De Stille Vennoot – Het Stempel op de Landweg (deel 6)

De klei op de landweg was verzadigd van de nachtelijke regen. Elke omwenteling van de banden zoog een dikke laag rode modder mee omhoog, tot de spatborden ermee vol zaten en het wiel begon te schuren. Wims bovenbenen brandden. Hij was negenenveertig en had in zeven jaar niets zwaarder getild dan een zak chloor.
Achter hem zwol het jankende geluid van de scooter aan. “Wim! Stop!” Pong schreeuwde het over de motor heen, in het Thais, en toen nog een keer in het Engels, alsof de taal het verschil kon maken.
Wim keek niet om. Hij ging op de trappers staan en gooide zijn volle gewicht op de pedalen.
Nog achthonderd meter. Hij kende de weg: de kromme boom, de spirit house van de buurman met de rode Fanta erin, het bord van de rijstmolen. Hij had dit stuk honderden keren gereden in de Isuzu en er nooit naar gekeken.
Pong kwam uit de berm en trok het gas open. De scooter schoot naast de fiets, zo dicht dat Wim de hitte van de motor tegen zijn kuit voelde. Pong stak zijn hand uit en greep naar het hengsel van de leren tas. “Geef die papieren, farang! Dat is van het bedrijf!”
Het was niet van het bedrijf, dacht Wim. Het was het enige wat niet van het bedrijf was. Hij stuurde abrupt naar rechts. De voorband sneed door een diepe plas. Het opspattende water raakte Pong vol in zijn gezicht, over het witte overhemd, en de scooter zwiepte weg; hij moest zijn voet op de grond zetten om niet onderuit te gaan, en de hete uitlaat schuurde langs zijn kuit. Hij vloekte hard in het dialect, en het was geen vloek van woede maar van pijn.
Die paar seconden waren genoeg. Wim draaide de T-splitsing op en stuurde de fiets het terrein van het Land Office op, langs de tamarindeboom, langs de betonnen bank waar Daao negen jaar geleden had gezeten met haar tas op schoot.
Twee geparkeerde brommers en een oude bestelwagen. Geen zwarte sedan. Geen rechtbankmedewerker. Niemand die op hem wachtte, wat hij ook had verwacht. Zijn telefoon trilde opnieuw. Somchai.
“Het verzoek is om twintig over acht ingediend,” zei de advocaat. “De rechter heeft het dossier. Hij behandelt het vandaag, dat heeft de griffie toegezegd, maar hij moet het lezen en hij heeft een zitting om tien uur. Dit kan een uur duren, of drie. Waar bent u?”
“Bij het Land Office in Ban Dung.”
Een korte stilte. “Hoe bent u daar gekomen?”
“Op de fiets.”
“Blijf daar,” zei Somchai, zonder verder commentaar, en Wim was hem daar dankbaar voor. “Zodra er een beschikking is, faxen we die naar de vestiging en sturen we hem elektronisch na. Zeg tegen de balie dat er een spoedprocedure loopt over Chanote nummer 48201. Ze kunnen niets tegenhouden zonder papier, maar ze kunnen wel langzaam zijn. Ambtenaren zijn heel goed in langzaam.”
Wim zette de fiets tegen de muur en liep naar binnen, zijn kleren doorweekt van zweet en modder, zijn overhemd aan zijn rug geplakt. De wachtruimte was leeg op een oude man na die met een plastic zak vol papieren op zijn schoot naar de nummerdisplay keek. Nummer twee. Wim trok nummer drie.

De vrouw achter de balie was jong, met een strak knotje en een naambordje dat hij niet kon lezen. Hij legde de kopie van de Chanote voor haar neer, en de volmacht van Somchai, en zei in zijn beste Thais wat hij vijf keer in zijn hoofd had geoefend: dat er bij de rechtbank in Udon Thani een spoedverzoek liep over dit perceel, en dat hij haar vroeg om vandaag niets te registreren totdat de beschikking er was.
Ze keek naar de papieren. Ze keek naar hem, naar de modder op zijn broek. “Zonder een beschikking kan ik niets tegenhouden, meneer,” zei ze. Beleefd. Correct. “Als de eigenaar komt met een koper en de documenten kloppen, moet ik registreren.”
“Ik vraag u alleen om te wachten.”
“Ik kan niet wachten. Ik kan alleen werken.” Ze zei het niet onvriendelijk. Ze zei het zoals de vrouw bij Kasikorn het had gezegd, en de ambtenaar in het gele overhemd, en Daao: dit is het systeem, en ik ben het systeem niet.
Buiten reed op dat moment de scooter het terrein op. Pong kwam binnen, druipend, het overhemd rood van de modder, een schaafwond op zijn kuit. “Dit is een familiezaak!” riep hij tegen de vrouw. “Hij zoekt problemen! Hij steelt het bedrijf van mijn zus!”
De vrouw keek van Pong naar Wim en weer terug, en op haar gezicht verscheen de uitdrukking van iemand die absoluut niet van plan is zich in een familieruzie te mengen. “Trekt u een nummer,” zei ze tegen Pong.
Pong trok geen nummer. Hij ging op het krukje bij de deur zitten, sloeg zijn armen over elkaar en keek naar de vloer. Wim ging drie stoelen verderop zitten. Zo zaten ze, de stille vennoot en de ene procent, in een wachtruimte waar niemand op hen wachtte, terwijl de plafondventilator de warmte verdeelde en de oude man met zijn plastic zak werd geholpen en vertrok.
Na een half uur zei Pong, zonder op te kijken: “Om negen uur moest ik bij hem zijn.”
Wim zei niets.
“Je weet niet wat die man doet als je niet komt.” Pong keek naar zijn telefoon, die het niet meer deed sinds de plas, en legde hem weer weg. “Jij hebt een paspoort. Jij kunt weg. Ik heb dit dorp. Dat is alles wat ik heb.”
Het was het eerste wat Pong ooit tegen hem had gezegd dat geen dreigement en geen grap was. Wim keek naar het overhemd, dat nooit meer wit zou worden, en naar de schaafwond, en had een moment lang het gevoel dat hij tegenover een man zat en niet tegenover een probleem. Het duurde niet lang. Hij kon het zich niet veroorloven dat het lang duurde.
Om tien voor elf ging zijn telefoon. “De rechter heeft de voorlopige maatregel getekend,” zei Somchai. “Uw vrouw mag het perceel en de opstallen niet verkopen, bezwaren of overdragen zolang de hoofdzaak loopt. De griffie faxt de beschikking nu naar Ban Dung. Blijf bij de balie staan tot u hem in hun handen ziet.”
De fax achter de balie sputterde, zweeg, en sputterde opnieuw. De jonge vrouw pakte het vel eruit, las het, en haar gezicht veranderde van onverschillig naar voorzichtig. Ze stond op en verdween door een deur achterin.
Pong had het gezien. Zijn armen gingen los.
Een oudere ambtenaar kwam naar buiten met de beschikking in zijn hand, een man met een grijs pak en een leesbril op zijn voorhoofd. Hij keek de wachtruimte rond en bleef hangen bij Pong.
“Kittisak Phromsorn?” vroeg hij. “Bent u de eigenaar van de grond, of de bevoegde bestuurder?”
Pong verstijfde. “Ik… broer. Aandeelhouder.”
“Dan kan ik dit niet aan u betekenen. Ik moet mevrouw Kanchana spreken. Belt u haar, alstublieft.”
Pongs telefoon deed het niet. Hij vroeg de vrouw achter de balie of hij mocht bellen, en ze schoof hem het toestel toe met de blik van iemand die het liever niet deed.
Tien minuten later reed de Isuzu het terrein op, te hard, en stopte scheef naast de fiets. Daao stapte uit, in de witte blouse en de zwarte broek, en haar gezicht was strak toen de ambtenaar haar naam vroeg. Ze nam de beschikking aan. Ze las niet alles. Haar ogen bleven hangen bij het nummer van de Chanote, bij haar eigen naam, bij het rode stempel van de rechtbank, een fractie langer dan nodig, alsof ze zelf ook nog iets aan het narekenen was en de uitkomst haar niet beviel.
“De verkoop gaat voorlopig niet door, Daao,” zei Wim, in het Thais, zacht genoeg dat de ambtenaar het niet hoefde te horen.
“En jouw visum?” vroeg ze, nauwelijks meer dan gefluister. “Over vier weken. Wat ga je doen?”
“Somchai dient vandaag ook de hoofdzaak in. Als ik partij ben in een procedure, kan ik bij Immigration een tijdelijke verlenging aanvragen op grond van de rechtszaak. Zonder jou.”
Ze knikte, één keer, alsof ze een prijs had gehoord die hoger was dan verwacht maar niet onmogelijk.
Hij liep met de ambtenaar mee naar het kantoor om zijn adres achter te laten, het adres van het huis waarin hij niet meer kon slapen. Toen hij weer buiten kwam, stonden Daao en Pong niet meer naast elkaar. Pong stond bij zijn gehavende scooter, zijn blik op de grond, zijn kapotte telefoon in zijn hand alsof hij hem alsnog tot leven kon wekken. Daao stond een paar meter verderop onder de tamarindeboom, met haar rug naar hem toe, haar telefoon tegen haar oor, en sprak snel en zacht. Het was niet de toon waarop ze met haar moeder sprak. Het was de toon waarop je met iemand praat aan wie je geld schuldig bent.
Wim pakte de fiets van de muur. Hij had niets gewonnen. Hij had een vel papier met een rood stempel dat zei dat er voorlopig niets mocht gebeuren, en in dit land was voorlopig niets al heel veel.
***
Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur8 oktober 2026De Stille Vennoot – Het Stempel op de Landweg (deel 6)
Cultuur6 oktober 2026De Stille Vennoot – De Sleutels op het Terras (deel 5)
Cultuur2 oktober 2026De Stille Vennoot – De Grens van de Kaart (deel 4)
Cultuur29 september 2026De Stille Vennoot – De Schaduw van het Bedrijf (deel 3)

