Zo moeilijk is Thailand niet – Half (deel 2)

Dinsdag 13 oktober, 18.20 uur
Vanmiddag om vier uur breng ik het witte overhemd naar Ning. Het overhemd voor de tweede afspraak, volgens de verkoopster in Central Plaza, maar ik heb er maar één nodig en dit is de eerste. “Strijken. Voor zes uur.” Ning houdt het omhoog tegen het licht. “Six o’clock?” “Zes uur.” Ze kijkt naar het overhemd, naar mij, en weer naar het overhemd. “Kwan?” Ik zeg niets. Dat is ook een antwoord, merk ik, want ze knikt.
Om tien voor zes hangt het aan de deur van de wasserette, met een plastic hoes erover en een papiertje met mijn naam. Pang heeft er met stift een hartje bij getekend. Ning zegt dat ze dat niet heeft gezien.
Net kwam er een locatie binnen op Line, van het profiel met de weegschaal. Geen naam, geen foto, alleen een speld op de kaart, een eind buiten de stad, aan de weg naar Nong Khai. Ik had een restaurant aan het meer verwacht. Ik zoom in. Er staat niets. Een speld naast een benzinestation.
Ik zet mijn helm op. Een speld is ook een adres.
Dinsdag 13 oktober, 23.50 uur
Ze kiest geen restaurant aan het meer. Ze kiest een tent aan de weg naar Nong Khai: plastic stoelen, een tl-buis met een gekko erboven, een vrouw die papayasalade stampt in een vijzel zo groot als een emmer. Kwan is er al. Spijkerbroek, dezelfde witte blouse of een die er precies op lijkt, nog steeds geen sieraad.
Achter haar razen de vrachtwagens naar Nong Khai voorbij, zo dicht langs de stoelen dat de tl-buis ervan trilt en de gekko zich steviger vastzet. Het ruikt naar houtskool, naar limoen en naar diesel. Op de tafel naast ons zitten drie bouwvakkers met een fles Hong Thong. Ze kijken naar mij, naar Kwan, en dan vooral naar Kwan.
“You find it,” zegt ze. “Er stond een speld naast een benzinestation.” “Good place,” zegt ze. “Nobody from market come here. Nobody from breakfast also.”
“You think I take you to expensive place,” zegt ze. “Then you pay half of expensive.” Ze bestelt voor ons allebei, in het Thais, zonder naar de kaart te kijken. Daarna legt ze haar handen op tafel, de vingers in elkaar, zoals mijn broer doet als hij aan een jaarverslag begint.
“You divorced?” “Ja. Twaalf jaar.” “Children?” “Een zoon. In Utrecht. Hij belt met kerst.” “Why Thailand?” “Omdat het hier warm is en ik nergens op hoef te wachten.” Ze knikt. “How much money you have?” Ik moet lachen. Zij niet. “Not number,” zegt ze. “Enough or not enough?” “Genoeg.” “For what?” “Om nee te zeggen.”
Ze knikt nog een keer, langzamer. Ik zie dat ze het onthoudt.
Dan is het mijn beurt, en ik vraag hetzelfde. Gescheiden, zes jaar. Geen kinderen. Haar ex is in Bangkok getrouwd met een vrouw die volgens Kwan “very good at Instagram” is. De winkel is van haar moeder, sinds 1989. Kwan doet de boeken, het inkopen, het wegen. Haar moeder doet de klanten en de beloftes. “My mother promise,” zegt ze. “I deliver.”
De somtam komt. Hij is zo scherp dat mijn bril na de eerste hap beslaat en ik hem af moet zetten. Ze kijkt toe zoals een juf bij een mondeling. Ik eet door, met tranen in mijn ogen en een hand om mijn bierflesje. Ik heb in Rotterdam twintig jaar zakenlunches overleefd met mannen die me dingen wilden verkopen die ik niet nodig had. Een salade krijgt mij niet klein.
“I hear you say Thai woman not difficult,” zegt ze halverwege. “Van wie?” “Everybody.” Ze neemt een stuk kip. “I have rule. I not date man who explain Thai woman to me.” “Dan heb je een probleem,” zeg ik. “Ik leg alles uit. Jou ook, als je me de kans geeft.”
Ze kijkt me lang aan. “Okay,” zegt ze. “Try. If you wrong, you pay all.” “En als ik gelijk heb?” “Then you pay half, like we say.”
Ik probeer het. Ik zeg dat ze liever controleert dan vertrouwt. Dat ze geen sieraden draagt omdat ze de hele dag goud ziet en weet wat het kost. En dat ze ja zei omdat ik niet ging zeuren toen ze me verbeterde over de prijs, en dat ze dat niet vaak meemaakt. Ze luistert zonder iets te laten zien. Dan steekt ze haar hand op naar de vrouw met de vijzel, kijkt kort naar het bonnetje en legt haar helft op het schoteltje. Ze schuift het naar mij toe en wacht tot ik de mijne erbij leg.
Ik had dus gelijk. Of ze vond het gewoon te leuk om me alles te laten betalen. Ik vraag het niet. Ze zou het toch niet zeggen.
Bij de scooter trekt ze mijn kraag recht, zonder te vragen, met twee vingers. “Ning iron?” “Ning.” “Good. Ning iron better than you.” Ze laat haar hand een tel langer op de kraag liggen dan nodig is. Er stopt een vrachtwagen voor de deur. Ze stapt achteruit.
Dan vraag ik waarom ik het niet aan Gerard mocht vertellen. “You tell him already,” zegt ze. Natuurlijk. Iedereen weet alles. “Gerard is past,” zegt ze dan. “Not my past. His past.” Ze stapt in haar auto, een witte Honda Jazz met een amulet aan de spiegel, en draait het raampje open. “Next time you choose restaurant.”
Ik rijd naar huis met de wind in mijn overhemd en mijn mond nog in brand. Next time. Ik zing bijna, op de scooter, en dat heb ik in jaren niet gedaan.
Woensdag 14 oktober, 02.30 uur
Harry heeft me vannacht nog meegenomen naar een karaokebar aan Sampanthamit Road. Hij wilde mijn mening, zei hij, over een zangeres. Ik dacht dat het over muziek ging.
Ze heet Aom en ze is, zonder overdrijving, de mooiste vrouw die ik sinds zondag heb gezien, en dat zegt wat. Ze zingt een lied van Carabao en kijkt daarbij naar ons tafeltje alsof het lied over ons gaat. Daarna komt ze bij ons zitten, bestelt een cola die op onze rekening komt en vertelt dat ze een single wil opnemen. Eigen nummer, eigen tekst. De studio kost dertigduizend. Ze heeft al een producer. Ze heeft alleen nog geen sponsor.
Harry zegt niets. Hij kijkt naar mij. Ik begrijp opeens waarom ik mee moest.
De bar is donker en koud, met een discobal die maar half draait en een televisie waarop een meisje in een rijstveld huilt terwijl de tekst eronder meeloopt. Aom ruikt naar vanille en sigaretten van een ander. Ze legt haar hand op mijn arm als ze praat, en haalt hem weg als ze naar Harry kijkt, en legt hem dan weer terug.
“Aom,” zeg ik, “je zingt prachtig. Maar ik sponsor alleen wat ik zelf kan zingen.” Ze lacht, gelukkig. Ze pakt de microfoon en duwt hem in mijn hand. “Then sing.” Ik zing Hotel California. Vals, maar helemaal tot het eind. De bar applaudisseert uit medelijden. “Good try,” zegt Aom. Ze geeft me een wai die half een grapje is en gaat naar een tafel met drie Australiërs.
Ik leg vijfhonderd baht in het fooienglas bij het podium. Voor het lied, niet voor de single.
Op de terugweg biecht Harry op dat hij haar vorige single heeft gesponsord. Twintigduizend. Hij heeft hem nooit gehoord. “Bestaat hij wel?” vraag ik. Harry denkt na. “Ik twijfel,” zegt hij.
Woensdag 14 oktober, 16.40 uur
Vanmiddag ben ik teruggegaan naar Saeng Thong. Niet voor goud. Kwan helpt een vrouw met een kind op de heup, die een armbandje laat wegen. Ik wacht tot ze klaar zijn. Het kind wil het armbandje zelf op de weegschaal leggen. Kwan laat het, en wacht geduldig tot het kleine handje het goed heeft neergelegd, en zet het dan nog een millimeter recht. De airco blaast zo hard dat ik kippenvel krijg. Buiten brommen de scooters voorbij, binnen is het stil, op het tikken van de weegschaal na. Mae Saeng, zoals iedereen op de markt de moeder noemt, biedt me een krukje aan en daarna een mandarijn, in die volgorde, alsof je de mandarijn pas verdient als je zit. Ze pelt hem niet voor me. Ze kijkt toe hoe ik het zelf doe, en knikt als het schilletje in één stuk loskomt.
“You want buy?” vraagt Kwan als de vrouw weg is. “Ik wil een tweede afspraak. Wanneer?” Ze legt het armbandje terug in de vitrine, recht, met de sluiting naar achteren. “Thai man wait one week. Send flower. Send sticker. Then ask.” “Ik heb geen stickers,” zeg ik. “Ik heb een vraag. Wanneer?”
“Next week. Wednesday.” “Waarom niet vrijdag?” “Friday I close early.” “Dat zei je zondag ook. Je zei niet waarom.” “Correct,” zegt ze. Ze schrijft iets in een boek onder de toonbank en kijkt niet op. “You want know everything first date, second date. Then what you do on third date?” Ik zeg dat ik dan wel iets verzin. Nu kijkt ze wel op. Het lachje aan één kant van haar mond, de kant die van haar moeder af zit.
Bij de deur roept ze me terug en geeft me een bonnetje met de goudprijs van vandaag, met de hand geschreven. “For your brother,” zegt ze. “He like number.” Ik heb mijn broer gisteravond één keer genoemd, tussen de somtam en de rekening. Ze heeft het onthouden. Ik sta op de stoep met dat bonnetje en voel me een schooljongen.
Woensdag 14 oktober, 22.30 uur
Next time you choose. Dan kies ik ook. Vanavond ben ik op de scooter de restaurants langsgegaan die de man uit Tiel me vorige week heeft aangeraden, en bij het tweede ben ik gebleven. Een eenvoudig restaurant aan de weg rond Nong Prajak, met plastic tafels op het terras, lampjes in de bomen en een ober die me een tafel aan de voorkant geeft zonder dat ik erom vraag.
Aan de overkant van de weg ligt het meer, zwart en stil, met de lichtjes van de overkant erin. Op het pad eromheen lopen joggers in fluorescerende shirts hun rondjes, alsof het niet nog steeds dertig graden is. De wind komt van het meer en ruikt naar modder en jasmijn. Op een terras als dit heb je geen airco nodig.
Ik bestel een biertje en gegrilde vis met citroengras. De vis is goed. Het uitzicht is beter. Ik heb gekozen.
De ober vraagt of ik voor volgende week wil reserveren. “Ik weet de tijd nog niet,” zeg ik. “Zij bepaalt de tijd.” Hij knikt alsof hij dat vaker hoort. “Thai lady,” zegt hij. “Always she decide time. You decide place. Fair.”
Aan de bar zit een vrouw alleen, in een rode jurk, met een glas wijn dat ze niet aanraakt. Als ik afreken, komt ze naast me staan en vraagt of ik hier vaker kom. “Volgende week,” zeg ik. “Met iemand anders.” Ze lacht, niet beledigd, eerder opgelucht dat het snel ging, en loopt terug naar haar wijn. Op het pad naar de parkeerplaats fluit ik Hotel California. Vals, maar helemaal tot het eind.
Donderdag 15 oktober, ochtend
De Belg betaalt zijn weddenschap aan de ontbijttafel, met één biljet van duizend, plechtig, alsof hij een oorlogsschuld vereffent. “Half,” zegt hij. “Ik had het niet geloofd.” Ik schuif het biljet door naar Harry. “Voor je volgende single.” Harry wordt rood. De man uit Tiel vraagt welke single. Harry zegt dat hij twijfelt of hij dat moet vertellen. De Belg vertelt het dan maar, met handgebaren en een stukje Hotel California, en de hele tafel buigt naar voren. “Twintigduizend,” zegt de man uit Tiel. “Voor een liedje dat niemand heeft gehoord.” “Ik ook niet,” zegt Harry, en hij lacht zelf het hardst. Dat is het mooie aan Harry. Over zichzelf lachen doet hij zonder twijfel.

Donderdag 15 oktober, 16.30 uur
Ning heeft Pang aan het werk gezet met een werkblad Engels. Yesterday I (go) to the market. Pang heeft overal go en eat en see ingevuld, keurig, in potlood. Ik buig me over haar schouder. “Went.” “Ate.” “Saw.” Ze gumt, schrijft, blaast de gumsliertjes van het papier. Na vijf minuten kijkt ze bij elke vraag eerst naar mij voordat ze iets opschrijft.
Ning kijkt vanachter het strijkbord toe. “You teacher?” “Nee.” “Then how you know?” “Ik heb het ook ooit fout gedaan.” Daar moet ze om lachen, kort, met de strijkbout in de lucht.
Ik vertel haar dat ik met Kwan heb gegeten. Ze strijkt een kraag. “You careful,” zegt ze. “Kwan mother promise many people.” “Wat beloofde ze dan?” Ze zet de bout rechtop. “Gold.” Meer zegt ze niet. Wel slaat ze haar schrift open en zet iets in het Thais onder mijn naam. Het is langer dan het bedrag voor mijn was.
Regel 12: vage waarschuwingen zijn geen informatie. Die heb ik geschreven na mijn scheiding, toen iedereen achteraf had geweten dat het mis zou gaan en niemand vooraf iets had gezegd waar ik wat mee kon. Careful kun je tegen iedereen zeggen. Ik betaal mijn was en neem de trap naar boven.
Donderdag 15 oktober, 20.40 uur
Mijn broer belt om acht uur, zoals altijd. Hij zit achter zijn bureau, met achter hem de kast vol ordners met jaartallen op de rug. Ik vertel hem over Bee, Aom en Kwan. Ik hoor zijn pen. “Drie vrouwen in een week,” zegt hij. “En twee meteen weer weg,” zeg ik. “Die kostten me een toetje en een fooi.” “En de derde?” “Goud.”
Hij zet zijn leesbril af. “Goud levert niets op, Niek. Het ligt alleen te glimmen.” “Daarom koopt de halve wereld het.” Hij zucht, zoals hij al zuchtte toen we nog een kamer deelden. Ik leg hem het bonnetje van Kwan voor de camera. Hij buigt naar voren en leest de prijs. “Ze schrijft netjes,” zegt hij. Uit zijn mond is dat een compliment.
“Wanneer zie je haar weer?” “Woensdag.” “En vrijdag?” “Vrijdag gaat ze vroeg dicht.” Hij schrijft iets op. Ik vraag wat. “Niks,” zegt hij. “Vrijdag.” Op de achtergrond piept zijn magnetron, en hij hangt op zoals altijd: zonder gedag, met zijn pen nog in de hand.
Vrijdag 16 oktober, ochtend
De man uit Tiel snijdt zijn ei in acht gelijke stukken en eet ze met de klok mee. Ik kijk er al een week naar en vandaag vraag ik waarom. “Dan weet je waar je bent,” zegt hij.
Gerard komt later dan anders. Hij kijkt op zijn horloge en dan naar mij. “Vrijdag,” zegt hij. “Klopt,” zeg ik. “Ik heb ook een kalender.” Hij glimlacht en roert in zijn ijsthee. “Als je iets weet, Gerard, zeg het. Nu, aan deze tafel. Anders hoef ik het niet te horen.” Hij legt de lepel neer. “Ik weet niets,” zegt hij. “Ik zie alleen dingen.” “Dan heb je ogen. Die hebben we hier allemaal.” De Belg grinnikt in zijn croissant.
Vrijdag 16 oktober, 14.10 uur
Ik loop langs Saeng Thong. Niet toevallig. Het rolluik is dicht. Er hangt een bordje in het Thais en het Engels: Closed 2 PM. Open Saturday 9 AM. De witte Jazz staat er niet. De moeder zit een stukje verderop, bij de buurvrouw met de fruitkraam, en pelt longans. Ze ziet me, glimlacht beleefd, en kijkt dan heel nadrukkelijk de andere kant op, naar de weg die de stad uit gaat.
Ik koop een kilo longans bij de buurvrouw, omdat ik daar nu toch sta. Mae Saeng pelt er een voor me en geeft hem aan zonder op te kijken. Ik vraag niets. Zij zegt niets. We eten longans en kijken allebei naar het rolluik, alsof het zo meteen vanzelf omhooggaat.
Vrijdag 16 oktober, 18.50 uur
Pang zit alleen aan de toonbank van de wasserette. Ning staat achterin aan de telefoon, in snel Thais, met een hand in haar zij. Als ik binnenkom, springt Pang van haar kruk en houdt het werkblad van gisteren omhoog. Bovenaan staat met rode pen een grote ster, met daarnaast in het Thais dee maak: heel goed.
“Teacher say very good,” zegt ze. “Teacher say who help?” “En wat zei jij?” “I say farang upstairs.”
Ze graaft in haar etui en haalt er een vel stickers uit. Katjes, sterretjes, een glimlachende banaan. Ze denkt lang na, langer dan over de werkwoorden, en kiest dan de banaan. Ze plakt hem op de rug van mijn hand.
“For you,” zegt ze. “Good student.”
Ik bedank haar met een wai. Ze giechelt en vlucht achter het strijkbord. Ning schudt haar hoofd. Een volwassene geeft een kind geen wai, zegt ze, maar pas als ik al op de trap sta. Boven haal ik de banaan van mijn hand en plak hem in het zwarte notitieboekje, op de binnenkant van de kaft. Woensdag zei ik nog dat ik geen stickers had.
Vrijdag 16 oktober, 23.40 uur
De hele middag en avond geen bericht. Om elf uur een foto. Een lege winkelruimte, witte tegels, een rolluik half open, een bordje For Rent in een winkelcentrum dat ik herken aan de roltrap. Central Plaza, tweede verdieping.
Daarna, in drie losse berichten, zoals ze praat:
My mother want second shop.
Bank say no. Woman, no husband, old shop.
800,000. You want business?
Ik antwoord meteen. Daar hoef ik niet over na te denken. Als ik ga zitten wachten tot morgen, wordt het overmorgen, en dan stuur ik niks.
Ja. Maar eerst de boeken.
Gelezen. Drie puntjes die verschijnen, verdwijnen en weer verschijnen. Ik zet een biertje open en kijk ernaar alsof het een voetbalwedstrijd is. Het bier is al half op als het antwoord komt.
Monday. Ten o’clock. Bring your own calculator.
Een minuut later nog één.
And your own scale.
***
Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur6 november 2026Zo moeilijk is Thailand niet – Half (deel 2)
Cultuur1 november 2026Zo moeilijk is Thailand niet – Vier dagen (deel 1)
Cultuur30 oktober 2026Zo moeilijk is Thailand niet – Intro
Cultuur19 oktober 2026De Stille Vennoot – Een Jaar Later (deel 10 slot)

