Geef dit artikel een waardering
[Totaal: 1 Average: 5]

De rijst lag al weken stil onder de zon. Yai Thong-in zat op de houten vlonder voor haar huis, een teiltje tussen haar knieën, en plukte de steeltjes van de chilipepers die ze die ochtend op de markt had gekocht. Achter haar sliep Nam nog, het jongste meisje, opgerold als een katje op de koele vloer. Het was nog geen acht uur en de lucht trilde nu al boven het erf.

Negenenzestig was ze, of zeventig, ze wist het zelf niet altijd zeker. Wat ze wel wist, telde ze elke maand op haar vingers. De zeshonderd baht van de regering. En wat Daeng haar stuurde, als Daeng wat stuurde. De eieren van de kippen. De kleine winst van de zakjes gegrilde banaan die ze soms verkocht bij het hek van de school.

“Yai, mijn schoen.” Beam stond in de deuropening, negen jaar, het schooluniform scheef, één sok aan. Hij hield een gymschoen omhoog waarvan de zool als een open mond hing te lachen.

Ze keek ernaar. Ze rekende. Een nieuw paar kostte meer dan ze deze week missen kon.

“Vraag aan je zus of er rijstdraad is,” zei ze. “We naaien hem vast tot na Songkran.”

Fai was dertien en deed alsof ze twaalf taken tegelijk kon. Ze bond Nam haar haarbos in twee staartjes, schepte kleefrijst in een plastic mandje en controleerde of Beam zijn boek bij zich had. Ze deed het zoals ze haar moeder het ooit had zien doen, met dezelfde rechte rug en dezelfde frons. Yai keek toe vanaf de vlonder en voelde iets steken dat geen pijn was, maar er dichtbij kwam.

Het meisje droeg te veel. Dat zag ze. Maar wie moest het anders dragen?

Toen de kinderen weg waren, de twee oudsten op de fiets en Nam achterop bij de buurvrouw, werd het stil op het erf. Alleen de honden onder het huis, de kippen, het verre geluid van een brommer op de hoofdweg. Yai veegde de vlonder, gaf de kippen water, en hing de was die ze gisteravond had geweekt. Haar knieën spraken tegen bij het bukken. Ze sprak terug, zachtjes, zoals je tegen een koppig dier praat.

Twaalf jaar geleden was Daeng vertrokken. Eerst alleen, daarna met haar man. Er was geen werk in het dorp; dat was geen klacht, maar een feit, zoals de regen die niet kwam wanneer je hem riep. In Bangkok pakte Daeng dozen in, in een fabriek aan de rand van de stad. Haar man legde tegels op bouwplaatsen die telkens ergens anders lagen. Ze sliepen met meer mensen in een kamer. Ze stuurden wat ze konden. En ze kwamen thuis met Songkran, als het kon, met cadeautjes en vermoeide ogen en een afscheid dat elk jaar weer te snel kwam.

Het was bijna middag toen de telefoon trilde. Yai hield het toestel een eindje van zich af, want haar ogen werden lui voor kleine letters. Daeng.

“Mae.” De stem van haar dochter klonk dun door de luidspreker, met het geroezemoes van de stad eronder. “Mae, hoor je me?”

“Ik hoor je. Eet je goed?”

Een stilte die te lang duurde. Yai kende die stilte. Daarin zat altijd iets wat moeilijk de mond uit wilde.

“Met Songkran,” begon Daeng, “lukt het niet. De baas geeft geen vrij, er is een grote bestelling. Wie nu vrij vraagt, heeft straks geen werk meer.” Ze praatte snel, zoals je snel praat over iets wat zeer doet. “Ik stuur extra. Voor de schoenen van Beam, en voor Nam, ze is toch jarig. Volgende keer kom ik. Echt, Mae.”

Yai keek naar de rijstvelden, kaal en goudbruin, wachtend op een regen die nog weken weg was. Ze dacht aan Nam, die elke avond vroeg of mama met de bus of met de trein zou komen. Aan Fai, die haar moeders frons had geërfd, maar niet meer haar gezicht kende zonder de telefoon.

“Werk goed,” zei ze. “Wij redden het.”

Het waren de woorden die een moeder zegt om haar kind niet te laten breken op afstand. Toen ze ophing, bleef de stilte nog even in haar hand liggen, zwaar als een natte doek.

Die middag haalde ze de kinderen op, geen schoenen en geen slecht nieuws. Ze kocht bij de winkel op de hoek een zak ijs en de goedkope siroop, rood als bloemen. Toen Fai en Beam terugkwamen, bezweet en luid, schaafde ze het ijs met de hand en goot de siroop eroverheen tot drie bergjes in drie kommetjes.

Nam was wakker en klom op haar schoot. “Komt mama met Songkran?”

De vraag hing in de hete lucht. Beam keek op van zijn ijs. Fai keek niet op, maar haar lepel hield stil.

“Mama werkt hard,” zei Yai. “Zodat jij naar school kunt en mooie schoenen krijgt. Ze denkt elke dag aan jullie.” Ze streek het haar uit Nams gezicht. “En wij vieren Songkran samen, met de hele buurt, en we gooien water naar iedereen die langsloopt. Ook naar de hond.”

Nam lachte. Beam ook. Het rode ijs liep langs zijn kin.

Alleen Fai keek even op, naar haar grootmoeder, met die ogen die te oud waren voor dertien jaar. Yai zag dat het meisje het begreep. Dat ze het altijd al had begrepen. Er ging een blik tussen hen heen en weer waar geen woorden bij hoefden, de blik van twee mensen die samen iets dragen dat ze geen van beiden hadden gekozen.

’s Avonds, toen de drie eindelijk sliepen, Nam tegen Fai aan, Beam met zijn arm over zijn ogen, ging Yai weer op de vlonder zitten. De honden snurkten onder het huis. Ergens blafte er een, ver weg, en hield weer op.

Ze pakte de kapotte gymschoen erbij en het stuk rijstdraad. In het schaarse licht van de kookkamer naaide ze de zool weer vast, steek voor steek, met de geduldige handen van iemand die al lang geleden heeft geleerd dat je repareert wat je hebt, omdat het nieuwe vaak niet komt.

Boven de rijstvelden stond de maan. De regen zou komen. Hij kwam altijd, ooit. En tot die tijd hield zij het droge land vast met haar twee handen, en de drie kleine slapers erop.

Geen heldendaad, geen klacht. Gewoon doen wat moet, dag na dag.

Geef dit artikel een waardering
[Totaal: 1 Average: 5]

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter