Uit het Thaise leven gegrepen: post op de vensterbank

Door Thailandblogger
Geplaatst in Het leven in Thailand, Isaan
Tags: ,
17 oktober 2026

Wim zei ‘Goedemorgen, Daeng’ tegen de vrouw van de noedelkraam, maar ze heette Nok. Ze lachte, schepte bouillon over zijn kom en verbeterde hem niet. Twaalf jaar had ze hem elke zaterdag dezelfde kom gegeven: extra taugé, geen koriander. Zij wist precies hoe hij zijn soep at. Hij wist niet meer hoe zij heette.

Fon zag dat hij zijn linkerhand dichthield onder de rand van het plastic tafeltje. Er stak een geel papiertje uit, zo’n plakbriefje dat ze in haar winkel per blok verkocht. Toen hij dacht dat zij op haar telefoon keek, opende hij zijn hand een stukje en las. Daarna at hij verder.

‘Lekker,’ zei hij. ‘Prima zo.’

Ze zei niets over Daeng. Daeng was de vrouw van de ijskraam geweest, en die was al jaren terug naar Korat verhuisd.

Thuis lag de post op de vensterbank. Het was oktober, de natste maand in Hua Hin, en het vocht kroop overal in. De enveloppen waren bol gaan staan, de hoeken zacht als oude stof. Een bankafschrift. Een folder van een makelaar die villa’s met zwembad verkocht aan mensen die nog moesten komen. Daaronder de brief van het ziekenhuis in Bangkok, de derde in vier maanden.

Fon wist wat erin stond zonder het open te maken. Het ziekenhuis belde haar ook, omdat Wim haar als contactpersoon had opgegeven toen ze twee jaar geleden zijn knie hadden geopereerd. Een onderzoek naar het geheugen: een scan van het hoofd, een gesprek met een neuroloog, alles samen 23.600 baht. Twee keer had Wim de afspraak verzet. De eerste keer vanwege de regen, de tweede keer vanwege zijn rug, waar verder niemand iets van merkte.

‘Bijna vierentwintigduizend baht om te horen dat ik oud ben,’ had hij gezegd. ‘Dat weet ik zelf ook wel.’

Hij legde de krant op tafel en ging in zijn stoel bij het raam zitten, met zijn rug naar de vensterbank.

Bij het groene hek lag Kaas te slapen, de straathond die Wim ooit een plak Goudse had gegeven en die daarna nooit meer was weggegaan. Fon vond dat het beest vlooien had. Ze had hem een keer weggejaagd met de tuinslang. Kaas had van de straal gedronken, met zijn ogen dicht van genot, en was blijven liggen.

‘s Middags, toen Wim sliep, zat Fon met de rekenmachine uit de winkel aan de keukentafel. Ze had die ochtend een tehuis bij Pranburi gebeld. Een vriendelijke vrouw vertelde dat ze plek hadden voor mensen met geheugenproblemen, over een maand of drie, voor 95.000 baht per maand. Alles inbegrepen, zei de vrouw, alsof dat het makkelijker maakte.

Wims geld kwam elke maand binnen: zijn AOW en het pensioen van het installatiebedrijf in Zwolle, waar hij dertig jaar cv-ketels had opgehangen. Samen iets meer dan 66.000 baht, als de euro meewerkte. Genoeg voor de immigratiedienst, elk jaar weer. Die verzekering had ze ook gebeld. Langdurige zorg viel er niet onder, zei de man aan de telefoon, en wat al speelde voordat je het meldde, ook niet.

Ze schreef de getallen op de achterkant van een oude kalenderpagina. 95.000 min 66.000. Dan was er nog geen huur betaald, geen rijst gekocht, geen premie overgemaakt. Wat onder de streep overbleef, kon ze niet uit haar winkel halen. Niet in een jaar, niet in vijf.

Ze scheurde het blaadje niet af. Ze hing de kalender terug aan de koelkast, met juli naar voren.

Negentien jaar geleden werkte ze in een wasserij bij de markt. Elke dinsdag kwam er een lange Nederlander binnen met vijf overhemden. Pas na drie maanden zag ze het: de overhemden waren al schoon. Gestreken zelfs, met de vouwen er nog in. Toen ze ernaar vroeg, werd hij rood tot in zijn nek.

‘Ik moest toch een reden hebben,’ zei hij.

Hij was vijfenvijftig toen, zij zevenendertig. Haar zus in Roi Et waarschuwde dat zulke mannen na een jaar weer naar huis gingen. Hij ging niet naar huis. Hij leerde haar fietsen op de weg naar Khao Takiab en riep ‘prima, prima’ toen ze bijna een fruitkar ramde. Hij had haar uitgekozen, langzaam, met overhemden die geen was nodig hadden.

Om vier uur begon het te regenen, zo hard dat de goot overliep en het water over de tegels voor de deur stroomde. Fon haalde de was uit de machine. In de borstzak van zijn blauwe overhemd zat iets stugs. Een geel briefje, dubbelgevouwen, door het wassen half opgelost. De inkt was uitgelopen, maar ze kon het lezen. Ze kende zijn handschrift beter dan het hare.

Fon. Groen hek. Zij is je vrouw. Wees lief voor haar.

Ze waren nooit getrouwd.

Ze bleef staan met het natte papiertje op haar handpalm, tussen de wasmand en de machine die nog nadruppelde. Na een tijd legde ze het op de vensterbank, naast de post, om te drogen.

Wim kwam tegen zessen uit de slaapkamer. Hij had zijn bril op zijn hoofd geschoven en zocht hem in de zak van zijn korte broek. Bij het raam bleef hij staan. Hij zag het briefje liggen, gerimpeld nu, de letters blauw uitgelopen. Hij zag de brief van het ziekenhuis eronder.

Hij zei niet dat het prima ging.

Hij pakte de envelop en streek hem glad op tafel, met zijn hele hand, een paar keer, alsof het papier daar beter van werd. Toen schoof hij hem naar haar toe.

‘Lees jij maar,’ zei hij. ‘Ik heb mijn bril niet.’

Zijn bril zat op zijn hoofd. Fon maakte de envelop open en las voor. Dinsdag 3 november, acht uur ‘s ochtends, eerste verdieping.

‘Dat haal je nooit met het busje,’ zei hij.

‘We gaan maandag. We slapen daar.’

‘Duur.’

‘Ja.’

Hij knikte. Hij pakte het gedroogde briefje van de vensterbank en vouwde het langs de oude vouw, heel precies, zoals hij vroeger zijn overhemden vouwde. Daarna trok hij een nieuw geel blaadje van het blok op de koelkast en schreef, langzaam, met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen: 3 nov. Bangkok. Fon gaat mee.

Hij hield haar de twee papiertjes voor.

Ze stak ze in zijn borstzak, het nieuwe achter het oude, en drukte de klep plat met haar duim.

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter