Uit het Thaise leven gegrepen: de Vietnamveteraan die in Thailand eindelijk rust vond

Tien over zes
Ray knielde altijd als laatste, omdat zijn heup er het langst over deed. Hij zette zijn linkerhand op het muurtje van de carport, liet zich zakken alsof hij een kist moeren de keuken in droeg, en pas als zijn knie op het matje lag, haalde hij adem. De monnik wachtte. Het was een jongen van negentien met een kaalgeschoren hoofd waar de novemberkou nog op lag. Hij keek naar de grond, zoals het hoort.
Ray legde een bal kleefrijst in de nap, een zakje bananen ernaast, en boog zijn hoofd. Daarna stak hij zijn hand naar mij uit. Ik trok. Hij kwam overeind in drie stappen, met een geluid dat hij zelf niet hoorde.
‘Twaalf seconden,’ zei hij. ‘Gisteren elf.’
Ik woon sinds 2017 naast Ray en Noi, in een straatje van tien huizen buiten Udon. In november worden de velden achter onze huizen geel, en de buren huren voor een paar dagen een maaidorser die tot het donker blijft draaien. Ray is 77. Hij werd in 1968 opgeroepen, lag een jaar in Vietnam bij de infanterie en kwam in 1970 terug in Dayton, Ohio. Hij praat er bijna nooit over.
Eén keer wel. De stroom was uitgevallen, we dronken koffie met een zaklamp tussen ons in op tafel, en hij vertelde hoe het daarna ging. Hij sliep in zijn auto op de oprit. Motor uit, deuren op slot, een deken over zijn knieën. Elf jaar. Zijn vrouw liet de buitenlamp voor hem branden, tot ze dat op een dag niet meer deed.
‘En hier?’ vroeg ik.
‘Hier slaap ik in bed,’ zei hij, alsof ik naar de weg had gevraagd.
Hij woont sinds 2004 in Udon. Een kameraad van de veteranenclub in Dayton had hem erheen gepraat, iemand die hier tijdens de oorlog op de luchtmachtbasis had gezeten. Die man is al jaren dood. Ray bleef. Hij trouwde met Noi, die aan huis een naaiatelier heeft en met klanten net zo hard onderhandelt als met hem. Elke ochtend om tien over zes staat hij bij het hek met zijn rijst. In tweeëntwintig jaar heeft hij volgens Noi vier ochtenden overgeslagen: twee keer knokkelkoorts, één keer de crematie van haar moeder en één keer omdat hij zich versliep. Dat laatste vertelt ze graag, met de datum erbij.
Elke ochtend ligt er gekkopoep op het zadel van mijn scooter. Ik heb een plastic zak geprobeerd, een theedoek, een omgekeerde kartonnen doos. Het beest vindt het zadel altijd. Ik heb geen idee waar hij woont. Ray zei dat ik de scooter dan maar binnen moest zetten. Dat doe ik niet, om redenen die ik zelf ook niet goed snap.
Begin november lag er een offerte van het particuliere ziekenhuis in de stad op hun keukentafel. Nieuwe heup, pakketprijs 259.000 baht. De arts had er met balpen bij geschreven dat hij voor iemand van Rays leeftijd rekende op een paar extra nachten en een hartcontrole vooraf. Ray had eronder in blokletters 300.000 gezet en er een cirkel omheen getrokken, twee keer.
Ik weet ongeveer wat hij binnenkrijgt, omdat hij het me ooit voorrekende toen ik over mijn AOW zat te klagen. Zijn Amerikaanse pensioen is klein, want hij heeft na de oorlog lange periodes niet gewerkt. Voor wat de oorlog in zijn hoofd heeft aangericht, krijgt hij van Veteranenzaken een kleine zeshonderd dollar per maand. Samen nog geen 1.750 dollar. Bij ruim 33 baht voor een dollar is dat zo’n 57.000 baht. Op de bank staat 410.000 baht: het bedrag voor zijn jaarlijkse verlenging op basis van zijn huwelijk, plus tienduizend. Het geld voor later, zegt Ray. Voor Noi.
‘Medicare betaalt hier niks,’ zei hij. ‘En Veteranenzaken betaalt alleen wat de oorlog kapot heeft gemaakt. Mijn heup heeft de oorlog overleefd.’
Noi had de oplossing al. Ze zat achter haar naaimachine, een broek van de buurman onder de voet, en praatte zonder op te kijken.
‘In Amerika is het gratis. Je dochter heeft een kamer. Je gaat.’
‘Niet gratis.’
‘Bijna gratis.’ Ze beet een draad door. ‘Drie ton, Ray. Weet je hoeveel broeken dat is?’
Hij wist het niet. Ik ook niet. Ze noemde een getal en ging verder met de zoom.
Die zondag belde Lisa, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, via de laptop. Ray wilde dat ik erbij zat. Ze had alles geregeld: een vlucht op 2 december, een rolstoel op elk vliegveld, een chirurg in Dayton, twee maanden herstel in haar logeerkamer. Medicare betaalde het grootste deel. Noi kon niet zomaar mee. Voor haar zou het een visumaanvraag worden, met een wachttijd die niemand durfde te schatten.
‘Klinkt goed, liefje,’ zei Ray.
Onder de tafel draaide hij zijn trouwring rond. Een halve slag, terug, een halve slag.
Twee dagen later kwam hij ’s middags bij mij op de veranda zitten, wat hij nooit doet, omdat mijn stoelen te laag zijn. Hij had er tien minuten over gedaan om erin te komen.
‘Kun jij rijst koken?’
‘Ik kan rijst kopen.’
‘Kleefrijst. De vrouw op de hoek heeft hem om half zes klaar. Schoenen uit. Niet in zijn gezicht kijken. En niet praten, Dutch. Ik ken je.’
‘En als ik een keer niet thuis ben?’
‘Dan ben je thuis.’
Hij zat even stil. Op het veld achter ons draaide de maaidorser een bocht.
‘Hoe laat is het in Dayton als het hier tien over zes is?’
Ik rekende. In de winter twaalf uur verschil. ‘Tien over zes ’s avonds. De dag ervoor.’
Hij knikte, alsof dat iets oploste, en vroeg of ik hem uit die rotstoel wilde trekken.
Op de laatste avond aten we bij Noi. Zij had kip met citroengras gemaakt en praatte de hele maaltijd over een klant die drie keer een rok had laten innemen en hem toen niet kwam ophalen. Ray lachte op de goede momenten. Om negen uur ging ik naar huis.
Ik werd wakker van de honden, rond twee uur. Bij Ray brandde geen licht. In de carport stond zijn pick-up, en achter de voorruit zag ik het wit van zijn haar. Hij zat achter het stuur. Ik zag hem opzij leunen naar het portier aan de passagierskant en het slot indrukken. Toen het zijne.
Ik ben weer naar binnen gegaan.
Noi bracht hem om vijf uur naar het vliegveld. Om tien over zes stond ik bij het hek, op blote voeten. Het beton was kouder dan ik had verwacht. De jongen kwam aanlopen, bleef staan, keek naar de grond. Ik deed de rijst in zijn nap en vergat de bananen; die lagen nog op het muurtje toen hij al bij het volgende huis was. Of ik het goed had gedaan, kon niemand me vertellen.
Om acht uur kwam Noi terug. Ze zette de pick-up in de carport en liep naar mijn veranda, haar autosleutels nog in haar hand. Ze vroeg of ik wist hoe je een visum voor Amerika aanvraagt.
Ik wist het niet. Ze knikte, liep naar binnen, en even later hoorde ik de naaimachine.
Over deze blogger
Lees hier de laatste artikelen
Het leven in Thailand5 november 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de Vietnamveteraan die in Thailand eindelijk rust vond
Het leven in Thailand17 oktober 2026Uit het Thaise leven gegrepen: post op de vensterbank
Het leven in Thailand2 oktober 2026Uit het Thaise leven gegrepen: een fles nam ob
Het leven in Thailand17 september 2026Uit het Thaise leven gegrepen: net niet genoeg

