Dagboek van een Thailandganger (deel 35) – De steen waar ik telkens weer tegenaan loop

De ochtend na ons gesprek zat ik op mijn balkon in Naklua. Ik had een kop koffie voor me staan, maar die smaakte nergens naar. Ik keek wat naar beneden, naar het verkeer, naar mensen die alweer gewoon met hun dag bezig waren. Ik probeerde te begrijpen wat mij nu eigenlijk was overkomen.
Een dag eerder dacht ik nog dat ik haar langzaam begon te kennen. Niet helemaal natuurlijk, dat kan niet na zo’n korte tijd, maar toch. Ik dacht dat ik haar een beetje kon plaatsen.
Nu wist ik dat er achter haar glimlach een heel leven zat waar ik niets van had vermoed.
Ze had me verteld dat ze als jongen was geboren en later volledig vrouw was geworden. Ik had werkelijk niets aan haar gezien. Niets. En eerlijk gezegd zat juist dat me dwars. Niet dat ze een transvrouw was, al moest ik dat natuurlijk ook verwerken, maar vooral dat ik het niet had gemerkt.
Alsof ik iets had moeten zien. Dat zegt misschien meer over mij dan over haar.
Mijn eerste reactie bleef ook in mijn hoofd hangen. Ik had gevraagd waarom ze het niet eerder had gezegd. Op het moment zelf leek dat een logische vraag, maar zodra ik het uitsprak, hoorde ik hoe verwijtend het klonk. Alsof zij mij iets had aangedaan. Alsof zij verplicht was geweest om mij meteen haar hele levensverhaal te geven.
Ze bleef rustig. Dat deed ze vaker. Rustiger dan ik, in elk geval.
Ze legde uit dat ze een transvrouw is en geen ladyboy. Dat verschil was voor haar belangrijk. Ik begreep dat eerst niet helemaal, maar ik zag aan haar dat het geen kleinigheid was. Het was voor haar een kwestie van gezien worden zoals zij zichzelf ziet.
Daarna vertelde ze over haar jeugd. Dat ze zich altijd een meisje had gevoeld. Over pesten. Over schaamte. Over de harde kanten van de Thaise samenleving. Ze vertelde het niet dramatisch. Juist dat maakte het soms zwaarder. Alsof ze sommige dingen al zo vaak in zichzelf had herhaald dat er geen tranen meer bij hoorden.
Ze was naar Europa gegaan om geld te verdienen voor haar transitie. Over dat deel van haar leven wilde ze niet praten. Dat zei ze niet boos, maar duidelijk genoeg. En ik voelde dat ik daar niet moest gaan zitten graven.
Toch vroeg ik mij af hoe ik in zo’n gesprek terecht was gekomen. En waarom juist zij mij zo raakte.
Langzaam begon ik te begrijpen dat niet zij het probleem was, maar mijn eigen hokjesdenken. Ik wilde haar ergens plaatsen. Er een verklaring voor hebben. Een antwoord. Terwijl zij geen vraag was die ik moest oplossen. Zij was gewoon de vrouw die me vanaf het begin geraakt had.
Toen ik haar die avond uiteindelijk kuste, voelde ik hoeveel dat voor haar betekende. Niet omdat het een soort moment was uit een romantische film. Zo was het helemaal niet. Het was eerder stil. Onhandig zelfs. Maar in dat kleine gebaar zat blijkbaar iets wat woorden niet goed konden zeggen.
Ons gesprek eindigde kwetsbaar, eerlijk en onverwacht dichtbij.
Inmiddels zijn we een paar weken verder. We hebben veel tijd samen doorgebracht en natuurlijk veel gepraat. Dat gaat best, maar makkelijk is het niet. Ze spreekt redelijk goed Engels, ook omdat ze een tijd in Europa heeft gewerkt. Maar je diepste gevoelens bespreken is in je eigen taal al lastig. In een vreemde taal wordt het soms echt zoeken. Je zegt iets, zij hoort misschien iets anders, en dan moet je maar hopen dat de bedoeling niet ergens onderweg verloren gaat.
Zelf bleef ik worstelen met dezelfde vraag: waarom had ik niets gemerkt? Was ik totaal verblind door haar schoonheid?
Ik schaam me een beetje om het hier nu op te schrijven, maar ik zocht steeds naar antwoorden op die vraag. Alsof ik mezelf dat schuldig was. Het werd bijna dwangmatig. Als we samen naar een restaurant of bar gingen, probeerde ik steeds iets aan haar te ontdekken wat erop kon wijzen dat ze vroeger een jongen was.
De manier waarop ze een deur opende bijvoorbeeld. Krachtig, zoals een man? Of behoedzaam, zoals een vrouw? Als ik dat nu opschrijf, vind ik het zelf ook belachelijk. Maar zo werkte mijn hoofd dus.
Ik lette op haar tafelmanieren. Hoe ze bewoog. Hoe ze zat. Hoe ze liep. Het bleef maar spoken in mijn hoofd. Ik probeerde mezelf wel te corrigeren. Dan zei ik tegen mezelf: Nico, dit is dus precies dat hokjesdenken. Maar het lukte me niet goed om er afstand van te nemen.
Het leek wel een wedstrijd die ik met mezelf was aangegaan.
Op een gegeven moment merkte zij het ook. We zaten ergens iets te drinken. Ik weet niet eens meer precies waar, maar ik weet nog wel dat ik weer naar haar zat te kijken. Niet gewoon kijken, maar observeren. Dat is iets anders. En dat voelt iemand.
Ze keek mij aan. “Why you look at me like that?” vroeg ze.
Oei, dacht ik. Nu moet ik oppassen. Ik kon moeilijk zeggen: nou, ik probeer iets mannelijks aan je te ontdekken. Dat zou erg kwetsend zijn geweest. Dus maakte ik er een leugentje om bestwil van.
“Oh, niets,” zei ik. “Ik geniet ervan om te zien dat je zo vrouwelijk bent.” Ook dat was niet de intelligentste opmerking van mij.
“Hoezo?” vroeg ze. Haar blik verharde meteen. “Dacht je soms dat ik zou boeren en scheten laten als een kerel?”
“Nee, nee,” zei ik snel. “Dat bedoel ik niet.” Maar ik voelde natuurlijk wel dat ik in de knoei zat. Ik had iets gezegd om de situatie te redden, maar ik had het alleen maar erger gemaakt.
“Je bent zo gracieus en mooi,” zei ik. “Daar geniet ik van.”
Met een compliment probeerde ik de boel wat te verlichten. Of te redden. Dat lukt soms, maar lang niet altijd. Het was me in elk geval duidelijk dat ik moest oppassen met wat ik tegen haar zei. Niet omdat zij moeilijk deed, maar omdat ik zelf nog niet goed wist hoe ik hierover moest praten.
Dat maakte mij ook duidelijk dat dit niet de gemakkelijkste relatie van mijn leven zou worden.
Een andere drempel was dat ik mijn naasten moest gaan vertellen dat ik een relatie met een transvrouw had gekregen. En hoe pak je dat aan? Zeg je dat terloops? Maak je er een serieus gesprek van? Wacht je tot iemand ernaar vraagt? Verzwijg je het in de hoop dat niemand het merkt? Ik wist het niet.
Ik besloot het eerst maar aan mijn Vlaamse vriend te vertellen. Hij staat nogal luchtig in het leven en ik dacht dat zijn reactie wel zou meevallen. Lekker veilig dus.
Dat had ik mis.
We liepen, zoals zo vaak, wat over de boulevard te slenteren. Ik vertelde hem dat ik al een aantal weken een relatie had met een transvrouw.
Hij keek me serieus aan. “Nico, waar begin je nu weer aan?”
Dat kwam binnen.
“Jij stoot je telkens weer aan dezelfde steen, of niet soms?” zei hij. “Een relatie met een Thaise vrouw is soms al ingewikkeld genoeg en jij begint wat met een transvrouw?” Hij schudde zijn hoofd.
Hoewel ik zijn bezorgdheid en terughoudendheid wel begreep, schoot ik meteen in de verdediging. Dat doe ik vaker. Eerst reageren, daarna pas nadenken.
“Ze is geen ladyboy hoor,” zei ik. “Maar een transvrouw. Ze heeft de transitie volledig ondergaan. Je ziet en merkt niets aan haar. En daarbij, ze is beeldschoon.”
Hij keek me aan alsof hij dat argument al van verre had zien aankomen. “Nico,” zei hij, “in België zeggen we: schoonheid vergaat, maar deugd blijft bestaan.”
Ik wist niet goed wat ik van zijn opmerking moest denken.
“Of je met haar kan leven,” zei hij, “hangt niet van een mooi koppie af, maar van haar karakter, goedheid en betrouwbaarheid.”
“Ja, dat klopt,” zei ik. “Maar dat weet je bij een geboren vrouw ook niet.”
“Het is jouw leven, Nico,” zei hij. “Misschien wordt het wat, misschien ook niet.”
Met dat soort clichés kon ik op dat moment weinig. Dat dacht ik tenminste. Maar ergens begreep ik hem ook wel. Hij zei het misschien wat direct; dat was nieuw, want Belgen zijn meestal minder direct dan wij Nederlanders. En die behoudendheid is een lovenswaardige eigenschap die ik juist zo waardeer in onze zuiderburen. Maar hij was duidelijk bezorgd. En misschien wilde ik gewoon niet horen dat hij een punt had.
Niet over haar trans-zijn. Daar ging het mij niet om. Maar wel over mij. Over mijn neiging om mij ergens in te storten en daarna pas te kijken waar ik terecht ben gekomen.
We liepen zwijgend verder. De boulevard was druk genoeg, maar tussen ons werd het even stil.
“Denken we als mens niet te veel in hokjes?” vroeg ik hem, om zo de stilte te verbreken.
“Dat speelt zeker mee,” zei hij. “En misschien is dat ook wel om ons te beschermen tegen misstappen.”
Daar had ik niet meteen een antwoord op.
Want ja, hokjesdenken kan hard en oneerlijk zijn. Maar misschien gebruiken we die hokjes ook, omdat het leven anders te ingewikkeld wordt. Omdat we grip willen. Omdat we bang zijn om weer dezelfde fout te maken.
Ik besefte opnieuw dat deze relatie niet gemakkelijk zou worden.
En het moeilijkste moest nog komen: het vertellen aan mijn dochter. Maar goed, dacht ik, dat kan ik nog wel even uitstellen. Eerst maar eens kijken of deze relatie standhoudt.
Dat klonk verstandig. Maar misschien was het ook vooral angst.
Wordt vervolgd.
Ingezonden door Nico
