De Stille Vennoot – De Rekening van het Dorp (deel 7)

De zwarte Hilux kwam vrijdag om drie uur, en Daao wist wat het was voordat het portier openging.
Ze stond in de receptie met de bezem in haar hand, want er waren geen gasten en er was niets anders te doen dan vegen. Sinds dinsdag had ze twee boekingen geannuleerd, allebei Nederlanders, allebei vrienden van Wim uit het golfclubhuis, en ze had dat niet aan Pong verteld. Pong zat in het hoofdhuis. Hij zat daar sinds dinsdag. Hij was niet naar de financier gegaan, hij had niet gebeld, hij had de gordijnen dichtgedaan en was gaan wachten tot het probleem hem kwam halen, wat in dit dorp de enige manier was waarop problemen ooit werden opgelost.
Twee mannen. Geen uniform, geen pak, gewoon de kleren van mannen die de hele dag in een auto zitten. De ene bleef bij de Hilux staan en stak een sigaret op. De andere kwam naar de receptie, maakte een kleine wai, correct, niet te diep, en vroeg naar Kittisak.
“Mijn broer is niet thuis.”
“Zijn scooter staat er.” De man glimlachte. “Mevrouw, het gaat niet om uw broer. Het gaat om driehonderdduizend baht die meneer Chen als voorschot heeft betaald voor grond die nu niet verkocht kan worden. Meneer Chen begrijpt dat de rechtbank u dat verbiedt. Meneer Chen wil alleen zijn geld terug. Vandaag.”
“Het geld is niet hier.”
“Dat weten wij.” Hij keek langs haar heen naar het erf, naar de Isuzu onder de carport. “Dan nemen we voorlopig iets anders mee. Tot het geld er wel is.”
Ze legde de bezem neer. Ze zei wat ze moest zeggen: dat de auto op naam van het bedrijf stond, dat de rechtbank bezwaring van het perceel verbood, dat ze de politie kon bellen. De man luisterde beleefd tot ze klaar was, zoals de ambtenaar in het gele overhemd naar haar had geluisterd, en zei toen dat de auto geen perceel was en dat de politie in Ban Dung de neef van meneer Chens zakenpartner was, wat ze allebei wisten.
Pong kwam naar buiten toen ze de sleutels al hadden. Hij had het niet moeten doen. Hij schreeuwde, hij greep de andere man bij zijn arm, en de andere man deed één ding met zijn elleboog waardoor Pong tegen de plantenbak viel en zijn telefoon, de nieuwe, op het beton uiteenspatte. Het was geen vechtpartij. Het was een mededeling. Daarna reden ze weg, de ene in de Hilux, de andere in de Isuzu, met Pongs scooter in de laadbak, en het erf was zo stil als op de dag dat ze het hadden gekocht.
Ze belde Wim. Ze wist niet waarom. Ze hoorde zichzelf praten, hoog en snel, en toen viel de verbinding weg omdat het beltegoed op was, en ze stond met de telefoon in haar hand en dacht: dat is het dan. Dat is wat er overblijft van negen jaar. Beltegoed.
Die nacht zat ze bij het aanrecht. Mork dacht dat ze huilde, en ze liet hem dat denken, omdat het eenvoudiger was dan uitleggen dat ze aan het rekenen was. Eén komma twee miljoen bij de financier. Driehonderdduizend aan meneer Chen. Het ziekenhuis in Udon, dat elke maand een nieuwe brief stuurde over haar moeder. En aan de andere kant een farang met een fiets en een advocaat, en een vel papier met een rood stempel.
Ze pakte een schrijfblok van de receptie. Ze schreef, in het Thais, met de formuleringen die ze op internet vond, een pachtovereenkomst voor dertig jaar voor het deel van het perceel waarop het woonhuis en de bungalows stonden, op naam van Willem Hendrikus Bakker. Ze ondertekende. Ze drukte haar duim in het stempelkussen van de receptie en zette haar afdruk naast haar naam, zoals haar moeder deed, die niet kon schrijven. Onderaan schreef ze, slordiger: Als jij de rechtbank stopt, ga ik met je naar het Land Office. Jij kan dertig jaar blijven.
Negen jaar geleden had hij haar om precies dit gevraagd, op de betonnen bank onder de tamarindeboom, en ze was weggelopen omdat een vrouw die stempels laat zetten een vrouw is die niet vertrouwd wordt, en dat had het hele dorp gezien. Nu schreef ze het zelf, om twee uur ’s nachts, met een balpen van de 7-Eleven. Ze vouwde het op en stak het in een envelop, en toen Mork om zeven uur naar school ging, gaf ze hem de envelop en zei dat hij die aan Wim moest geven als hij hem zag. Ze vroeg niet of hij hem zou zien. Ze wist dat hij hem zou zien.

Het kantoor van mr. Somchai was op vrijdagmiddag verrassend stil. Wim zat op een van de lederen bezoekersstoelen, en op het lage tafeltje voor hem lag zijn paspoort, open op een nieuwe pagina. Een extension of stay van negentig dagen, die ochtend afgegeven op grond van zijn betrokkenheid bij een lopende gerechtelijke procedure. De ambtenaar had de beschikking van de rechtbank gelezen, twee keer, en toen gestempeld zonder één vraag over zijn huwelijk. Daao’s handtekening was niet nodig geweest. Voor het eerst in negen jaar had hij een stempel in zijn paspoort dat van hemzelf was.
“Het is een schild, meneer Bakker,” zei Somchai. “Geen zwaard. Negentig dagen. En het maakt uw vijftigste verjaardag belangrijker dan ooit.”
Wims telefoon zoemde. Daao. Hij had haar oproepen sinds dinsdag genegeerd, maar nu nam hij op, en het lawaai kwam eerst. Gedempt geschreeuw, een klap alsof iets op beton viel, en dan haar stem, hoog en gehaast, in het dialect: “Wim, er zijn mannen, ze willen geld, de auto, Pong…” De verbinding viel weg.
Hij belde terug. Een Thaise vrouwenstem zei dat het nummer niet bereikbaar was.
“Er is iemand op het erf,” zei hij. “Ze klonk bang. Ik heb haar nog nooit bang gehoord.”
Somchai stond op, liep naar het raam en keek naar de ringweg alsof daar het antwoord reed. “Rijd er niet heen. U heeft geen auto, en al had u er een. Als dit is wat ik denk dat het is, dan is het geen zaak voor u. Het is een zaak tussen de familie en de mensen aan wie de familie geld schuldig is, en de enige buitenlander op dat erf is de enige die er iets bij te verliezen heeft.”
Rond vijf uur ging de telefoon van Somchai. Hij luisterde een minuut zwijgend, zei drie woorden en hing op. “Een kennis bij de politie in Ban Dung. Er is een incident gemeld op het terrein van het resort. Geen aangifte. Een voertuig meegenomen als onderpand.” Hij keek Wim aan. “Uw pick-up, vermoed ik. U doet er verstandig aan voorlopig niet alleen naar het dorp terug te gaan.”
Het volledige verhaal kwam drie uur later via Mork, in een klein soeprestaurant tegenover Somchais kantoor, aan een vettig tafeltje onder een tl-buis. De jongen droeg zijn schooluniform nog en at met kalme, mechanische slagen een kom noedelsoep leeg. Hij vertelde het zoals hij alles vertelde, in het Engels, zonder nadruk. De Hilux. De twee mannen. De elleboog. De telefoon op het beton. Pong die niet naar buiten durfde. Daao bij het aanrecht.
“Ik zag haar bij het aanrecht,” zei hij, zonder op te kijken. “Dat doet ze niet. Niet sinds ik klein was.”
Wim zei niets. Hij probeerde zich Daao voor te stellen bij het aanrecht, in het licht van de afzuigkap, met haar leesbril op, en merkte dat hij dat beeld liever niet vasthield.
Mork haalde een opgevouwen envelop uit zijn schooltas en legde die op de tafel, naast de vissaus. “Ze gaf me dit vanmorgen.”
Wim vouwde de envelop open. Geen brief. Geen excuses. Een pachtovereenkomst, met haar handtekening en haar duimafdruk, en de regel onderaan in haar slordige handschrift.
Hij las het twee keer. Negen jaar geleden had hij hierom gevraagd, en nu lag het voor hem op een vettig tafeltje, en het was precies wat hij had gewild en het was niets. Niet geregistreerd. Niet op de achterkant van de Chanote. Een belofte zonder stempel is in dit land geen belofte. Het is een stemming, en stemmingen draaien met de wind.
“Wat ga je doen?” vroeg Mork.
“Als ik nu alles intrek,” zei Wim zacht, “heb ik alleen haar belofte. Geen geregistreerde pacht, geen bescherming, geen geld. En een familie die één komma vijf miljoen schuldig is aan mensen met een Hilux.”
“Ze meent het wel,” zei Mork. “Dat is het gekke. Ze meent het.”
“Dat weet ik.”
Hij vouwde het papier dubbel en stak het in zijn binnenzak, bij zijn paspoort. Hij gooide het niet weg en hij tekende er niets op. Dat was het enige antwoord dat hij vanavond had.
“Zeg tegen je moeder,” zei hij, “dat we maandag niet op het terras onderhandelen. Dat we het via Somchai doen, en via de Family Court. En zeg haar dat ik het papier heb gelezen.”
Mork knikte en dronk de soep uit de kom. Toen keek hij op, voor het eerst die avond. “En ik?”
“Jij gaat vanavond met de laatste songthaew naar huis,” zei Wim. “En je zegt tegen niemand dat je Einar hebt geschreven. Nog niet.”
Het was de eerste keer dat hij de naam hardop uitsprak. Mork hoorde het, en zei er niets over, en dat was, begreep Wim, zijn manier van ja zeggen.
***
Vorige delen en verhalen kun je vinden op https://www.thailandblog.nl/author/hans/
Over deze blogger

- Zijn naam is Hans Vredevoort uit Amsterdam, geboren in 1956, en hij heeft nooit eerder verhalen geschreven, maar heeft wel technische artikelen en een boek op zijn naam in 2012 over de private cloud. Na zijn studie aan de Universiteit Utrecht in de Engelse literatuur begin jaren tachtig kwam hij in de IT-wereld terecht. Er waren immers geen banen voor een jonge academicus in die jaren. Hij ontwikkelde zich tot een specialist op het gebied van IT-infrastructuren en Microsoft-software. In 2017 vond hij het echter genoeg, zegde zijn baan op, scheidde van zijn Nederlandse vrouw, verkocht het huis en kocht een ticket naar Bangkok. Eerder dat jaar was hij in Bangkok geweest om een training te geven aan HP-engineers en was hij die week tegen een wonderschone Thaise aangelopen. Vanaf dat moment stond deel 2 van zijn leven helder op zijn vizier. Een paar jaar later was hij getrouwd met diezelfde Thaise en betrokken zij een nieuwe woning in een rustig dorpje aan de zuidflank van Udon Thani. Wel met een stevige glasvezelverbinding.
Lees hier de laatste artikelen
Cultuur10 oktober 2026De Stille Vennoot – De Rekening van het Dorp (deel 7)
Cultuur8 oktober 2026De Stille Vennoot – Het Stempel op de Landweg (deel 6)
Cultuur6 oktober 2026De Stille Vennoot – De Sleutels op het Terras (deel 5)
Cultuur2 oktober 2026De Stille Vennoot – De Grens van de Kaart (deel 4)

