Zo moeilijk is Thailand niet – Vier dagen (deel 1)

Vrijdag 9 oktober, Udon Thani
Dag vier. Ik heb een condo op de zevende verdieping, een gehuurde Yamaha, een Thaise simkaart, een vaste plek aan de ontbijttafel en morgen een afspraak met een vrouw. In Nederland zeiden ze dat ik eerst rustig moest landen. Ik ben geland. Het vliegtuig deed het meeste werk.
De condo huur ik voor een jaar. Kopen komt niet in me op. Dat staat voorin het zwarte notitieboekje dat ik al dertig jaar in mijn borstzak draag. Regel 1: huur wat je kunt huren. Een huis kopen in een land waar je de krant niet kunt lezen, is vragen om ellende.
Er staan negentien regels in het boekje. Een paar heb ik er in het vliegtuig bijgeschreven, tussen de kip en de pasta. Mijn ex-vrouw noemde het mijn bijbel. Ze bedoelde het niet aardig, maar ik heb het altijd als compliment opgevat.
De scooter huur ik van een man die tegenover de condo in een garage woont, slaapt en rookt. Hij wil drieduizend baht per maand voor een oude Yamaha Fino en mijn paspoort. Ik bied vijfentwintighonderd en een kopie. Hij kijkt naar de lucht, naar zijn sigaret en naar mij, en geeft me de sleutel. Vijfentwintighonderd en een kopie. We glimlachen allebei, en ik weet zeker dat de hele straat het morgen weet.
De afspraak is met Bee. Ze werkt bij de Bangkok Bank op Prajak Road en heeft dinsdag een dikke stapel briefjes van duizend voor me uitgeteld, voor de borg en de eerste maanden huur. Haar vingers gingen zo snel dat ik het niet kon bijhouden, en ze glimlachte erbij alsof het haar eigen geld was. Toen ze klaar was, heb ik gevraagd of ze zaterdag met me wilde eten. Ze keek naar de stapel, naar mij, en zei ja. Dat vond ik eerlijk. Ze wist in elk geval met wie ze uitging.
Vrijdag 9 oktober, 21.30 uur
Vanavond met de Yamaha naar Central Plaza, voor een helm en een overhemd. De helm omdat de man van de garage er een meegaf die naar zijn eigen hoofd ruikt. Het overhemd omdat alles wat ik bij me heb in Nederland is gekocht, voor Nederlands weer.
Central Plaza is koud. Buiten is het dertig graden, binnen zeventien, en de halve stad loopt er rond in een vest. Bij de ingang deelt een meisje in een konijnenpak folders uit voor een telefoonabonnement. Ik heb er al een. Ik neem de folder toch, want ze kijkt alsof het haar laatste is.
In de helmenwinkel zet ik er één op. Hij past. Ik koop hem. De verkoper wil me er nog drie laten zien, in andere kleuren, met andere stickers. “Deze past,” zeg ik. Hij legt de drie terug en zegt iets tegen zijn collega, die moet lachen.
Een verdieping hoger vind ik een overhemd. Lichtblauw, linnen, mijn maat. Een verkoopster van een jaar of vijftig loopt mee naar het pashokje en wacht ervoor, alsof ik kan ontsnappen. Als ik eruit kom, knikt ze. “Farang try five shirt,” zegt ze. “You try one.” “Goed voor mij,” zeg ik. “Dan hoef ik niet de hele avond in een koelkast te staan.”
Ze kijkt van het overhemd naar mij. “You have date?” Ik vraag hoe ze dat ziet. “Farang buy shirt at night, always date.” Ik geef toe dat het klopt: morgen, met een Thaise vrouw. Ze pakt er een tweede overhemd bij, wit, dezelfde maat. “For second date. Thai woman look shirt.” Ik koop ze allebei. Het is de eerste keer deze week dat iemand mij iets verkoopt wat ik niet van plan was.
Op de roltrap naar beneden kijk ik even opzij. Op de tweede verdieping, tussen een bubbleteazaak en een telefoonwinkel, staat een winkelruimte leeg. Witte tegels, een bordje in het raam: For Rent. Ik kijk er niet lang naar. Ik huur al genoeg.
Thuis hang ik de overhemden aan de balkondeur, zodat de kreukels eruit waaien. Morgen Bee.
Zaterdag 10 oktober, ochtend
De ontbijtclub. Vijf Nederlanders en een Belg aan de rand van de nachtmarkt, allemaal boven de zestig, allemaal met een telefoon naast hun bord, met het nieuws uit Nederland van gisteren erop. De koffie komt van een kar met een parasol, de croissants van een bakker die beweert dat hij in Lyon heeft gewerkt. Ik zit er sinds woensdag bij. Ze weten waar je een rijbewijs haalt, welke tandarts je moet mijden en welke vrouw bij wie hoort. Vooral dat laatste.
De vrouw van de koffiekar zet zonder iets te vragen een glas ijskoffie voor me neer, met gecondenseerde melk en zoveel suiker dat het rietje rechtop blijft staan. De eerste ochtend vroeg ik om zwart. Ze knikte en gaf me dit. Sindsdien drink ik dit. Verderop gaan de luiken van de dagmarkt omhoog, iemand spuit de stoep schoon met een tuinslang en het ruikt naar natte stenen en gebakken rijst.
Harry twijfelt. Dat doet hij altijd, heb ik al gemerkt, maar vandaag gaat het over zijn vriendin. Ze wil dat hij haar moeder ontmoet, in Kumphawapi. “Dan zit je eraan vast,” zegt hij. “Je zit er al aan vast,” zeg ik. “Je durft het alleen niet te tekenen.” De Belg lacht. Harry kijkt in zijn koffie alsof daar een tweede mening in drijft.
“Het is hier niet zo eenvoudig als je denkt,” zegt hij na een tijdje. “Wat is er dan moeilijk?” Hij denkt lang na. “Alles.” “Kom op, Harry. Noem eens één ding.” Hij noemt niets. Hij roert in zijn koffie.
De Belg vraagt wat ik van Thaise vrouwen vind. Hij knipoogt naar de anderen, alsof hij een val zet. “Thaise vrouwen zijn niet ingewikkeld,” zeg ik. “Westerse mannen maken ze ingewikkeld.” Het blijft stil. Harry legt zijn telefoon weg. Alleen de man uit Tiel snijdt rustig verder aan zijn ei.
Aan het eind van de tafel zit een man die nog niets heeft gezegd. Gebruind, wit overhemd, zo strak gestreken dat het lijkt of hij elke ochtend een nieuw koopt. Gerard. Oud-bankier uit Rotterdam. Hij heeft de hele week naar me geluisterd zonder iets terug te zeggen, en nu buigt hij naar voren.
“Ik hoor dat je vanavond met Bee van de bank uitgaat.” Ik vraag hoe hij dat weet. “Iedereen weet hier alles,” zegt hij. “Dat is het eerste wat je moet leren. Het tweede is dat Bee een broer heeft.” Hij leunt weer achterover en roert in zijn ijsthee.
Zaterdag 10 oktober, 22.40 uur
Bee heeft een broer.
Ze ziet er mooier uit dan achter het loket. Een zwarte jurk, het haar los, een parfum dat me aan dure hotels doet denken. Het restaurant aan het meer is haar keus. Er hangen lampionnen langs het water en onder de tafel zoemen de muggen. Ze bestelt goed: vis met citroengras, een salade van groene papaja, geen wijn voor zichzelf, wel voor mij. We praten over Nederland, over haar werk, over de rente. Ze weet veel van rente. Ze vraagt wat ik op mijn spaarrekening krijg. Ik zeg anderhalf procent. Ze kijkt me aan met medelijden, zoals je kijkt naar iemand die met een paraplu een orkaan in loopt.
Bij het hoofdgerecht komt de broer ter sprake. Hij rijdt een tuktuk, vertelt ze, maar die is van een baas die hem uitbuit. Een eigen tuktuk kost honderdtwintigduizend. Hij kan het in twee jaar terugbetalen, met rente, netjes, ze heeft het al uitgerekend. Ze pakt haar telefoon om het me te laten zien. Een hele berekening, per maand, met kleurtjes.
Ik moet zeggen: het ziet er verzorgd uit. Een vrouw die haar huiswerk meeneemt naar de eerste afspraak, weet wat ze wil. Jammer genoeg weet ik dat ook.
Ik leg mijn bestek neer. “Bee,” zeg ik, “dit is een goed plan. Je broer verdient een investeerder. Maar ik zit hier vanavond niet als bank.” Regel 4: geld en gevoel gescheiden. Ik zeg het niet hardop, maar ik geloof dat ze het op mijn gezicht leest.
Ze kijkt me even aan. Dan lacht ze, echt, voor het eerst die avond. “Okay,” zegt ze. “You smart man.” “Ik betaal het eten.” “Of course you pay.” Ze bestelt nog een toetje, mango met kleefrijst, en eet het in alle rust op terwijl ik naar de ober zwaai. We nemen afscheid met een wai en een handdruk tegelijk, wat onhandig uitpakt. Ik krijg haar vingertoppen tegen mijn neus.
Op de scooter naar huis merk ik dat ik opgelucht ben. Liever vanavond nee dan over drie maanden een tuktuk. Het toetje vond ik een redelijke prijs.
Zondag 11 oktober, 14.30 uur
Ik stuur mijn broer een appje. Hij is accountant in Amersfoort en gelooft pas iets als het drie jaar achter elkaar in een jaarverslag staat. Condo, scooter, telefoon, ontbijtclub, één date, één afgewezen investering. Zes dagen. Hij stuurt een duim terug en daarna: Wie heeft wie afgewezen?
Vandaag kijk ik naar goud. Op de bank krijg ik anderhalf procent, en in Thailand koopt iedereen goud: de marktvrouwen, de taxichauffeurs, de oma’s voor hun kleinkinderen. Ik wil weleens zien waarom.
De markt begint onder mijn balkon, dus ik loop. Het begint al op de stoep: teilen met levende vissen die je aankijken, bergen rode pepers, een vrouw die gefrituurde sprinkhanen in puntzakjes schept. Een oud mannetje houdt me een zakje voor. Ik neem het aan en eet ze op, terwijl hij toekijkt. Ze smaken naar chips met pootjes. Hij klapt in zijn handen en roept iets naar de kraam ernaast, en ineens krijg ik van drie kanten een duim.
De goudwinkels zitten aan de markt, de een naast de ander, rood en goud, met glazen vitrines en een airco die je van de stoep al voelt. Ik kies er een met een rustig bord. Saeng Thong. Achter de toonbank zit een oudere vrouw met een bril aan een kettinkje, en naast haar staat een jongere vrouw die me opneemt voordat ik binnen ben.
Ze is mooi. Lang, recht, een witte blouse met opgerolde mouwen, het haar strak naar achteren. Ze draagt geen enkel sieraad, in een winkel waar de vitrines ervan overlopen. Ik merk dat ik langer naar haar kijk dan naar het goud.
Ik vraag naar een baartje van één baht. Ze legt het op de weegschaal voordat ik erom vraag en noemt de prijs. Ik reken hem op mijn telefoon om naar euro’s, hardop, langzamer dan ik zou willen. Ze wacht tot ik klaar ben. “You use buy price. I sell, so sell price.” Ik reken opnieuw. Ze heeft gelijk.
Ik betaal. Ze schrijft een bonnetje uit met de hand, met carbonpapier ertussen. “Name?” “Niek.” “Phone?” Ik noem mijn nieuwe Thaise nummer, dat ik zelf nog van een briefje moet aflezen. Ze schrijft het op zonder te vragen of ik het wil herhalen. De oudere vrouw kijkt over haar bril mee en zegt iets in het Thais. Kwan antwoordt met één woord. Als ze het baartje in een plastic zakje schuift en het me aangeeft, raken onze vingers. Ze trekt de hare niet terug. Ze telt eerst rustig het wisselgeld uit.
“Hoe heet je?” vraag ik. “Kwan.” “Kwan, wil je dinsdag met me eten?”
De oudere vrouw laat een munt vallen. Kwan kijkt niet opzij. Ze kijkt naar mij, zoals ze net naar de weegschaal keek. “You ask every woman in Udon?” “Twee,” zeg ik. “Eén heb ik gisteravond afgewezen.”
Dat is blijkbaar het goede antwoord. Een klein lachje, aan één kant van haar mond. “Not Friday,” zegt ze. “Friday I close early.” “Ik vroeg dinsdag.” “I know. I tell you for later.” Ze schrijft een Line-ID op de achterkant van mijn bonnetje. “I choose restaurant. You pay half.”
Ik steek het baartje in mijn borstzak, naast het notitieboekje. Ze ziet het en schudt haar hoofd. “Not in shirt,” zegt ze. “In Udon, gold in shirt is gold for somebody else.”
Ik stop het in mijn broekzak, onder haar toeziend oog. Buiten sta ik even stil in de hitte, tussen de brommers en een kar met gegrilde bananen. In Nederland heb ik twaalf jaar lang niemand mee uit gevraagd. Hier twee in zes dagen. Ik voel het bonnetje in mijn borstzak zitten alsof het warm is. Regel 4: geld en gevoel gescheiden. Ik heb ze net allebei aan dezelfde toonbank gehaald.
Zondag 11 oktober, 22.10 uur
Ik tik het Line-ID over van het bonnetje. Haar handschrift is net zo recht als zij, op één teken na, dat een kleine l kan zijn of een 1. Ik kies de 1. Een l zou ze rechter schrijven.
Er verschijnt een profiel zonder foto, met een naam in het Thais. Ik stuur: Dinsdag. Hoe laat en waar? Niet gelezen.
Om negen uur is het nog steeds niet gelezen. Om tien uur ook niet. Ik leg de telefoon met het scherm naar beneden op het balkontafeltje en ga naar binnen om mijn tanden te poetsen. Met de tandenborstel nog in mijn mond loop ik terug om te kijken.
Niet gelezen. Ze heeft een winkel, een moeder en een kluis vol goud. Ze zit niet de hele zondagavond op een Nederlander te wachten. Ik ook niet op haar. Ik kijk alleen nog één keer.
Maandag 12 oktober, ochtend
Ik vertel het aan de ontbijtclub. Niet om op te scheppen, maar ze weten het om tien uur toch, en dan liever mijn versie.
“Kwan van Saeng Thong?” De man uit Tiel, die zijn ei elke ochtend in acht gelijke stukjes snijdt, legt zijn mes neer. “De dochter? Die met de bril is de moeder.” “De dochter,” zeg ik. “Dinsdag.” De Belg fluit. Harry kijkt me aan alsof ik heb verteld dat ik gisteren de Mekong ben overgezwommen. “Jij bent hier een week,” zegt hij. “En jij drie jaar,” zeg ik. “Wat heb jij gisteren gedaan?” Hij denkt na. “Getwijfeld over Kumphawapi.” “Zie je.”
De Belg biedt een weddenschap aan. Duizend baht dat ze me alles laat betalen. “Half,” zeg ik. “Dat is al afgesproken.” “Afgesproken,” zegt hij, en lacht zo hard dat de vrouw van de koffiekar opkijkt. “Hij heeft iets afgesproken met een Thaise vrouw. Wat schattig.” We geven elkaar een hand over de croissants heen. De vrouw van de koffiekar zet een nieuw glas ijskoffie voor me neer, zegt “Kwan”, en lacht met haar hand voor haar mond. Ze heeft het dus ook al gehoord.
Gerard zegt niets. Hij roert in zijn ijsthee, die geen roeren nodig heeft. Als de anderen weg zijn, blijft hij zitten. “Zei ze nog iets over vrijdag?” vraagt hij. Ik zeg dat ze vrijdag vroeg dichtgaat. Hij knikt langzaam, alsof hij dat allang wist. “Elke vrijdag,” zegt hij. “Al een jaar.” Hij rekent af, ook voor mij, en loopt weg zonder te zeggen wat er op vrijdag gebeurt.
Ik roep hem niet na.
Maandag 12 oktober, 16.15 uur
Vanmiddag op de markt kwam ik Harry tegen, bij een kraam met fruit in cellofaan. Hij stond er volgens de verkoopster al een halfuur. In zijn ene hand een zak mango’s, in de andere een doos met een Japanse vlag erop en zes appels erin die per stuk meer kosten dan mijn lunch.
“Voor de moeder,” zei hij. “Als ik ga.” “Ga je?” “Als ik ga.”
Hij hield de zak en de doos omhoog, links en rechts, als een weegschaal. “Mango’s heeft hier iedereen in de tuin,” zei hij. “Maar met die appels lijk ik een patser.” “Wat eet ze graag?” Hij dacht na. “Ik weet niet eens hoe ze heet. Iedereen zegt Mae.”
“Neem de appels,” zei ik. “Mango’s heeft ze al.”
De verkoopster knikte heftig, alsof ze elk woord verstond. De appels verstond ze in elk geval. Harry betaalde en keek naar de doos alsof er een ring in zat. “Nu moet ik wel,” zei hij. “Nee,” zei ik. “Nu heb je appels.”
Hij lachte, voor het eerst vandaag, en toen zag ik waarom zijn vriendin hem aan haar moeder wil laten zien. Hij liep weg met de doos tegen zijn borst, voorzichtig, alsof er eieren in zaten. Ik ben vergeten te vragen hoe zíj heet.
Maandag 12 oktober, 23.15 uur
Onder mijn condo zit een wasserette. Vier machines, een droger die klinkt als een vertrekkend vliegtuig, en Ning, die weinig zegt en veel ziet. Haar dochter Pang maakt na school huiswerk aan de toonbank, met haar tong tussen haar tanden. Vanavond haal ik mijn overhemden op. Ning legt ze op de weegschaal en ziet het bonnetje van Saeng Thong uit mijn borstzak steken.
“You buy gold at Kwan?” Ik knik. Ze vouwt een handdoek die al gevouwen is. “My mother buy there. Every month.” Ze schrijft het bedrag voor mijn was in haar schrift. “Kwan good,” zegt ze. “Kwan mother…” Ze maakt de zin niet af. “Forty baht one kilo.”
Pang kijkt op van haar schrift. “Good evening, sir,” zegt ze, in keurig schoolengels, alsof ze het de hele middag heeft geoefend. Ning zegt iets kort in het Thais, en Pang buigt zich weer over haar sommen, de tong terug tussen haar tanden.

Ik zit nu op mijn balkon met een flesje Chang. Beneden gaan de lichten van de markt een voor een uit en het ruikt naar houtskool en natte straat. Gerard heeft net een bericht gestuurd: Dinsdag dus. Succes. Ik heb het ook geprobeerd. Ik stuur een duim terug. Zoals hij dat zegt, probeert hij het nog steeds.
Mijn telefoon trilt opnieuw. Line. Een onbekend profiel met een foto van een weegschaal.
Tuesday okay. Seven o’clock. Don’t tell Gerard.
***
Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur1 november 2026Zo moeilijk is Thailand niet – Vier dagen (deel 1)
Cultuur30 oktober 2026Zo moeilijk is Thailand niet – Intro
Cultuur19 oktober 2026De Stille Vennoot – Een Jaar Later (deel 10 slot)
Cultuur16 oktober 2026De Stille Vennoot – De Bergen van Loei (deel 9)

