar iets kijkt waar hij eigenlijk geen raad mee weet, maar het toch doet omdat het leven nu eenmaal zo werkte.
Een vrouw naast hem vroeg of hij een drankje wilde bestellen. Hij bestelde er één voor haar. Ze praatte met hem over zijn thuis, zijn familie, zijn plannen. Hij vertelde eerlijk over Amarillo. Zij lachte, wat echt klonk en waarschijnlijk ook echt was, want Amarillo was objectief gezien een grappige naam voor een stad als je er niet vandaan kwam.
Hij bestelde geen tweede drankje voor haar. Ze accepteerde dit zonder rancune. Ze praatten nog een kwartier en daarna ging ze naar iemand anders en Tex bleef zitten met zijn Singha en de muziek en het gevoel, onverwacht, onverdiend, dat hij een goede avond had gehad.
In het Dusit Thani dronk Hargrove zijn laatste cognac en keek naar de stad beneden hem. Mae zat naast hem en zei niets, wat het juiste was.
“Je bent verstandig,” zei Hargrove.
“Nee,” zei Mae. “Ik luister goed.”
“Dat is hetzelfde.”
“Nee,” zei Mae. “Dat is niet hetzelfde.”
Hargrove dacht hierover na en knikte toen, langzaam, de knik van een man die een punt toegeeft dat hem iets kost maar hem meer oplevert.
Later, in het donker, lag Mae naar het plafond te staren terwijl Hargrove sliep. Hij sliep zoals mannen van zijn rang sliepen, onmiddellijk, volledig, zonder restanten. De stad gaf een zacht oranje schijnsel door de gordijnen. De twee mannen bij de deur stonden er nog, vermoedelijk. Ze stonden er altijd.
Mae dacht aan de Lucky Star. Aan de kom rijst die ze morgenochtend zou eten. Aan het vliegtuig terug.
Ze had goed geluisterd. Dat was wat ze deed. Dat was wat ze was.
De twee mannen bij de deur ruilden geen blik.
Eerder in deze serie verschenen:
- Zeven Dagen Paradijs – Wheels Down in Udorn (deel 1)
- Zeven Dagen Paradijs – The Strip (deel 2)
- Zeven Dagen Paradijs – Bangkok by Night (deel 3)
- Zeven Dagen Paradijs – Dear Linda (deel 4)
- Zeven Dagen Paradijs – Tex Gets Rolled (deel 5)
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans uit Amsterdam (pun intended), geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.




