De Stille Vennoot – Maandag Geel (deel 2)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
23 september 2026

Wim deed geen stap naar voren. Hij bleef achter de open deur staan, half verscholen achter het verbleekte gordijn, en telde in zijn hoofd wat er op het terrein te zien was. De pomp, nieuw, met het prijskaartje er nog op. De ladder tegen bungalow drie, waar hij zaterdag de dakrand had geschilderd. Zijn gereedschapskist op de rand van het zwembad, open.

Maandag. In dit land dragen veel ambtenaren op maandag de koninklijke kleur, en een geel overhemd op een erf zegt dan meer dan een naambordje. De man droeg zwarte, gepoetste schoenen die bij elke stap op het natte grind knarsten. Hij keek niet om zich heen zoals een gast dat doet. Hij keek zoals iemand die een lijstje afwerkt.

Negen jaar geleden had de accountant het hem uitgelegd, op dezelfde lachende toon waarop hij de aandelen had verdeeld. Een buitenlander mag hier wonen, meneer Wim. Een buitenlander mag hier eigenaar zijn van aandelen. Maar een buitenlander die werkt zonder werkvergunning, dat is een ander verhaal. Ze pakken je niet omdat je een sleutel aangeeft. Ze pakken je omdat je op een ladder staat.

Door de glazen schuifdeur van de receptie zag hij Daao tevoorschijn komen. Ze had een ander gezicht opgezet dan aan de keukentafel, en hij kende ook dit gezicht. Niet de glimlach van welkom, maar het professionele masker dat over het gezicht schuift wanneer er gevaar dreigt van een hogere autoriteit. Hij had het gezien bij het dorpshoofd, bij de politie op de weg naar Nong Khai, bij de man van de waterleiding. Nooit bij hem.

Ze maakte een snelle, diepe wai. De ambtenaar beantwoordde de groet met een vluchtig knikje en sloeg zijn klembord open. Hij wees met de achterkant van zijn balpen naar het hoofdhuis, naar de vier bungalows, naar de ladder, en toen, met een korte draai van zijn pols, naar de pompinstallatie achter de bar.

Wim voelde zijn maag samentrekken. Er was geen reden om te denken dat de man wist wat daar stond. Er was ook geen reden om te denken van niet.

Had Pong een foto gemaakt? Een korte video, zaterdag, van een farang op een ladder, doorgestuurd naar een kantoor in de stad met één regel erbij? Het hoefde niet waar te zijn om schade te doen. Een controle is in een zakelijk conflict al genoeg om de ander nerveus te maken, en nerveus was precies wat Wim was, terwijl hij zichzelf dwong stil te blijven staan, alsof beweging op zich al een bekentenis was.

Daao schudde haar hoofd. Ze wees naar de blauwe map die ze nog onder haar arm hield, sloeg hem open, liet de ambtenaar de bedrijfsdocumenten zien en legde haar vinger bij haar eigen naam. Ze sprak snel, met de onderdanige maar besliste toon die hij nooit had leren nadoen, en boog haar hoofd licht.

De ambtenaar keek over het papier heen naar het grote raam van het hoofdhuis. Zijn blik ontmoette die van Wim.

Wim bewoog niet. Hij liet zijn handen in de zakken van zijn linnen broek. Hij keek de man niet strak aan, dat zou als een uitdaging worden opgevat, maar hij keek ook niet weg. Hij had negen jaar geoefend in het gezicht dat niets zegt, en hij had het nooit zo hard nodig gehad als nu.

De ambtenaar schreef iets op het formulier, doopte een houten stempel in de paarse inkt en drukte hem met een korte, harde beweging onderaan de pagina. Hij scheurde het doorslagvel los en gaf het aan Daao. Hij had het gereedschap op de rand van het zwembad niet aangeraakt. Hij had er alleen naar gekeken.

Daao maakte opnieuw een diepe wai.

De man liep terug naar de witte sedan, stapte in en sloot het portier. De auto reed langzaam achteruit de oprit af en liet twee diepe sporen achter in de modder. Van begin tot eind had het elf minuten geduurd. Wim had op de klok boven de ijskast gekeken, twee keer, en beide keren gedacht dat hij verkeerd keek.

Hij wachtte tot de auto de straat uit was voordat hij de schuifdeur openstootte. De buitenlucht sloeg als een warme, natte dweil in zijn gezicht.

Daao stond nog op de stoep voor de receptie. Ze hield het paars gestempelde papier in haar hand en las het, of deed alsof.

“Wat kwam die man doen?”

Ze keek op. De glimlach was weg. Haar gezicht was weer die muur. “Routine,” zei ze.

“Routine. Op maandagochtend, een uur nadat Pong hier binnenkwam met die map.”

Daao draaide het papier om, alsof de achterkant iets anders zou zeggen dan de voorkant. “Iemand heeft gebeld,” gaf ze toe. “Ze controleren het bedrijf, en of een buitenlander werkt. Ik zeg dat jij hier alleen woont, als echtgenoot. Geen salaris. Geen director. Geen werk.”

“En dat geloofde hij?”

“Hij gelooft wat op papier staat. Op papier ben jij aandeelhouder. Meer niet.”

“Wie heeft gebeld, Daao?”

Ze keek naar de hoek van de receptie, waar Pong op zijn brommer zat te wachten, de helm op, het vizier dicht. Hij liet de motor stationair ronken en keek niet hun kant op. Iemand die niets te verbergen heeft, kijkt.

“Mensen praten in het dorp,” zei Daao. “Ze zien jou bij het zwembad. Ze zien jou op de ladder. Ze zeggen dat de farang werkt voor het resort. Dat is niet goed voor het bedrijf.”

“Ik onderhoud mijn eigen spullen,” zei Wim, en voor het eerst schoot zijn stem omhoog. Hij hoorde het zelf en kon het niet tegenhouden. “Ik heb die bungalows betaald. Ik heb die pomp betaald. Ik heb die ladder betaald.”

“Jij hebt het altijd over jouw geld.” Ze zei het zonder stemverheffing, wat erger was. “Het bedrijf betaalt de rekeningen, Wim. Het bedrijf is van mij en Pong. Jij hebt negenenveertig procent. Over vier weken loopt jouw extension af. Als jij nu problemen maakt bij Labour, ga ik niet mee naar Immigration. Ik teken niet. Ik zeg dat we niet meer samen zijn.”

De woorden bleven hangen in de klamme lucht, alsof de regen ze niet wilde wegspoelen.

Het was de eerste keer in negen jaar dat ze het uitsprak. Niet als dreiging in een ruzie, maar als een feit, zoals je zegt dat de gasfles bijna leeg is. Een grens die je nooit hebt zien liggen, blijkt op het moment van overschrijden ineens overal te zijn.

Wim keek naar haar en zocht, tegen beter weten in, naar de vrouw die negen jaar geleden in zijn kleine appartement in Utrecht aan de keukentafel zat, met een kop thee tussen haar handen, en hem in gebroken Engels vertelde hoe het licht in de Isaan was in november. Hij vond haar niet. Hij vond een bestuurder met tekenbevoegdheid.

Pong liet de motor opbrullen, stuurde het erf af en verdween met een doffe knal richting het dorp. Hij had niet één keer omgekeken.

“Ik ga naar de stad,” zei Wim.

“Naar wie?”

“Naar de bank. En daarna naar een advocaat.”

Daao haalde haar schouders op. “Ga maar,” zei ze, zachter nu. “De bank praat over het bedrijf met mij. Een advocaat wil geld zien. Jouw vierhonderdduizend moet blijven staan voor Immigration. Als jij het weghaalt, maak je je eigen probleem.” Ze vouwde het paarse papier dubbel en stak het in de map, bij de andere papieren die hem niet aangingen. “Ik zeg het niet om je pijn te doen. Ik zeg het omdat het zo is.”

Dat was het ergste eraan. Hij geloofde haar.

Ze keerde hem haar rug toe en liep de receptie binnen. De glazen schuifdeur gleed achter haar dicht.

Wim bleef alleen achter op het erf. De regen begon weer harder te vallen. Hij liep langs het zwembad, pakte zijn gereedschapskist van de rand, sloot hem en zette hem in de carport, achter de gasflessen, waar je hem vanaf de weg niet kon zien. Het was een belachelijke handeling en hij deed hem toch. Toen stapte hij in de oude Isuzu en liet de dieselmotor met een rauw geschreeuw aanslaan.

Op de passagiersstoel lag een vergeeld Nederlands tijdschrift van drie jaar oud dat hij nooit had weggegooid. In het dashboardkastje zat het kentekenbewijs van de auto, en hij wist zonder te kijken wiens naam erop stond. Kanchana Resort Co., Ltd. Hij had de auto uitgezocht, hij had erover onderhandeld, hij had hem betaald. Zijn naam stond nergens.

Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en opende de bankapp, iets wat hij de laatste weken vaker deed dan gezond was. Vierhonderdduizend baht, drieëndertig dagen onaangeroerd. Nog achtentwintig dagen te gaan, en hij mocht er niets van afhalen, zelfs niet om te betalen voor iemand die hem zou uitleggen hoe hij het kon houden. Ze had gelijk. Dat was het gemene aan dit land: de mensen die je klem zetten, hoefden nooit te liegen.

Toen hij de achteruitversnelling inschakelde en in de binnenspiegel keek, zag hij Mork bij het raam van het hoofdhuis staan. De jongen hield zijn telefoon horizontaal, met twee handen, gericht op de auto. Hij was niet aan het scrollen. Hij was aan het filmen.

Wim trapte het gaspedaal in. De achterwielen sponnen kort door op het natte gras, waarna de pick-up het erf af schoot, de provinciale weg op, richting Udon Thani. In de spiegel werd het raam kleiner, en de jongen erachter bleef staan, de telefoon nog steeds omhoog, tot de bocht hem wegnam.

* * *

Eerder in deze serie is verschenen:

De Stille Vennoot (intro)
De Stille Vennoot – De Blanco Achterkant (deel 1)

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter