
De regen kwam zo plotseling dat de ruitenwissers het niet konden bijhouden. Niran zette ze op de hoogste stand en boog zich naar voren, zijn neus bijna tegen het glas. Voor hem stond de Rama IV in beide richtingen vast. Rode achterlichten, zover hij kon zien, glommen en liepen uit over de natte voorruit. Op de radio zong een vrouw een oud mor lam-lied over een man die niet terugkwam. Hij had het zachter willen zetten, maar zijn hand bleef op het stuur liggen.
De meter stond op honderdtweeëntwintig baht en bewoog al tien minuten niet meer. Achterin zat een jonge vrouw met oortjes in, haar gezicht blauw verlicht door haar telefoon. Ze had niets gezegd sinds Asok, behalve de naam van het ziekenhuis waar ze heen moest.
Hij draaide het raampje een vinger ver open. De lucht die binnenkwam, rook naar uitlaatgas en natte straat, maar er zat iets anders onder. Iets wat hem altijd weer terugbracht. De geur van regen die op droge aarde valt. Thuis betekende die geur dat het planten kon beginnen.
Negen jaar reed hij nu in deze stad. De taxi was niet van hem. Elke ochtend om vier uur haalde hij hem op bij de garage in Lat Phrao, achthonderd baht per dienst, of het nu regende of niet, of hij nu klanten had of niet. Wat overbleef, stuurde hij naar huis. Naar Roi Et, waar zijn moeder zorgde voor zijn dochter.
Een foto in het dashboard
Fai was vier toen hij vertrok. Nu was ze dertien. Hij wist dat, omdat hij elke maand het geld overmaakte voor haar schooluniform en haar boeken, maar als hij eerlijk was, kende hij haar niet meer. Hij hoorde een stem aan de telefoon die elke keer een beetje volwassener klonk. Hij kende foto’s die zijn moeder hem stuurde, waarop een meisje stond dat hij niet had zien groeien.
Aan het dashboard had hij een foto geplakt, met plakband dat geel was geworden van de zon. Daarop zat Fai op zijn schouders, allebei lachend, op de dijk tussen de rijstvelden. Het water in het veld stond toen net hoog genoeg om de lucht te weerspiegelen. Hij wist nog precies hoe haar handjes zich aan zijn haar vastklampten en hoe ze gilde van plezier toen hij deed alsof hij viel.
De vrouw achterin schraapte haar keel. Het verkeer kwam langzaam weer op gang. Hij liet de koppeling opkomen en de wagen rolde mee, meter voor meter.
“Bent u van het noordoosten, oom?” vroeg ze opeens. Ze had haar oortjes uitgedaan.
Hij keek in de spiegel. “Roi Et. Hoe weet je dat?”
“Het liedje.” Ze glimlachte flauw. “Mijn moeder luistert er ook naar. Ze komt uit Yasothon.”
Even zeiden ze allebei niets. Buiten gleed de stad voorbij, glanzend en grauw tegelijk. Hij dacht aan Yasothon, aan de raketten die ze daar elk jaar de lucht in schoten om de regen af te dwingen, en hoe dichtbij dat lag bij zijn eigen dorp en toch hoe ver alles nu was.
“Gaat u nog weleens terug?” vroeg ze.
“Met Songkran.” Hij hoorde zelf hoe dun het klonk. Eén keer per jaar, in april, als de hitte op zijn ergst was. Dan zat hij twaalf uur in de bus vanaf Mo Chit, met een tas vol cadeaus die hij niet kon betalen, en dan was hij drie dagen thuis voor hij weer terugmoest. Drie dagen waarin Fai beleefd bleef, hem oom noemde uit gewoonte voor ze zich corrigeerde, en waarin zijn moeder hem ’s nachts vroeg of hij niet moe werd.
Het telefoontje
Hij zette de vrouw af bij het ziekenhuis. Ze betaalde, telde er twintig baht bij op en stapte uit in de regen. “Veel sterkte met alles, oom,” zei ze, en hij wist niet goed waarom ze dat zei, want hij had niets verteld.
Hij reed door tot een rustige soi en zette de wagen stil onder een afdak. Het was na elven. Hij at de som tam die hij ’s middags had gekocht, koud nu, met kleefrijst uit een plastic zak. De zuur en de chili prikten op precies de manier waarop hij ze graag had. Niemand in Bangkok maakte het zo scherp als thuis, maar dit kwam in de buurt.
Zijn telefoon trilde. Het was zijn moeder. Ze belde nooit zo laat.
“Ze sliep al,” zei zijn moeder zonder hem te begroeten, “maar ik moest je iets vertellen voor ik het vergeet. Op school hebben ze gevraagd of de vaders komen. Voor de vijfde december.”
Vaderdag. Hij kende de dag. In het hele land brachten kinderen die ochtend een witte bloem naar hun vader, een jasmijn of een kanariegele plant, hij wist het niet meer precies welke.
“Wat heeft ze gezegd?” vroeg hij.
Aan de andere kant bleef het stil. Hij hoorde de krekels van het platteland door de telefoon, een geluid dat hier in de stad niet bestond. “Ze zei dat haar vader in Bangkok werkt en niet weg kan,” zei zijn moeder uiteindelijk. “Ze zei het heel gewoon. Alsof het normaal is.”
Hij keek naar de foto op het dashboard. Het meisje op zijn schouders lachte naar iets buiten beeld.
“Ze huilde niet,” voegde zijn moeder eraan toe, en juist daardoor kreeg hij het te kwaad. Een kind dat huilt, hoopt nog. Een kind dat het heel gewoon vindt, heeft het opgegeven.
Vijfendertig baht
Hij sliep die nacht slecht, voorovergebogen in de bestuurdersstoel, met zijn knieën die altijd zeurden en zijn rug die niet meer recht wilde. Tegen vieren werd hij wakker van het geluid van de regen op het afdak. Het had de hele nacht doorgeregend.
Hij startte de motor en de meter sprong op vijfendertig baht. Het beginbedrag. Negen jaar lang had hij naar dat getal gekeken en gedacht: nog een rit, nog een dag, nog een maand, en dan heb ik genoeg gespaard om een eigen wagen te kopen, om niet meer te hoeven huren. Genoeg was nooit gekomen. Genoeg verschoof altijd een stukje verder.
Maar deze ochtend dacht hij aan iets anders. Aan de dijk tussen de velden, waar het water nu hoog stond na de regen. Aan zijn moeder, die te oud werd om alleen te ploegen. Aan een witte bloem die niemand zou komen halen.
Hij reed naar de garage en gaf de sleutel terug aan de eigenaar, die net zijn ochtendkoffie dronk.
“Je bent vroeg,” zei de man. “Vandaag niet rijden?”
“Ik moet naar huis,” zei Niran.
“Met Songkran toch pas?”
Hij schudde zijn hoofd. Hij had het niet uitgelegd, want hij wist niet hoe. Hij wist alleen dat hij het bedrag bij elkaar had om de bus te betalen en om een maand zonder werk te overbruggen. Dat het planten begon en dat er handen nodig waren in het veld, en dat er over een paar maanden een dag in december kwam waarop een meisje een bloem in haar hand zou houden.
Bij Mo Chit kocht hij een kaartje voor de eerste bus naar het noordoosten. Hij ging bij het raam zitten en haalde de foto tevoorschijn, die hij van het dashboard had gepeuterd. Het plakband liet los, het papier was gevouwen en versleten langs de randen.
De bus kwam in beweging. Achter het glas kromp Bangkok langzaam ineen, de torens, de snelwegen, de eindeloze rode achterlichten. Hij rook het door een kier in het raam. Natte aarde. De geur van regen die viel op grond die er dorstig naar was.
Hij stopte de foto terug in zijn borstzak en sloot zijn ogen. Twaalf uur. Daarna zou hij weten of een meisje van dertien zich nog herinnerde hoe het voelde om op de schouders van haar vader te zitten, hoog boven het water, lachend om niets.
Over deze blogger
Lees hier de laatste artikelen
Het leven in Thailand8 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: de geur van natte aarde
Het leven in Thailand5 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: het lege krukje
Het leven in Thailand2 juni 2026Uit het Thaise leven gegrepen: het wachten van Yai Thong-in
Het leven in Thailand29 mei 2026Uit het Thaise leven gegrepen: Wim leerde opnieuw liefhebben in Isaan
