De Stille Vennoot – De Bergen van Loei (deel 9)

Door Hans Vredevoort
Geplaatst in Cultuur, Korte verhalen
16 oktober 2026

De koper uit Khon Kaen kwam op een dinsdag in november, in een grijze Fortuner, en bekeek het resort in twintig minuten.

Wim zag het vanuit de deuropening van bungalow vier, waar hij sinds de uitspraak woonde. De voorlopige maatregel gaf hem een adres op het perceel, en het perceel had vier bungalows die niemand meer boekte, dus sliep hij in de laatste, met zijn leren tas onder het bed en de gereedschapskist onder de wastafel. Daao woonde bij haar moeder. Pong was in Bangkok, of in Samut Prakan, afhankelijk van wie het vertelde. Het hoofdhuis stond leeg, met de gordijnen dicht, en de deur van de achterkamer stond nog altijd een centimeter open, want niemand had haar meer dichtgetrokken.

De koper liep niet naar het zwembad. Hij liep niet de bungalows in. Hij stond bij de poort met de makelaar van de rechtbank, keek omhoog naar de dwarsbalk, en vroeg hoe hoog die was. De makelaar wist het niet. Wim wist het wel, drie meter twintig, hij had de balk zelf gezet, maar niemand vroeg het hem. De koper keek naar de weg, naar het stuk asfalt tussen de poort en de provinciale weg, en vroeg of daar een vrachtwagen kon keren. Toen knikte hij en stapte weer in.

Twee komma drie miljoen baht, voor het perceel, de gebouwen en de bedrijfsactiva als één pakket. Een vrachtwagen die kan keren, dacht Wim, is in dit land meer waard dan vier bungalows en een zwembad. Hij had het kunnen weten. Hij had negen jaar gebouwd voor gasten die om zes uur een schoon zwembad verwachtten, in een streek waar de toekomst op wielen kwam.

Van de opbrengst ging eerst de particuliere lening naar de financier, die zich voor de gelegenheid keurig bij de griffie meldde, in een overhemd met korte mouwen, en niemand die hem zag zou hebben gedacht dat hij mannen met een Hilux kende. Daarna een afkoopsom voor meneer Chen, die niet zelf kwam. Daarna het honorarium van Somchai. Wat overbleef, werd op de rekening van Wim gestort: negenhonderdvijftigduizend baht, tot op de baht het bedrag dat de regeling hem toekende. Daao kreeg de rest, en de rest was weinig, en niemand sprak dat getal hardop uit.

Het was minder dan de één komma acht miljoen die hij zeven jaar eerder had overgemaakt. Geen fortuin, geen vergoeding voor negen jaar. Maar het was geld waarover niemand anders iets te zeggen had, en hij merkte dat hij in de bankapp niet meer drie keer per dag keek. Eén keer was genoeg. Dat was misschien wat vrijheid was: niet meer hoeven kijken.

Op de ochtend van het vertrek, drie weken na de storting, liep hij het erf nog één keer rond, niet uit sentiment maar omdat hij dat nu eenmaal negen jaar elke ochtend had gedaan. Het zwembad was groen, met een laag bloesem erop die niemand meer afschepte. De ladder stond nog tegen bungalow drie. In het hoofdhuis was het donker en rook het naar vochtig hout en naar de mentholsigaretten van iemand die er niet meer woonde. Hij liep de gang door naar de achterkamer. De schuifdeur stond een centimeter open, zoals altijd. Hij pakte de greep, zette zijn voet tegen het kozijn en trok, en de deur kwam met een droge schok los uit de sponning en viel dicht. Het was het eerste wat hij in dit huis had gerepareerd zonder dat iemand het hem vroeg, en het laatste. Hij liet de sleutel op de keukentafel liggen, op de plek waar de blauwe map had gelegen.

Een uur later zat hij achter het stuur van een tweedehands Toyota Hilux, zwart, met getinte ramen, de week ervoor gekocht van een handelaar aan de ringweg die niet had gevraagd waar het geld vandaan kwam. Hij had de auto gekozen zonder erbij na te denken en pas op de terugweg begrepen wat hij had gekocht: precies de auto die op een vrijdagmiddag het erf was opgereden. Hij had erom moeten lachen, alleen in de cabine, en het was het eerste lachen in maanden dat niet voor iemand anders bedoeld was.

Op de bijrijdersstoel zat Mork, met zijn rugzak tussen zijn voeten, dezelfde te volle rugzak van het terras. Daao had hem gebracht, in de songthaew, tot aan de poort van het resort dat niet meer van haar was, en had hem daar zonder veel woorden overgedragen zoals je een pakket overdraagt waarvan je de inhoud kent. Ze had de papieren getekend die Einar had gestuurd. Ze had Wim aangekeken en gezegd: “Rijd langzaam. Hij is niet gewend aan bergen.” Dat was alles. Het was, voor haar, heel veel.

De weg naar Loei klimt zonder dat je het merkt, tot je ineens in de spiegel kijkt en de vlakte achter je ligt. De rijstvelden maakten plaats voor maïs, en de maïs voor bos, en het bos voor kalksteenrotsen die uit de ochtendmist opdoken als iets dat er altijd was geweest en alleen op zijn beurt had gewacht. Mork keek. Hij filmde niet. Hij hield zijn telefoon op zijn schoot en keek door de voorruit, en Wim zag in de ooghoek dat de jongen zijn adem inhield bij de eerste echte bocht.

“Het is koud,” zei Mork.

“Het wordt kouder. In december moet je hier een jas hebben.”

“Ik heb geen jas.”

“Dan kopen we er een.”

In Loei is Thailand anders. De wind komt uit Laos, over de Mekong, en heeft er onderweg de hitte uit verloren. De huizen staan op palen en de mensen praten langzamer, alsof ze weten dat niemand ergens heen moet.

Einar wachtte bij het houten hek van zijn erf, een lange man van zestig met een grijze baard en de rode wangen van iemand die veertig jaar in de zon heeft gewerkt zonder daar ooit aan te wennen. De Noorse broer van Morks vader. Mork had hem in april gevonden, via een clubfoto en een naam, en Einar had teruggeschreven binnen een dag. Van Morks vader zelf was nog altijd niets gekomen. Veertien jaar stilte blijft veertien jaar stilte, ook als iemand er eindelijk naar gaat vragen.

Einar keek naar de jongen, lang, zoals je naar een foto kijkt die je kent van een andere foto. Toen stak hij zijn hand uit, op de Noorse manier, en Mork schudde hem, op de Thaise manier, met een halve wai erachteraan, en geen van beide culturen had daar een gebaar voor, dus lachten ze allebei.

“Het huisje achter de teakboom staat leeg,” zei Einar, in het Engels, terwijl hij een krat fruit uit de laadbak van Wims Hilux tilde alsof dat vanzelfsprekend was. “Stroom werkt. Dak is goed. Deuren klemmen, maar dat doen ze hier allemaal. Ik heb het eerste schoolgeld betaald. Je moeder heeft de papieren getekend, Mork, dus daar komt geen discussie over.”

Wim keek naar het kleine houten huisje op palen, een eind van het hoofdhuis af, met een veranda van hardhout en uitzicht over de vallei. Geen bungalows. Geen gasten. Geen aandeelhoudersregister op de keukentafel. Alleen een rij papajabomen en een hond die niet blafte.

“En mijn verblijf?” vroeg Wim. Het was de vraag die hij aan iedereen stelde, aan iedere balie, en hij hoorde hoe vanzelfsprekend die was geworden.

“Somchai heeft het me uitgelegd,” zei Einar. “Hij heeft een tweede verlenging van negentig dagen geregeld terwijl de verkoop liep. Dat brengt je voorbij je vijftigste. De achthonderdduizend staat op je rekening. Als je vijftig bent en het bedrag lang genoeg heeft gestaan, vraag je retirement aan. Geen huwelijk nodig. Geen bedrijf. Alleen jij en je saldo.”

“Dat is het plan,” zei Wim. “Geen omweg meer. Alleen zorgen dat ik de voorwaarden haal.”

“Dat is hier het hele leven,” zei Einar. “Voorwaarden halen.”

Mork was intussen naar de rand van het erf gelopen, waar het uitzicht het breedst was. Hij hield zijn telefoon omhoog, filmde de bergen een paar seconden, en stopte. Toen stopte hij het toestel in zijn zak en bleef gewoon staan kijken.

“Geen video’s meer over het resort?” vroeg Wim, toen hij naast hem kwam staan.

“Daao heeft me gisteren gebeld,” zei Mork.

“En?”

“Ze is bij grootmoeder. Pong werkt op een bouwplaats in Samut Prakan. Hij slaapt in een container. Ze vroeg of Einar geld kon sturen voor de maaidorser van grootmoeder. De motor is kapot.”

“Wat heb je gezegd?”

Mork liet een piepklein, gortdroog lachje zien, en het was het lachje van zijn moeder. “Dat Einar mijn school rechtstreeks betaalt. Dat er geen geld is voor de maaidorser.”

Er zat iets in de kilte van dat antwoord dat Wim niet beviel, alsof de jongen sneller had geleerd zich af te sluiten dan goed voor hem was, en hij dacht aan de vrouw bij het aanrecht met haar leesbril op. Maar hij zei er niets van. Sommige dingen leer je alleen af door ze te zien bij iemand anders, en hij had het de jongen negen jaar lang voorgedaan.

“Morgen kopen we gereedschap in de stad,” zei Wim. “En een jas. De deuren van dit huisje klemmen.”

“Gaan we ze schuren?” vroeg Mork.

“Nee,” zei Wim. “Schuren helpt één seizoen. We zetten het kozijn recht. Zodat ze vanzelf dichtvallen.”

Mork knikte, alsof dat het meest logische was wat hij die dag had gehoord. Beneden in de vallei ging het licht aan in een huis dat van iemand anders was.

***

Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/

Over deze blogger

Hans Vredevoort
Hans Vredevoort
Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.

Laat een reactie achter