Uit het Thaise leven gegrepen: een fles nam ob

Door Thailandblogger
Geplaatst in Het leven in Thailand, Isaan
Tags:
2 oktober 2026

De vrouw achter de kraam houdt twee flesjes nam ob omhoog, in elke hand één. Zo deed ze het elk jaar, als Bua hier stond te twijfelen tussen de gele en de witte dop. Wim steekt één vinger op. De vrouw kijkt naar de lege plek naast zijn schouder, dan weer naar hem. Ze zegt niets. Ze stopt één flesje in een plastic zakje en noemt de prijs: vijftig baht. Hij legt een briefje van honderd neer en loopt weg voordat ze het wisselgeld heeft gepakt.

In zijn broekzak zit zijn telefoon met het bericht van Mint, de kleindochter van zijn schoonmoeder. Drie dagen geleden kwam het binnen, in het Thais, met een plaatje van een buigende kat eronder. Yai zegt: kom op de dertiende. Hij heeft het vaker gelezen dan hij zou willen toegeven. Heeft Yai dat echt gezegd, of heeft Mint het zelf bedacht, omdat ze zestien is en een zacht hart heeft? En als Yai het gezegd heeft, is het dan een uitnodiging of een beleefdheid? Het soort zin dat je uitspreekt in de hoop dat de ander snapt dat hij hem mag laten liggen. Bua had het geweten aan het kattenplaatje alleen.

Twee rijen verder staat de stoffenkraam. Elk jaar kocht Bua een nieuwe sarong voor haar moeder, een pha sin, en elk jaar duurde dat langer dan hij geduld had. Hij wachtte dan bij de auto met de airco aan. Nu staat hij zelf tussen de stapels. De verkoopster vraagt hoe oud de moeder is. Achtenzeventig, zegt hij. Of negenenzeventig. Ze trekt een donkerblauwe sarong met een smalle rode rand onder een stapel vandaan en houdt hem tegen zijn borst, alsof hij hem zelf gaat dragen. Hij knikt, omdat hij niet weet wat hij anders moet doen.

Om halfelf is het stuur al zo heet dat hij het met twee vingers vasthoudt. Anderhalf uur rijden is het naar het dorp voorbij Kalasin. Bua zei altijd een uur, en ze had het nooit goed. Bij elk dorp langs de weg staan jongens met emmers en tonnen. Wim draait zijn raam een handbreed open. Dat was een regel van Bua: wie met Songkran zijn raam dicht houdt, is onbeleefd. Het eerste water landt in zijn schoot. Bij een kruising steekt een meisje haar arm naar binnen en smeert een witte veeg over zijn wang. ‘Sawatdi pi mai,’ zegt ze, en ze lacht om zijn gezicht. De pasta ruikt naar het badkamerkastje van zijn moeder in Zwolle, al weet hij niet meer naar welk flesje precies.

Dat open raam had nog een reden. Elk jaar bij het afscheid stond Mae Kham naast de auto, pakte door het raam Bua’s pols vast en zei: ‘Pi na, ma der.’ Volgend jaar weer komen, hè. Tegen hem knikte ze dan, over Bua heen.

Bij een tankstation stopt hij voor water. Zonder aanleiding denkt hij aan Gerrit van inkoop, die elk voorjaar een week vrij nam om zijn vijver schoon te maken en daar in de kantine over bleef praten tot iemand opstond. Hij vraagt zich af of Gerrit nog leeft. Hij drinkt het flesje half leeg in de auto, met de motor aan.

Het huis staat waar het altijd stond, op palen, met daaronder de betonnen vloer waar het leven zich afspeelt. Er liggen matten, er staat een koelbox. Somchai, de oudste broer van Bua, zit met een flesje bier tegen een paal en tilt zijn kin op bij wijze van groet. Mint komt aanlopen in een nat bloemetjeshemd, zegt hallo in het Engels en haalt een plastic stoel uit de hoek.

Een stoel. Iedereen zit op de matten. Vroeger trok Bua hem naast zich. Dan zat hij daar met zijn knieën in de verkeerde richting en vertaalde zij wat hij niet verstond, en wat hij wel verstond ook, voor de zekerheid. Hij weet niet of die stoel een eer is of een afstand. Hij gaat zitten. Eén poot zakt een paar centimeter weg in het zand naast het beton.

Hij vraagt naar Mae. Mint zegt dat Yai rust. Ze zijn vanochtend naar de tempel geweest. ‘For auntie Bua,’ zegt ze erachteraan. Om zeven uur. Ze dachten dat hij later zou komen.

‘Mai pen rai,’ zegt hij. Hij zegt het twee keer. Dan vouwt hij het zakje met de sarong dubbel, en nog eens dubbel, tot het een klein, hard pakje op zijn knie is.

In de muur rond de dorpstempel staat sinds vorig jaar mei een wit bouwseltje met haar foto erop, tussen dat van haar vader en dat van een oom die Wim nooit gekend heeft. Daar liggen haar botten. Hij is er drie keer geweest, elke keer met iemand van de familie erbij, terwijl hij de weg allang kende.

Somchai schuift een flesje bier over het beton zijn kant op. Het blijft halverwege staan. Wim staat op om het te pakken, Somchai ook, en een tel staan ze daar allebei met een hand in de lucht. Somchai zegt iets in het Isaans tegen de anderen. Er wordt gelachen. Wim lacht mee, net te laat.

Tegen vieren komt Mae Kham de trap af, een hand aan de leuning, de andere aan Mint. Ze is kleiner dan in december. Ze ziet hem en zegt zijn naam zoals alleen zij hem uitspreekt, met een lange i, alsof er een vraag achteraan komt. Dan gaat ze op een kussen op de mat zitten, de voeten opzij, en iemand zet een teil voor haar neer.

Noi, de vrouw van Somchai, vult een grote zilverkleurige schaal met water en strooit er jasmijnbloemetjes in. Wim haalt zijn flesje nam ob uit de tas. Bua goot altijd een scheutje in de schaal, nooit meer dan de helft. De rest nam ze mee naar huis, naar het kastje boven de koelkast, waar nog vier halve flesjes staan. Hij giet het hele flesje leeg. Noi kijkt ernaar en zegt niets. De geur slaat omhoog, zoet en een beetje zeepachtig.

Eerst de kinderen, dan de kleinkinderen, op hun knieën, de een na de ander. Wim weet niet wanneer hij aan de beurt is. Niemand trekt aan zijn mouw. Hij blijft op zijn stoel zitten tot de rij op is en Mint hem wenkt met een klein kommetje in haar hand.

Als hij knielt, kraakt zijn knie. Een jongetje giechelt en krijgt een tik op zijn arm. Wim heeft het kommetje in zijn rechterhand en het pakje met de sarong in zijn linker, en hij weet niet meer wat eerst moet. Mint neemt het pakje van hem over, zonder iets te zeggen, en legt het naast haar grootmoeder neer.

Mae Kham houdt haar handen boven de teil, de palmen omhoog. De huid van haar vingertoppen is gebarsten. Om haar pols zit een vergeeld wit katoentje van een eerdere ceremonie. Hij giet te snel. Het water loopt over haar polsen in haar mouw en op haar sarong. Iemand zegt zachtjes ‘oei’. De Thaise zinnen die Bua hem ooit leerde, zijn weg. ‘Gezond blijven, Mae,’ zegt hij in het Nederlands. ‘Alsjeblieft.’

Ze kijkt niet naar haar natte mouw. Ze pakt het kommetje uit zijn handen, doopt haar vingers erin en legt haar natte hand op zijn hoofd, op het dunne haar, en laat hem daar liggen. Ze spreekt in het Isaans, snel en lang, langer dan bij de kleinkinderen. Hij vangt alleen ‘yu yen pen suk’ op. Dan haalt ze haar hand weg, pakt zijn pols vast, zoals ze elk jaar Bua’s pols vastpakte door het open raam van de auto, en zegt: ‘Pi na, ma der.’

Over deze blogger

Thailandblogger

Laat een reactie achter